Afdrukken

 

Wij publiceren hier de homilie, door Emilio Grasso op 13 september 2010 ter gelegenheid van de 123ste verjaardag van de stad Ypacaraí uitgesproken tijdens de dankmis die in de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí werd gevierd in tegenwoordigheid van de burgerlijke, politieke en ambtelijke autoriteiten van de stad en van talrijke gelovigen.

 

Ypacaraí, 13 september 2010

123ste verjaardag van de stichting van de stad Ypacaraí

 

Beste vrienden,

Wij bevinden ons nogmaals in de kerk van God om de verjaardag te vieren van de stad Ypacaraí.

De stad is de dichtstbijzijnde plaats die met het algemeen welzijn en de aanpak van de politieke aangelegenheden van belang is. In dit geval kan men verwijzen naar het woord van Griekse oorsprong: het is het woord polis, in ruime zin en in min of meer pregnante betekenis gebruikt, wanneer men het heeft over politiek of afgeleide begrippen.

Politiek duidt dus oorspronkelijk het bestuur van een stad aan, waaraan alle vrije mensen deelnemen.

In de context van het oude Griekenland zijn stad en staat praktisch hetzelfde, derhalve is duidelijk waarom heden welk bestuur dan ook (lokaal, nationaal, globaal) een politieke dimensie inhoudt[1].

God zij dank "groeit" in onze tijd, zoals het Tweede Vaticaans Concilie stelde,

"het bewustzijn van de uitnemende waardigheid die aan de menselijke persoon toekomt, daar deze al het andere overstijgt en zijn rechten en plichten universeel en onschendbaar zijn. Het is dus nodig al datgene voor de mens toegankelijk te maken wat hij nodig heeft om een waarlijk menselijk leven te leiden, zoals voedsel, kleding, woning, het recht om zijn levensstaat vrij te kiezen en om een gezin te stichten, het recht op opvoeding, op werkgelegenheid, goede naam, respect en passende voorlichting, het recht om te handelen volgens de juiste norm van zijn geweten, het recht op bescherming van zijn privé-leven en op een juiste vrijheid, ook in het godsdienstige. De maatschappelijke orde en zijn verdere ontwikkeling moeten dus steeds ten voordeel strekken van het welzijn van de personen, want de ordening van de dingen dient te zijn onderworpen aan de ordening van de personen en niet andersom, zoals de Heer zelf heeft gesuggereerd, toen Hij zei, dat de sabbat voor de mens is gemaakt en niet de mens voor de sabbat. De maatschappelijke ordening moet zich voortdurend dynamisch ontwikkelen, worden gebaseerd op de waarheid, worden uitgebouwd in rechtvaardigheid en beleefd in liefde; zij moet in vrijheid een steeds menselijker evenwicht vinden. Om dit echter te kunnen volvoeren, dienen er behalve een mentaliteitsvernieuwing ook grote sociale structuurhervormingen te komen" (Gaudium et spes, 26).

Bovendien stelde het Tweede Vaticaans Concilie:

"De Kerk, die, op grond van eigen taak en bevoegdheid, op geen enkele wijze met een staat wordt vereenzelvigd noch aan enig politiek systeem is gebonden, is tegelijk teken en bescherming van de transcendentie van de menselijke persoon. De staat en de Kerk zijn op eigen terrein onafhankelijk van elkaar en autonoom. Maar beide zijn zij, hoewel op verschillende titel, ten dienste van de persoonlijke en maatschappelijke roeping van dezelfde mensen. En dit dienstwerk zullen zij des te effectiever tot welzijn van allen uitoefenen, naarmate zij beide meer een gezonde onderlinge samenwerking tot stand brengen, met inachtneming van de omstandigheden van plaats en tijd" (Gaudium et spes, 76).

De eerste dienst die het geloof de politiek bewijst

De toen nog kardinaal Ratzinger, nu paus Benedictus XVI, schreef, toen hij sprak over de verhouding tussen geloof en politiek, dat de staat niet de totaliteit van het menselijk bestaan is en niet de hele menselijk hoop omvat. De mens en zijn hoop gaan verder dan de werkelijkheid van de staat en de sfeer van het politieke handelen. Maar wanneer het geloof in een hogere hoop van de mens teloor gaat, verrijst opnieuw de mythe van de goddelijke staat, omdat de mens de totaliteit van de hoop niet kan opgeven. Een dergelijke politiek, die van het rijk van God een product van de politiek maakt en het geloof plooit naar het universele primaat van de politiek, is van nature een politiek van de slavernij: het is een mythologische politiek. De eerste dienst die het geloof de politiek bewijst, is dus de bevrijding van de mens van de irrationaliteit van de politieke mythen, die het ware risico van onze tijd zijn. De waarheid is dat de politieke moraal bestaat in weerstand tegen de verleiding van grote woorden waarmee men een spel speelt met de mensheid van de mens en zijn mogelijkheden. Moraal is de loyaliteit die de maat van de mens aanvaardt en in deze mate het werk van de mens volbrengt[2].

Daarom hebben wij, terugkerend naar de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie - vooral in deze tijd van electorale wedijver voor de verkiezing van de burgemeester en de gemeenteraad - de plicht om te stellen dat "de burgerlijke en politieke opvoeding, tegenwoordig zowel voor een volk als met name voor de jeugd ten zeerste noodzakelijk, goed moet worden behartigd, zodat alle burgers hun aandeel kunnen hebben in het politieke leven van de gemeenschap. Wie daarvoor geschikt zijn of kunnen worden, moeten zichzelf voorbereiden voor de politiek, een moeilijk en tegelijk zeer edel beroep, en trachten ze te bedrijven zonder te denken aan eigen voordeel en winstbejag. Tegen onrecht en verdrukking, willekeurige overheersing van één mens of één politieke partij en tegen onverdraagzaamheid moeten zij in een onbesproken levenswandel en verstandig ageren; maar in eerlijkheid en billijkheid, ja in liefde en politieke krachtdadigheid moeten zij zich wijden aan het welzijn van allen" (Gaudium et spes, 75).

Giorgio La Pira, die burgemeester van de stad Florence was - een groot mysticus, een groot christen, een groot profeet en een grote leek, geëngageerd in het politieke leven van Italië in de periode na de Tweede Wereldoorlog, na de val van de fascistische dictatuur, één van de vaders van de Italiaanse grondwet, wiens canoniek proces voor zaligverklaring is geopend - stelde, toen hij sprak over de waarde van de stad:

"De huidige generaties hebben het recht niet om een erfenis die hun is toevertrouwd met het oog op de toekomstige generaties, te verwoesten! Het betreft goederen die tot hen zijn gekomen van voorbije generaties en ten opzichte waarvan zij de juridische hoedanigheid hebben van fiduciaire erfgenamen: degenen voor wie in laatste instantie deze erfenis is bestemd, zijn de generaties van morgen"[3].

De stad is de plaats waar alle mensen zonder onderscheid elkaar ontmoeten. Wij leven allen in de stad en wij zijn allen geroepen deze stad te bouwen, onze stad Ypacaraí, als de hof van Eden, waarin God zelf wandelde op het uur van de middagwind van de dag (vgl. Gen. 3, 8).

Tegen iedere breuk en verdeeldheid

Deze bijbelse reminiscentie nodigt ons uit tot een sterke politieke inzet voor het probleem van de openbare orde en het ecologisch probleem van eerbied voor het milieu in overeenstemming met alle opvoedingsinstellingen, opdat ieder leert dat de natuur toebehoort aan allen en niet kan worden veranderd in een plaats waarmee ieder kan doen wat hem behaagt zonder rekening te houden met anderen.

In zijn encycliek Spe salvi heeft Benedictus XVI geschreven:

"Het heil is altijd als een gemeenschappelijke werkelijkheid beschouwd ... In overeenstemming hiermee wordt de zonde door de kerkvaders opgevat als de vernietiging van de eenheid van het menselijk geslacht, als versplintering en scheuring. Babel, de plaats van de spraakverwarring en de scheiding, brengt tot uitdrukking wat zonde ten diepste is. En zo toont de 'verlossing' zich juist als herstel van de eenheid, waarin wij elkaar opnieuw ontmoeten in ‘één-zijn' dat zich baan breekt in de wereldwijde gemeenschap van de gelovigen" (nr. 14).

De stad van de mens is het tegengestelde van Babel, plaats van wanorde en verdeeldheid.

De heilige Kerk van de Heer die in Ypacaraí in eenheid is met de ene Kerk van de Heer, de Kerk van vandaag, gisteren en morgen, smeekt vandaag de zegen af van de Vader van heel de mensheid over deze stad, over al haar bewoners en al haar huidige en toekomstige bestuurders, opdat zij zich ten dienste weten te stellen van het gemeenschappelijk welzijn en zich met oprechtheid en gerechtigheid, met liefde en kracht wijden aan het welzijn van allen.

Laten wij onze dierbare stad Ypacaraí liefhebben en van haar de stad van vrede en liefde maken, beeld van de stad van God die uit de hemel neerdaalt als een schone bruid, getooid voor haar Bruidegom met haar mooiste gezangen!

 

P. Emilio Grasso

Pastoor van de Parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí

 

 

__________________________

[1] Vgl. E.M. Tacchi, Città, in Dizionario di dottrina sociale della Chiesa. Scienze sociali e Magistero. Verzorgd door het Centro di ricerche per lo studio sociale della Chiesa, Vita e pensiero, Milano 2004, 189.

[2] Vgl. J. Ratzinger, Chiesa, ecumenismo e politica. Nuovi saggi di ecclesiologia, Paoline, Cinisello Balsamo (MI) 1987, 142-144.

[3] G. La Pira, Il valore delle città, in "La Badia. Quaderni della Fondazione Giorgio La Pira" n. 3 (1979) 10.

 

 (Vertaald uit het Italiaans door Drs.H.M.G. Kretzers)

Categorie: Homilieën en toespraken