Een geloofsbelijdenis, een strijdkreet
“Lieve moeder, vandaag ben ik krijgsgevangen gemaakt. Op dit ogenblik geloof ik dat ik zal sterven, maar dat is niet belangrijk, mama. Berust in de wil van God. Ik sterf gelukkig, omdat ik dapper zal sterven naast Onze Heer”, schreef vanuit de gevangenis van Cotija in Mexico José Sánchez del Río.
Het was 6 februari 1928. José was veertien jaar. Hij was gevangen genomen tijdens een treffen tussen de troepen van de Cristeros en de federale troepen. Hij had zijn paard afgestaan aan het hoofd van de Cristeros, Rubén Guízar Morfín, die op het
punt stond gevangengenomen te worden vanwege het doden van zijn paard, maar die er zo in slaagde te vluchten en zich in veiligheid te brengen.
Na meermaals tevergeefs gevraagd te hebben dienst te mogen nemen in de troepen van de Cristeros, ging José het rechtstreeks vragen aan generaal Prudencio Mendoza. Na veel lotgevallen, gevaarlijke avonturen, mijnenvelden en iedere soort van hinderlagen bereikte hij het verblijf van de generaal, die getroffen werd door zijn standvastigheid en vastberadenheid en hem ondanks zijn jonge leeftijd opnam in het leger van de Cristeros als vaandeldrager.
José liet met zijn vastbeslotenheid zien dat men ook op de jonge leeftijd van veertien jaar in staat is op verantwoorde wijze een keuze te maken die het eigen leven bepaalt, welke deze ook is, ook door harde beproevingen te overwinnen en de betrouwbaarheid ervan met de dood zelf te bekrachtigen. Dat ontmaskert een in onze dagen zeer verbreide mentaliteit die een vermeende kwetsbaarheid van de mens en een zich voordoen als slachtoffer aanmoedigt door ten onrechte te verklaren dat hij niet in staart is tot een persoonlijke en vrije keuze.
Generaal Anacleto Guerrero, een vervolger van de Cristeros, die hem gevangengenomen had vroeg José of hij zich niet bij zijn soldaten wilde aansluiten. Het vastberaden antwoord van José was: “Ik verkies de dood! Ik ben uw vijand, schiet me maar dood!”.
De dag erna werd hij overgebracht naar Sahuayo, afgezonderd in de crypte van de doopkapel van de parochie, waar de afgevaardigde Rafael Picazo Sánchez, zijn peetoom, die de macht had over heel de streek, op hem wachtte. Deze bood hem geld om naar de Verenigde Staten te gaan. José ging er niet op in en zei dat hij, als ze hem zouden bevrijden, terug zou keren naar de Cristeros. Toen werd hem de mogelijkheid geboden zich in te schrijven op de Militaire Academie. Hij antwoordde: “Ik zal nooit bij de changos (de apen) gaan!”.
Vervolgens werd de mogelijkheid overwogen om hem voor een ontzaglijke som geld vrij te laten. Maar José liet aan zijn familieleden zeggen het niet te doen, omdat hij zijn leven al aan God had aangeboden.
Gedurende de eerste nacht in gevangenschap zag José tot zijn groot misnoegen en diep verdriet de erbarmelijke toestand waarin de door regeringstroepen bezette doopkapel verkeerde. Het was de stal geworden van het paard van de afgevaardigde Picazo en er waren gevechtshanen die Picazo had vastgebonden aan de baldakijn van het Allerheiligste.
José doodde de hanen en maakte het paard van de afgevaardigde blind, reinigde vervolgens de baldakijn met zijn hemd dat hij had natgemaakt.
De volgende morgen vroeg Picazo hem woedend of hij zich realiseerde wat hij had gedaan. José antwoordde: “Het huis van God is een plaats van gebed en niet een toevlucht voor dieren”. Picazo dreigde hem woedend. José antwoordde: “Ik ben tot alles bereid. Dood me, laat mij naar Onze Heer gaan om Hem te vragen jou te bekeren”. Een van de assistenten van Picazo sloeg José zo hard op zijn mond dat enkele tanden uitvielen.
Toen gaf Picazo de opdracht in zijn aanwezigheid zijn Indiaanse vriend Lázaro, die met hem gevangen was genomen, aan een boom op het hoofdplein op te hangen. Toen richtte José zich tot de soldaten en zei nadrukkelijk tot hen: “Kom op, dood mij nu maar!”.
Zijn moedige en onmiddellijke antwoorden waren de vrucht van zijn grote innerlijke vrijheid, van de vastbeslotenheid en vastberadenheid van zijn keuze.
De marteldood
Op de avond van 10 februari schreef hij aan zijn tante:
“Lieve tante, ik ben ter dood veroordeeld. Om halfnegen zal het ogenblik komen waarnaar ik zozeer, zozeer heb verlangd. Ik dank u voor alle gunsten die u mij hebt bewezen, u en Magdalena... Christus leeft, Christus heerst. Christus beveelt! Leve Christus Koning en de Heilige Maria van Guadelupe! José Sánchez del Río, gestorven omdat hij zijn geloof verdedigt. Blijf strijden. Vaarwel”.
Zij stelden hem terecht op het gemeentekerkhof zonder een proces. Rond elf uur ’s avonds vilden zij zijn voeten met een mes, sleurden hem naar buiten en verplichtten hem blootsvoets, met bebloede voeten door de straat te lopen die hem naar het kerkhof bracht. “Hij was noch overweldigd, noch angstig, maar hij was gelukkig”, vertelden ooggetuigen. De soldaten bleven aandringen dat hij zijn geloof af zou zweren, maar hij riep nog harder: “Leve Christus Koning en de Maagd van Guadelupe”. “Jullie kunnen met mij doen wat jullie willen, maar ik ben nog nooit zo gelukkig geweest als op dit ogenblik het Paradijs te verdienen”.
Voor de grafkuil staken zij met messen op hem in, maar hij bleef nog harder roepen: “Leve Christus en de Maagd van Guadelupe”, totdat het hoofd van de bewakers zijn pistool trok en hem in het hoofd schoot. De beulen gooiden met minachting zijn naakte lichaam in de grafkuil. Diezelfde nacht trok de bewaker van het kerkhof hem in het geheim eruit en wikkelde hem in een laken.
Hij bleef daar tot 1954, toen zijn stoffelijk overschot werd overgebracht naar de crypte van de parochie van het Heilig Hart. In 1996 werden ze vervolgens overgebracht naar de parochie van de heilige apostel Jacobus. Vanaf de dag van zijn dood begonnen allen hem “martelaar” te noemen en tot vandaag is zijn graf het doel van pelgrimstochten.
Het geheugen van een volk
De geschiedenis van José staat diep gegrift in het geheugen en de genegenheid van dat volk, dat als christengemeenschap zo
geweldig heeft geleden om trouw te blijven aan zijn geloof. Het heeft het getuigenis van José bewaard als deel van zijn culturele, nog levende en actuele, erfenis.
Zijn marteldood maakt deel uit van de tragische gebeurtenissen die hun hoogtepunt vonden in de Cristiada, een beweging van volkse oorsprong, begonnen als reactie om het recht te verdedigen op de vrijheid van godsdienst, die werd ontkend en bestreden door een regering die openlijk de Kerk vijandig gezind was.
Het ontstaan van de Cristero-oorlog gaat terug op de federale Grondwet van Quéretaro van 1917, opgesteld door mensen die grotendeels vrijmetselaars en in hun totaliteit antiklerikale “Jacobijnen” waren. Tegenover antikatholieke wetten, die het recht ontkenden om het eigen geloof te belijden en de bedoeling hadden de aanwezigheid van het katholicisme in al zijn vormen te vernietigen, kwamen de katholieken na tevergeefs alle mogelijke vreedzame protesten geprobeerd te hebben, in opstand en grepen naar de wapenen met een volksopstand die enig in zijn soort was.
Met president Plutarco Elías Calles, die met het sluiten van kerken en de ballingschap van priesters een politiek van terreur tegen de Kerk en de vrijheid van godsdienst begon, werd de repressie zwaar en openlijk. De gewapende onderdrukking van iedere vorm van protest was erop gericht het idee zelf van een katholiek geloof in de Mexicaanse samenleving met wortel en tak uit te roeien. De zogenaamde wet Ley Calles bevestigde de toepassing van de Grondwet van 1917 en verergerde de repressie, waarop de katholieken antwoordden met een economische boycot.
Een bepalende factor, die niemand had ingecalculeerd, was de houding van het volk. Er waren gebedswaken in heel Mexico, spontane processies, religieuze en mystieke vormen van protest, openbare boetedoeningen, een massale mobilisering met een vreedzaam en religieus karakter. Maar tegenover een zoveelste en hardere repressie door de regering tegen het eenvoudigste deel van de bevolking brak een op een zo versplinterde wijze gewapende opstand uit dat het voor de autoriteiten in het begin moeilijk was de tegenwoordigheid ervan te registreren.
Het waren verbitterde mensen, gedreven door een onvoorziene geest van heldendom, die hun zaken achterlieten, hun echtgenotes en kinderen omarmden en ten strijde trokken. Zij hadden begrepen dat het noodzakelijk was hun eigen welzijn, hun eigen lichaam op het spel te zetten, anders zou de Kerk in Mexico weggevaagd worden.
Deze spontane volksbeweging werd gedwongen naar de wapens te grijpen en als opstandig werd zij revolutionair. Er begon een echte guerrilla en de botsing veranderde in een soort koloniale oorlog, waarbij het leger vocht tegen het eigen volk. De regering definieerde de strijders op een vrij offensieve toon als Cristeros, omdat zij, stervend, riepen: “Leve Christus Koning”. Vervolgens herkenden zij zichzelf in de letterlijke betekenis van dat epitheton en namen het aan. Daarom werd de beweging Cristiada genoemd.
De staat provoceerde het volk steeds meer en zocht de confrontatie ermee door ophanging, fusilleren, gedwongen verwijdering van het land en ballingschap van de bevolking. Het volk antwoordde door een ongeëvenaarde opstand te ontketenen. Als enig antwoord hierop verergerden de autoriteiten de vervolging en de verwoesting nog meer met een zeer harde onderdrukking, met het systematisch afslachten van de burgerbevolking, de verwoesting van de culturen, plundering en verkrachting.
Het is hier niet mogelijk zelfs in een samenvatting alle gebeurtenissen te vertellen waarin een oorlog zich afspeelde die in veel staten plaatsvond en gedurende drie jaar tienduizenden strijders in beslag nam en duizenden slachtoffers aan beide zijden maakte.
Half 1928 waren de Cristeros erin geslaagd op het slagveld de overhand te krijgen en konden intussen militair niet meer
verslagen worden. Maar de regering slaagde erin in juni 1929 tot een overeenkomst met de Kerk te komen.
De door dit conflict veroorzaakte schade was immens. Zeer hoog het aantal slachtoffers. Zodra de wapens waren neergelegd, begon tegen de Cristeros een lange reeks represailles en wraakoefeningen met honderden nieuwe slachtoffers en nieuwe gevallen van een marteldood, die zich voortsleepten tot de jaren 1940. Onder de Cristeros heerste er vooral de hevige teleurstelling dat zij in de steek waren gelaten, juist toen ze op het slagveld aan de winnende hand waren en ook omdat zij op het ogenblik van de overeenkomsten als waardeloos werden beschouwd ondanks de honderden gevallenen en martelaren en de immense offers die door het eenvoudigste en gelovigste katholieke volk waren gebracht.
De zin van zijn marteldood: zijn geloofsbelijdenis
De heilige Augustinus schreef dat de marteldood als zodanig wordt beschouwd niet op grond van de dood op zich, maar op grond van de reden waarom de mens besluit zich op te offeren: “Wat de martelaren maakt, is niet de marteling, maar de reden” (Enarrationes in Psalmum 34, II, 13).
José stierf, roepend: “Leve Christus en de Maagd van Guadelupe”.
De diepe reden van zijn marteldood was de eenwording die hij verlangde met Christus in zijn lijden en dood om met Hem te verrijzen en de overwinning te behalen op degenen die de vrijheid ontkenden om die liefde van hem te kunnen beleven. Hij stierf om zijn trouw aan de persoon van Christus en legde getuigenis af van zijn tegenwoordigheid in de Kerk. Bij het uitroepen van “Leve Christus Koning” bracht dat “Leve” zijn diepe overtuiging, waarvoor hij betaalde met de prijs van zijn leven, tot uitdrukking dat Christus leefde, tegenwoordig was in zijn Kerk. Zo eiste hij de vrijheid van zijn geloof op tegen zijn vervolgers, die deze ontkenden.
De verering voor Christus Koning wortelde in de verering voor het Heilig Hart van Jezus, die op dat ogenblik door de bevolking breed werd gevoeld en zich verspreid had na de encycliek Quas primas van Pius XI en daarbij een bijzondere betekenis kreeg in de omstandigheden van godsdienstvervolging door de aandacht te vestigen op de sociale dimensie van het Rijk van Christus en de gewetensvrijheid tegenover vormen van totalitarisme.
Zijn marteldood werd ontvangen als een getuigenis van de tegenwoordigheid van Christus. Men kan zeggen dat José ondanks zijn jonge leeftijd het mysterie van Christus heeft ontdekt en erdoor gefascineerd werd. Een mysterie dat hem tekende met de marteldood van Anacleto González Flores, die hij bijstond en op wiens graf hij de genade vroeg om martelaar te worden. Hij aanvaardde niet passief de ernstige toestand van vervolging en onderdrukking, maar bood deze persoonlijk het hoofd door zijn eigen leven op het spel te zetten. Hij was er ten diepste zeker van dat de enige zin van het leven Christus was en dat zijn leven met Hem op geen enkele wijze verhinderd of verwoest kon worden.
Hiervan getuigen zijn brieven, geschreven in de gevangenis, in de eenzaamheid van iemand die het uur van zijn dood reeds
kende, zich goed bewust van wat hem te wachten stond, zonder romantiek of sentimentalisme, en hierin klinken zijn diepste overtuigingen door. Hij verdedigde zijn vrijheid, zijn ideaal. Hij nam de verantwoordelijkheid op zich van zijn keuze om te strijden voor wat hem het meest ter harte ging. Hij schoof zijn eigen verantwoordelijkheid niet op anderen af. Hij aanvaardde de macht en het machtsmisbruik van wie deze vrijheid van hem wilde verhinderen, niet. Hij wilde het goddelijk leven bereiken dat hij bij het doopsel had ontvangen, ook ten koste van het aardse leven zelf.
Een strijdkreet
Zoals veel andere Mexicaanse martelaren maakt José deel uit van het katholieke volk dat openlijk vijandig werd bejegend en onderdrukt door de regering in handen van de vrijmetselarij, die de bedoeling had het katholicisme met wortel en tak in het land uit te roeien en minachting koesterde voor de “Indianen”, het “christelijke lage volk”, een arrogante benaming die door vrijmetselaars en liberale riformisten van toen werd gegeven aan de christenen, van wie de devotie voor de Heilige Maria van Guadelupe, de Maagd met het gelaat van een mesties, verschenen aan een Indiaan, Juan Diego, door tegenstanders werd beschouwd als de oorzaak van alle ellende van Mexico.
Daarom stierven de martelaren met de kreet “Leve Christus Koning en de Maagd van Guadelupe”. In de Maagd met het gelaat van een mesties de Virgen morenita, eerden zij de Madre Liberadora, die kracht en waarde gaf aan iedere mens, onder welke moeilijkheden, troosteloosheid, onderdrukking hij ook gebukt ging. Zij was het symbool van de armen en de onderdrukten, die weigerden zich te laten onderdrukken door de heersende klasse. Haar aanwezigheid was de kracht van de zwakken om te zegevieren over het geweld van de machtigen.
Behalve dat die kreet een belijdenis was van het geloof in de Zoon van de levende God, was het ten diepste de strijdkreet om de waarden van het rijk te verdedigen dat Christus op aarde had gevestigd, opdat zij niet vernietigd zouden worden door de vijanden van de geliefde Mexicaanse natie. José en de andere Mexicaanse martelaren waren zich ervan bewust dat zij de dood onder ogen zagen door te getuigen van de waarden die daarbovenuit gingen.
Hun marteldood vormde een daad van solidariteit met de bevolking die werd gediscrimineerd, vernederd en gehoond door het machtsmisbruik en de macht van de sterkste. Zij stelden hun geloof en vrijheid boven iedere berekening en materieel, tastbaar en onmiddellijk belang.
Hun getuigenis heeft vandaag een grote actualiteit, in tijden dat in de maatschappij het zich gedragen als slachtoffer overheerst – en dat dringt ook door in de Kerk – om aan niemand verantwoording af te hoeven leggen van de eigen levenswijze en om beklaagd, verontschuldigd en gerechtvaardigd te worden, terwijl men de eigen verantwoordelijkheid afschuift op anderen.
De dood van José is geen toevallig incident geweest, maar de consequente en uiteindelijke daad die hem heeft doen binnengaan in de schare van hen die de eigen keuze hebben bekrachtigd, wat deze ook is geweest, met het offer van hun eigen leven.
Achille Romani
![]()
Bibliografie
-
-
- De akten van het proces over de marteldood van José bevinden zich bij de Congregatio de Causis Sanctorum, nr. 2133, Zamoren. Beatificationis seu Declarationis Martyrii Servi Dei Josephi Sánchez del Río Adulescentis Laici in odium fidei, uti fertur, interfecti (1913-1928), Positio super Martyrio, Tipografia Nova Res, Roma 2003. José is zaligverklaard op 20 november 2005 en heiligverklaard op 16 oktober 2016.
- F.G. Fernández, José Sánchez del Río. Il giovane martire che diede la vita per la fede, Dominus Production Edizioni, Firenze 2016.
- M.A. Iannaccone, Cristiada. L’epopea dei Cristeros in Messico, Lindau, Torino 2013.
- L.L. Cervantes, Un piccolo testimone di Cristo, San José Sánchez del Río, martire cristero, D’Ettoris Editori, Crotone 2017.
- O. Sanguinetti, José Sánchez del Río: martire della libertà religiosa, in “Cristianità” nr. 380 (2016) 35-64.
-
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
29/07/2023