In het evangelie liggen de diepe wortels van deze gelukkige uitdrukking van paus Franciscus

 

“De goede kwaliteit van de tarwe openbaart zich mettertijd” (Evangelii gaudium, 225).

Dit zijn de woorden van paus Franciscus als commentaar op de parabel van de tarwe en het onkruid (vgl. Mat. 13, 24-30). De vijand die onkruid zaait op het tarweveld, gelooft dat hij schade toebrengt aan de oogst door zoveel mogelijk ruimte in beslag te nemen, maar wordt overwonnen door de goede kwaliteit van de tarwe die zich mettertijd openbaart (vgl. Evangelii gaudium, 225).

Tijd gaat boven ruimte, zegt paus Franciscus.

Deze uitdrukking vinden wij hetzij in zij encyclieken (Lumen fidei, 57; Laudato si’, 178), hetzij in zijn apostolische exhortaties (Evangelii gaudium, 222; Amoris laetitia, 3 en 261; Christus vivit, 297). In de encycliek Fratelli tutti wordt de uitdrukking als zodanig nooit gebruikt, maar aan het idee dat zij bevat, wordt verschillende malen herinnerd. En zo in andere documenten: een teken dat deze uitdrukking van hem niet geïsoleerd en toevallig is.

Het idee is verbonden met de reflectie van de paus over de zin van de politiek en het maatschappelijk leven. Franciscus identificeert ruimte met de machtswil, het goed dat is verworven en beschermd moet worden, en tijd met de beperking die, hoewel zij de ambities van “alles en onmiddellijk” afremt, de mens ertoe drijft processen en een dynamiek in gang te zetten die het individu en de collectiviteit helpen om vorderingen te maken in het gedeelde algemene welzijn.

Volheid en beperking

De paus drukt zich als volgt uit:

“Er is een bipolaire spanning tussen volheid en beperking. Volheid wekt de wil op alles te bezitten en beperking is de muur die voor ons wordt opgeworpen. De ‘tijd’, in ruime zin verstaan, verwijst naar volheid als uitdrukking van de horizon die voor ons opengaat, en het ogenblik is een uitdrukking van de beperking die men ervaart in een omschreven ruimte. Burgers leven in een spanning tussen het tijdsgewricht van het ogenblik en het licht van de tijd, van de grotere horizon, van de utopie die ons openstelt voor de toekomst als uiteindelijke oorzaak die aantrekt. Hieruit komt een eerste principe voort om te vorderen in de opbouw van een volk: tijd gaat boven ruimte” (Evangelii gaudium, 222).

Voor de paus vraagt menselijke vooruitgang immers om een weg, een “proces”, dat intrinsiek een tijdelijk karakter heeft. De tijd overwint de rigiditeit van de ruimte, die afbakent en opsluit, en met zijn vloeibaarheid openstelt voor de nieuwheid, oplossingen doet vinden die groeien en zich met de mensen ontwikkelen, met hoop naar de toekomst kijkend.

Het gaat er dus om “meer te beginnen met processen dan met het bezitten van ruimte [...], de voorrang te geven aan activiteiten die een nieuwe dynamiek in de maatschappij voortbrengen en andere personen en groepen erbij betrekken die ze zullen voortzetten, opdat zij bij belangrijke historische gebeurtenissen vrucht dragen. Zonder angst, maar met duidelijke en vasthoudende overtuigingen” (Evangelii gaudium, 223).

Dit idee wordt ook toegepast op het terrein van de opvoeding:

“Als een ouder er bezeten van is te weten waar zijn kind is, en al zijn bewegingen te controleren, zal hij alleen maar trachten zijn ruimte te beheersen. Zo zal hij het niet opvoeden, niet sterken, niet erop voorbereiden de uitdagingen aan te gaan. Wat vooral van belang is, is bij het kind, met veel liefde, processen van de rijping van zijn vrijheid, van voorbereiding, integrale groei, ontwikkeling van een authentieke autonomie op gang te brengen” (Amoris laetitia, 261).

Dit criterium geldt ook voor de evangelisatie.

De spanning tussen reeds en nog niet

Op dit terrein is het noodzakelijk te verwijzen naar het Rijk Gods, een centraal thema van het onderricht van Jezus waarover de parabels spreken. Het Rijk Gods is gave en belofte. Het is een werkelijkheid die ons in Jezus gegeven wordt, maar die zich vervolgens ten volle moet verwezenlijken, wanneer de mens geheel zal worden veranderd in Christus. Het verwezenlijkt zich in de tijd, maar zal ten volle voltooid worden in de eeuwigheid.

Paus Franciscus zegt: “Evangeliseren is in de wereld het Rijk Gods tegenwoordig stellen” (Evangelii gaudium, 176).

Oscar Cullmann heeft in zijn werk Christus und die Zeit uit 1946 over dit thema gereflecteerd en heeft opnieuw de Paulijnse dialectiek van het reeds en het nog niet aan de orde gesteld. Het Rijk is reeds tegenwoordig, maar nog niet ten volle verwezenlijkt. De tijd helpt de verwachting te beleven als voorbereiding op wat de volheid van de ontmoeting zal zijn. Het reeds zou zonder het nog niet een vluchtige illusie zijn. Het reeds is de voorwaarde om op te gaan.

Voor Cullman is er geen breuk tussen het denken van de Kerk aan het begin en die van Jezus, maar een echte ontwikkeling. Dat het Rijk, zo verwacht door de eerste christengemeenschap, nog niet is gekomen, doet begrijpen dat het reeds verbonden is met het nog niet en het nog niet het heil niet heeft belemmerd, maar het heeft mogelijk gemaakt zich in de geschiedenis te verbreiden.

Volgens deze visie begrijpen wij hoe de weg van de christen en de geloofsgemeenschap juist gelegen is in deze spanning die van de tijd een historische weg maakt naar de volle openbaring en verwezenlijking van het reeds geschonken heil. Daarom blijft de christen op deze weg, ook al is hij reeds gered, smeken om de komst van het Rijk: “Uw rijk kome”.

Een rijk dat niet een ruimte is die moet worden ingenomen, maar de tegenwoordigheid van de Heer in iedere gelovige.

Bij de ontmoeting met de rijke jongeman in het evangelie (vgl. Mat. 19, 16-23) zijn er twee manieren om naar het Rijk te kijken. Die man, die het “het eeuwige leven” noemt, vraagt aan Jezus wat hij moet doen om “het te verwerven”. Dit vertaalt het typische idee van de rijke die denkt alles te kopen. Jezus heeft het echter over “het leven binnengaan” (v. 17), “het Rijk der hemelen binnengaan” (v. 23) en op deze wijze doet Hij het idee aan de hand van de gave en de weg die moet worden afgelegd, niet om zich er meester van te maken, maar om er ten volle van te genieten.

De rijke die zich de “heer van de tijd” waant, moet om de tegenwoordigheid van de Heer te proeven binnengaan in de “tijd van de Heer”.

Tijd gaat boven ruimte.

De pedagogie van Jezus

Er zijn zeer veel episodes in het evangelie die aan deze waarheid herinneren, maar misschien herinnert de ontmoeting van Jezus met de eerste leerlingen, die wordt verteld in het evangelie van Johannes (vgl. Joh. 1, 35-42) hieraan in het bijzonder.

De personages die deze verzen bezielen zijn: Johannes de Doper, twee van zijn leerlingen en Jezus.

Wijzend op Jezus als het Lam Gods, nodigt Johannes twee van zijn leerlingen uit om Hem te volgen. Wanneer Jezus ziet dat zij Hem volgen, draait Hij zich om en zegt tegen hen: “Wat verlangt gij?”. Dat zijn de eerste woorden die Jezus in het evangelie volgens Johannes uitspreekt.

Hij zegt niet tot de twee wat zij nauwkeurig moeten doen, maar Hij nodigt hen uit om een weg af te leggen.

Jezus is een meester die luistert, daarom stelt hij een vraag. Door een vraag te stellen brengt hij een dynamiek tot stand, brengt hij “processen” tot stand, zoals paus Franciscus zou zeggen, opdat de twee geleidelijk aan ontdekken wie degene is die zij willen volgen.

En op de vraag: “Meester, waar verblijft ge?”, nodigt Jezus hen uit om met Hem mee te gaan en een ervaring op te doen op grond waarvan zij het onderwerp van hun zoeken zullen kunnen beginnen te begrijpen.

Het evangelie: een zoeken dat leidt tot het geloof

Dat zoeken, zegt de schrijver van het vierde evangelie, vind je aan het einde van het evangelie. Zo kan hetgeen waarop de twee leerlingen werden gewezen, een uitnodiging voor ieder zijn tot aan het einde der tijden.

“Wie zoekt gij?”, wordt vervolgens herhaald op het ogenblik van de gevangenneming van Jezus: een teken dat het zoeken via het kruis moet gaan. Het kruis is echter niet de vervulling van de weg.

Die uitdrukking weerklinkt immers in een andere tuin op de dag van de verrijzenis van Jezus, wanneer Jezus aan Maria Magdalena, die dicht bij het graf schreit, vraagt: “Wie zoekt ge?” (Joh. 20, 15).

Het is nog niet afgelopen, omdat Magdalena Jezus zal herkennen, wanneer Hij haar bij haar naam zal noemen (vgl. Joh. 20, 16). En ook hier is er nog een weg te gaan; Maria Magdalena wijst ons hierop in het overgaan van “Meester” op “Heer” waarmee zij Jezus roept, wanneer zij de leerlingen de boodschap gaat brengen (vgl. Joh. 20, 18). Op dit punt bereikt het zoeken zijn doel.

Met haar kan iedere lezer in Jezus de Zoon van God herkennen. En van hieruit zal iedere leerling van Christus tot aan het einde der tijden Hem blijven zoeken die reeds gevonden is.

“De goede kwaliteit van de tarwe openbaart zich mettertijd”.

Sandro Puliani

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

16/10/2023