Afdrukken

 

 

EEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR

 + Evangelie volgens Matteüs 16, 13-20

Gij zijt Petrus; ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen

   Cuore mite e umile

         

In die tijd toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was, stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: “Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?”

Zij antwoordden: “Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten”.

“Maar gij”, sprak Hij tot hen, “wie zegt gij dat Ik ben?”.

Simon Petrus antwoordde: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”.

Jezus hernam: “Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is. Op mijn beurt zeg ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steen­rots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn”.

Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk iemand te zeggen, dat Hij de Christus was.

                

God presenteert zichzelf aan ons als een doel van geloof, vooral in de persoon van Jezus Christus. Hij wil dat we vast geloven dat het uit Maria geboren kind, de arbeider uit Nazareth, de Meester in gevecht met de Farizeeën, de gekruisigde van Golgotha, werkelijk zijn Zoon is, zijn gelijke, en dat we Hem als zodanig aanbidden.

Het vestigen van geloof in het vleesgeworden Woord onder de mensen is het grote werk dat God wilde doen door het heil van de verlossing (vgl. Joh 6, 29). Niets kan dit geloof in Jezus Christus, de ware God die deel uitmaakt van de Vader en zijn Gezondene, vervangen. Het is de synthese van heel ons geloof, omdat Christus de synthese is van alle openbaring.

Het leven van de Kerk impliceert in alles en altijd de aanbidding van haar goddelijke Echtgenoot. Tegenover een wereld die Hem ontkent en verkeerd begrijpt, herhaalt zij onophoudelijk, met de heilige Petrus: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God” (Mt 16, 16). Deze sterke geloofsvisie, die de sluier van Christus’ menselijkheid doorboort en in de diepte van zijn goddelijkheid duikt, ontbreekt in veel geesten. Ze zien Jezus, ze raken Hem aan, maar net als de menigte in Galilea is hun blik puur uitwendig, oppervlakkig en verandert het hun ziel niet.

Voor anderen daarentegen is Jezus getransfigureerd; genade verlicht hun geloof in zijn goddelijkheid. Voor hen is Jezus de zon van de gerechtigheid; Hij overtreft alle schoonheden van de aarde en Zijn aanblik brengt hun hart zo in verrukking dat geen enkele andere aantrekkingskracht hen van Zijn liefde kan scheiden. Ze kunnen met de heilige Paulus zeggen: “Ik ben ervan overtuigd dat noch dood noch leven... noch enig ander schepsel mij zal kunnen scheiden van de liefde die God ons betoond heeft in Christus Jezus, onze Heer” (Rom 8, 38).

Dit soort geloof zet Jezus Christus waarachtig vast in ons hart. Het is niet een eenvoudige aanhankelijkheid van de geest; het houdt liefde, hoop en de totale toewijding aan Christus in om zijn leven te leiden, deel te hebben aan zijn mysteries en zijn deugden na te volgen.

(Zalige Columba Marmion, Ex fide vivit)