Het meisje dat niet knielen kon
Op 30 november 1943 kwam Etty Hillesum, een Nederlands joods vrouw, om in het concentratiekamp van Auschwitz. Zij was toen 29 jaar oud. Haar geschiedenis is het ware getuigenis van een waarachtig geloof dat voor altijd stand houdt, moedige uitdaging tegen alles wat onmogelijk lijkt, vruchtbare herinnering voor een betere toekomst.
![]()
Het geheugen van de geschiedenis: bouwsteen voor de toekomst
De geschiedenis van de mensheid en de gebeurtenissen die haar ontwikkeling bepalen, zetten steeds opnieuw aan tot nadenken. Toekomst kan men immers niet opbouwen zonder het geheugen van het verleden
en de geschiedenis zelf is memoria futuri (het geheugen van de toekomst).
Benedictus XVI benadrukt herhaaldelijk het belang van het geheugen. Bij zijn bezoek aan het kamp Auschwitz op 28 mei 2006 zei hij: “Het verleden is nooit alleen maar louter verleden. Het gaat om ons en het toont ons de weg die we moeten volgen of die we moeten afwijzen”. Tijdens het Angelus van 28 februari 2009 hernam hij dit thema van het geheugen en benadrukte dat de Shoah “een waarschuwing moet zijn voor iedereen tegen het vergeten of ontkennen of het versimpelen omdat het geweld dat tegen één enkel mens wordt begaan ook een geweldpleging is tegen iedere mens”. Tenslotte drukte de paus de hoop uit dat de herinnering aan de Shoah de mens zou doen nadenken over “de onvoorspelbare macht van het kwaad, wanneer het zich meester maakt van het menselijk hart”.
Deze leessleutel die de werking van het kwaad in het hart zelf van de mens aanduidt, is ook de intuïtie van een jong Nederlands meisje, Etty Hillesum, die slachtoffer werd van het nazisme. Ondanks het feit dat zij geen onbekende is, groeit de laatste jaren de belangstelling voor haar levensverhaal.
Biografische schets
Etty Hillesum wordt geboren op 15 januari 1914 te Middelburg in Nederland. Wanneer zij 18 jaar is gaat zij naar Amsterdam om er rechten te studeren en Slavische talen. In Amsterdam sympathiseert zij ook met linkse en antifascistische studentengroepen. Ze hecht veel belang aan de politiek en aan de sociale problemen. Op dat ogenblik heeft ze al een heel bewogen leven achter de rug waarin de morele normen niet altijd even nauw genomen werden. In februari 1941 ontmoet zij Julius Spier, de man die haar leven veranderde. Hij is een geëmigreerde jood van Duitse origine. Hij is leerling van de grote psychoanalist C.G. Jung. Vanaf maart 1941 tot aan haar transport naar het kamp Westerbork (zomer 1942) hield Etty een dagboek bij waarbij zij over haar
ervaring nadenkt. Ze kwam om in Auschwitz op 30 november 1943. Zij was toen 29 jaar.
Op weg naar het wezenlijke
Haar familie beschikt over een groot intellectueel en menselijk kapitaal, maar haar ouders zijn niet in staat keuzes te maken. Zij slagen er niet in hun kinderen wegen te tonen door het labyrint van het leven. Van jongs af aan toont ze haar teleurstelling voor de oppervlakkige en onbeduidende van de gezinsrelatie en ze probeerde er onderuit te komen:
“Het leven hier in huis gaat te gronde in kleinigheden. Je wordt uitgemoord door kleinigheden en aan het belangrijkere komt men niet toe. … ik zou ontaarden tot een beroepsmelancholica wanneer ik hier lang zou zijn”[1].
Etty wordt door haar oorspronkelijke ervaring genoopt om op zoek te gaan naar een eigen identiteit en een eigen plaats in de maatschappij. Zij wil leven en van betekenis zijn voor zichzelf en voor de mensen die haar omringen. Hoezeer ze verlangt naar een relatie wordt reeds duidelijk door de wijze waarop zij uiting geeft aan haar gevoelens. In het eerste stadium neemt dit verlangen de vorm aan van een bezittelijk-erotische liefde. In de ontmoeting met Spier verandert dit verlangen en stelt het haar in staat om de onmiddellijke lichamelijke vervulling te overstijgen.
Etty komt tot de ontdekking dat wat men in zijn eigen diepste voor de andere koestert, niet tot uitdrukking komt in een bezittelijke liefde. Ze zegt over haar zelf:
“Etty, ik walg van je. Zo egocentrisch en zo klein. In plaats dat je hem bijstaat met je liefde en je belangstelling, vraag je je als een drenzerig kind af, of hij godbewaarme wel genoeg aandacht aan je besteedt. Het is de kleine vrouw, die alle aandacht en liefde voor zich opeist”.
Etty leert open te staan voor de transcendentie:
“Zou men het op den duur gaan leren, dat de liefde tot de mens, zoveel gelukbrengender en vruchtdragender is dan de liefde tot de sekse, die de sappen ontrooft aan de gemeenschap?”.
De verwerving van de fundamentele waarden, die in het bewustzijn van het bestaan de eigen menselijke grenzen regelen, gebeurt bij Etty niet los van een persoonlijke relatie, maar juist daardoor. Spier is de gids, de historische bemiddelaar die Etty begeleidt naar God: naar God. Over Spier zegt zij: ”Hij was een bemiddelaar
tussen God en de mensen”, een mens die anderen leerde zich openstellen voor het eeuwige, want hij was “van het eeuwige doordrongen”. Na de dood van Spier wijdt ze hem deze prachtige gedachte toe: “Die krachten die mij ter beschikking staan, heb jij in mij vrij gemaakt. Jij hebt me onbevangen de naam van God leren uitspreken. Jij bent de bemiddelaar geweest tussen God en mij”.
Mocht men de relatie tussen Etty en Spier enkel maar vanuit een morele of therapeutische invalshoek willen beoordelen, dan zou men aan haar diepe betekenis tekortdoen. Voor Etty was Spier getuige van de Absolute. Hij heeft Etty leren kennen wat telt in het leven: de liefde die zich in een elan van volledige overgave aan de ander geeft. Niet lang voor haar dood zal ze van zichzelf zeggen: “Ik heb mijn lichaam gebroken als brood en het uitgedeeld onder de mannen”.
De Absolute ontdekken in de geschiedenis
De ervaring van het goddelijke is een dialoog, een tot in relatie treden met iemand. Martin Buber beweerde dat wij in elke dialogale relatie ik-gij, “in elke gij tot de Eeuwige spreken”. Het is deze ervaring van God die Etty beleeft:
“Eigenlijk is mijn leven één voortdurend ‘hineinhorchen’ in mijzelf, in de anderen, in God. En als ik zeg dat ik ‘hinein horch’, dan is het eigenlijk God die in mij ‘hinein horcht’. Het wezenlijkste en diepste in mij dat luistert naar het wezenlijke en diepste in de ander: God tot God”.
Men kan zich afvragen, zoals sommigen trouwens doen, of deze ervaring geen vlucht was uit de historische drama die zich voordeed en of zo’n vlucht haar niet schuldig maakte. Een aandachtige lezing van het Dagboek pleit Etty echter vrij van elke verdenking. Zij ging niet lichtzinnig om met de tragedie van de Shoah van haar volk en ze was zeer goed op de hoogte van de ideologie van de Endlösung der Judenfrage. Integendeel schrijft ze met de dood voor ogen en ze schrijft over zichzelf en haar volk dat “het gaat om onze ondergang en onze vernietiging, daarover hoeft men zich geen enkele illusie meer te maken”. Haar bewustzijn van de historische gebeurtenissen is geen passieve aanvaarding van dit lot, maar een aansporing om zich te verzetten tegen het achteloos omgaan met de eigen waardigheid en tegen de gelatenheid die de kritische zin
verlamt en elke aanzet tot verandering in de kiem smoort. Zij is niet verwonderd wanneer zij overal en steeds hoort roepen: “We willen niet denken, we willen niet voelen, anders worden we gek”. Dit is voor haar “het grootste gevaar”.
Helder, ondanks haar lijden, duidt Etty de diepste redenen, de metafysische wortels aan van deze genocide: de wereld kan niet veranderen als eerst het hart en de mentaliteit van elk individu niet veranderen. Deze mentaliteitswijziging is zeer ingrijpend en zal ook zeer veel moeite kosten. De overwinning zal slechts mogelijk zijn als het Godsbeeld ontluikt in het bewustzijn van de mensen.
Dit is de reden waarom Etty krachtig uitroept: “Datgene wat in de levenden dood is, zal ik weer tot leven wekken en zo zal er niets dan leven zijn, één groot leven, mijn God”. Zij wil bemiddelen tussen God en de mens: “En ik zal de bemiddelaarster zijn voor al die anderen die ik bereiken kan”. De ik-gij-relatie stelt zich open voor een derde: ze wordt niet beleefd in de beslotenheid van het eigen ik, in een soort intiem solipsisme, maar op een open veld tussen de barakken van het concentratiekamp. Door de last van een arme mensheid op zich te nemen neemt Etty de opdracht aan om in het hart van de mens de vonk van de Eeuwige aan te wakkeren zodat iedereen in de dialoog met God zijn uniciteit kan ontdekken.
Deze originaliteit is ook de opdracht van de christelijke missie: mensen uit de massa naar voren halen; hen roepen bij hun naam, de geliefde een naam geven, opdat hij/zij die onvervangbare waarde zou ontdekken. Niet de mensheid, niet de mens in het algemeen, maar de concrete persoon die ik ben is het centrum en het hart van het heelal en het doel van Gods liefde.
Tot in de uiterste consequenties gelooft Etty dat het mogelijk is het verraad, de verdierlijking en de verdeeldheid, die de mens veranderen in een wreed beest, te overwinnen. Ook in de situatie van onschuldig slachtoffer is dit het enige wat men kan doen. Het enige wat we kunnen redden en telt is: “Een klein stukje van U in ons, mijn God”. Dit is de uitdaging die Etty richt tot zichzelf, tot haar volk en tot haar beulen.
De verantwoordelijkheid voor de ander
In dit elan deelt zij vrijwillig het lot van haar volk. Ook al heeft ze de mogelijkheid om zich te redden, ze wil aan de kant van haar volk staan en zijn lijden tot haar eigen lijden maken.
Deze zin voor verantwoordelijkheid voor de ander heeft niets te maken met een verheerlijking van het lijden. Dit lijden kan niet worden gerechtvaardigd: het zou niet ethisch zijn, en niet eens gezocht, want het zou pervers zijn. Eigenlijk worden wij om reden van ons mens-zijn betrokken met het lijden. “Lijden – overweegt Etty – is niet beneden de menselijke waardigheid. Ik bedoel: men kan menswaardig lijden en niet menswaardig”. Het komt erop aan “hoe men het draagt en of men het te rangschikken weet in zijn leven en toch het leven blijft aanvaarden”.
De verantwoordelijkheid voor de ander veronderstelt dat men de plaats van een ander inneemt zonder dat deze laatste van zijn eigen verantwoordelijkheid ontheven wordt. Dit is de dynamiek waaraan Etty heel bewust deelneemt wanneer ze, getroffen door het tragische en twistzieke leven van de gevangenen in de barakken van Westerbork uitroept:
“Laat ik maar de opvangbarak zijn van het betere in jullie, dat er toch zeker in ieder van jullie is. Ik hoef niet zoveel te doen, ik wil er alleen maar zijn. Laat mij in dit lichaam maar de ziel zijn. En in ieder van de mensen vond ik wel eens een gebaar of een blik, die ver boven hun eigen niveau uitging en waarvan ze zich zelf waarschijnlijk nauwelijks bewust waren. En ik voelde me de bewaarster daarvan”.
De hartstocht voor de schoonheid en voor de zin van het leven
Noch haar innerlijke rijkdom, noch haar vertrouwen in God brengen Etty tot de ontkenning van aardse schoonheid of menselijke hartstocht. Voor haar is ascese niet de weigering of de verloochening van het aardse leven, maar de diepste lofprijzing hiervoor. Etty houdt van het leven: ze eet graag; ze wil vrouw zijn; ze houdt van mooie dingen; ze schept behagen in tederheid en ze geeft haar passies toe. Zij komt tot de ontmoeting met God, niet ondanks maar dankzij haar fysisch leven.
Boeiend in haar persoonlijkheid is het groeiproces vanuit de verwondering voor het leven naar de openheid tot de ander. In een wereld van haat die afzijdig bleef toekijken, had Etty de moed om een fundamentele keuze te maken: geen haat koesteren voor de ander, maar geloven dat de diepste zin van het leven God zelf is en Hem aan de ander doorgeven. Trouw aan deze fundamentele keuze offerde ze haar jonge leven op.
In de ontmoeting met de ander, als ik-Gij, verwezenlijkt de mens zijn volle ontwikkeling.
Etty vat haar leven zo samen:
“Wat is eigenlijk een merkwaardige geschiedenis geweest van mij: die van het meisje dat niet knielen
kon. Of met een variatie: van het meisje dat leerde bidden. Het is mijn intiemste gebaar, intiemer dan dat ik heb in het samenzijn met een man”.
In onze tijd die zo verarmd is omdat men de ander ongemerkt voorbijgaat, omdat men onbekwaam blijkt hem op te vangen en zijn anders-zijn te aanvaarden zowel op ethisch als op sociaal vlak, is het voorbeeld van Etty Hillesum verrassend actueel. Het nodigt ons uit om doorheen de gewone dagelijkse dingen van het leven de diepe betekenis van de geschiedenis van de mens te begrijpen, de ultieme realiteit die haar grondvest en betekenis geeft. Het is een oproep om de laatste werkelijkheid die de geschiedenis fundeert en zin geeft, te ontcijferen. Dit is een onrechtstreekse uitnodiging om het eigene van de christelijke ervaring te herontdekken: het belang van de persoon als de uitverkoren plaats van Gods aanwezigheid. Dit is tevens die vorm van communicatie, van verkondiging van het geloof van persoon tot persoon, waardoor “iemands persoonlijk geweten bereikt wordt, geraakt door een in alle opzicht uniek woord dat hij van een ander ontvangt” (Evangelii nuntiandi, 46).
Daarom is de geschiedenis van Etty Hillesum een lichtgevend getuigenis van een geloof dat voor de grootste hindernissen niet ten onder gaat, een moedige uitdaging tegen de berusting bij het onmogelijke, vruchbaar geheugen voor een betere toekomst.
_______________________
[1] De citaten in de tekst opgenomen komen uit het boek: E. Hillesum, Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum: 1941-1943, Balans, Amsterdam, 2004. Vgl. P. Lebeau, Etty Hillesum: een spirituele zoektocht, Lannoo, Ten Have, 1999.
12/10/2021
kon. Of met een variatie: van het meisje dat leerde bidden. Het is mijn intiemste gebaar, intiemer dan dat ik heb in het samenzijn met een man”.