De hymne van Enzo Bianchi op het leven

 

Na in een vorig boek het thema van de ouderdom behandeld te hebben heeft Enzo Bianchi de overwegingen, opgeroepen in hem door het denken over de dood en over hetgeen men aan de andere kant van die drempel kan verwachten, gepubliceerd[1].

De tekst is rijk aan verwijzingen naar zijn persoonlijke ervaringen, ontmoetingen, de lectuur die inmiddels een deel van zijn innerlijke wereld is geworden. “Op deze aarde, die ik zo veel liefheb, heb ik altijd de eeuwigheid gezocht”. In deze woorden is het karakteristieke kenmerk van het boek gelegen: men bemerkt er tegelijkertijd de hartstocht van iemand die zich in het leven onderdompelt en de onbevredigdheid van iemand die naar meer streeft.

Het uitgangspunt van Bianchi is de uitnodiging om voor ogen te houden dat de dagen die men leeft, een grens hebben. Als alles goed gaat, zegt de psalm, halen wij de zeventig en tachtig is een krachttoer. Hieraan denken leidt ertoe van het leven te genieten, “zoveel mogelijk betrokken te zijn bij relaties, genegenheid, liefde en vriendschap”; ons er bewust van te zijn dat men de tijd die men als geschenk heeft gekregen, niet mag verspillen en vooral te trachten een taak ten einde te brengen na “een roeping waarvan wij niet konden afzien, te hebben verwezenlijkt”.

In dat perspectief is er geen ruimte voor een vlucht uit de wereld. Zijn verplichting aan Dietrich Bonhoeffer erkennend, stelt Bianchi:

“Wat wij beleven, is de wereld die God zo heeft liefgehad dat Hij haar zijn Zoon heeft gegeven, de plaats waar het Woord vlees, mensheid, is geworden. Men moet daarom niet afzien van het heden en alleen maar met een koortsachtig verwachten naar de toekomst kijken, maar de toekomst in het heden koesteren, voorbereiden. Deze tijd is de voorlaatste, de voorlaatste werkelijkheden zijn van ons en het komt ons toe daarin te wonen, ze te bewaken en te verlossen”.

Het drama niet verwijderen

De dood in overweging nemen betekent ook stil blijven staan bij heel het proces dat voorafgaat en samengaat met die fatale gebeurtenis, namelijk de daarmee verbonden angsten, obsessies, en nachtmerries: ouderdom, eventueel – soms ondraaglijk – lijden, aftakeling, dementie, het verlies aan autonomie...

Ook over deze smartelijke situaties houdt Bianchi ons zijn reflecties voor.

“De uiterlijke vernietiging is niet voldoende – zo verklaart hij –, opdat het leven niet meer waard is om geleefd te worden: er is in ons een innerlijk wezen dat kan groeien en het ware meesterwerk van leven kan worden, juist wanneer ons uiterlijk wezen, zo zichtbaar in het lichaam, vernietigd gaat worden”.

Er zijn echter weinigen die het laatste gedeelte sereen afleggen, en Bianchi constateert dat “wij in Italië helaas nog geen cultuur van het leed en op een gelijke wijze in heel het gebied de aanwezigheid van de palliatieve zorg hebben”.

Het is altijd moeilijk door te dringen tot het mysterie van het leed:

“Zeker, ieder menselijk leven dat tracht zich te verwezenlijken gaat gepaard met verdriet en lijden en heel het bestaan speelt zich af op het ritme van smartelijke scheidingen, moeizame veroveringen, het afzien van illusies, men lijdt zelfs uit liefde... maar in de ziekte en de dood zijn er grenzen die, wanneer zij overschreden zijn, leiden tot ontmenselijking”.

Ten overstaan van het leed

“moet” een christen “verzet stellen, een strijd ondernemen met alle middelen die door de medische wetenschappen ter beschikking worden gesteld, hij moet aan God geen lijden opdragen, omdat God het niet wil, maar erdoorheen gaan, alle krachten verzamelend om wie hem omgeven, te blijven liefhebben, en de liefde van wie hem liefheeft, te blijven ontvangen. Het lijden van een ander vraagt van mij een inzet met een hoge prijs”.

Deze overtuiging van hem komt voort uit het overwegen van de relatie van Jezus met het lijden en de dood:

“Het is veelbetekenend dat Jezus nooit gevraagd heeft zich neer te leggen bij lijden en ziekte, hij heeft nooit gevraagd het op te dragen aan God of het te aanvaarden als middel van boetedoening, maar Hij heeft getracht in wie leed, opnieuw vertrouwen, moed, verzet tegen het kwaad op te wekken”.

Hij zegt derhalve vol overtuiging:

“God vindt geen behagen in ons lijden, Hij verlangt niet dat wij het aan Hem opdragen; Hij kijkt veeleer met mededogen naar ons lijden, waarbij Hij met ons lijdt en naar ons zijn Geest zendt om ons te troosten, ons in staat te stellen te hopen en het leven lief te hebben, niet te verlangen naar de dood”.

In werkelijkheid leren veel heiligen – onder degenen die ons het meest nabij zijn, de heilige Johannes Paulus II – dat God het offer niet afwijst van wie intussen niets anders heeft om te geven dan het eigen lijden aan te bieden: het gevecht met het lijden sluit het beleven van eigen leed als vereniging met het lijden van Christus niet uit; en dat is geen dolorisme.

“Levend sterven”

Er bestaat zeker een ars moriendi (kunst van het sterven). Bianchi wijst op enkele min of meer onvermijdelijke en niet gemakkelijke te bestijgen treden. Op de eerste plaats vermeldt hij de botsing met het vonnis van de dodelijke ernst van een ziekte. De verrassing is zo onverdraaglijk dat de reactie vaak is: “Dat is onmogelijk!”. Dat is voor Bianchi heel menselijk en moet niet worden geïnterpreteerd als een gebrek aan geloof:

“Het is het uur waarin een gelovige bidt, om genezing smeekt, zelfs om de genade of het wonder vraagt, maar de duisternis blijft”.

Men neemt zijn toevlucht tot verdere onderzoeken, men raadpleegt andere artsen, omdat niemand het waar wil hebben dat het scheiden uit dit leven nabij is. En dit alles gebeurt in een stille angst, waarin men bijna nooit de moed heeft de waarheid te vertellen aan wie nabij is.

“Op deze eerste fase – zo gaat Bianchi verder – volgt een tweede met de vraag: ‘Waarom?’. Waarom ik? Er komen gevoelens naar boven van eenzaamheid, in de steek gelaten worden, maar soms ook woede, ongeduld en een hekel aan de aanwezigheid van de ander. Uit de diepten, uit de innerlijke hel komen onterechte schuldgevoelens naar boven, ingegeven door ontaarde verhalen over God: Wat heb ik gedaan?”.

In deze fase is het niet zelden dat een gelovige vraagt om een verlenging van zijn levensdagen om wat hij begonnen is, ten einde te brengen, om hetgeen waarop hij zozeer gehoopt heeft, verwezenlijkt te zien, om wie hem nog nodig heeft, te helpen.

Vervolgens komt de laatste fase, die van het afscheid:

“Zoals ik meermaals heb gezien, zal ook ik door spijt overvallen worden: dat is immers het uur dat gunstig is voor een anamnese van het eigen leven, van hetgeen men gedaan en hetgeen men niet gedaan heeft. En normaal zijn de gelegenheden voor spijt intenser en talrijker dan die waarop men trots kan zijn”.

Vergeven, trachten begrepen te worden en met genegenheid herinnerd worden, elkaar vaarwel zeggen en ten slotte instemmen met het vertrek, wanneer men aan het einde van het zoeken naar voltooiing is gekomen, dat is voor Bianchi levend sterven:

“Bereiken de bladeren misschien niet de aarde, wanneer ze vallen? En wij mensen vallen als de bladeren. Laten wij hopen ons feestelijk te kleden als de bladeren, met levendige kleuren, en dansen, dansen, terwijl men valt”.

Dit wordt duidelijk door het geloof ondersteund:

“Voor wie ook maar een greintje christelijk geloof heeft, staat Jezus Christus in de dood naast hem en wanneer wij de rivier van de dood zullen moeten oversteken, zal Hij ons in zijn armen nemen... Trouwens, als wij Hem naast ons hebben gevoeld, terwijl wij in leven waren, hoe zullen wij Hem dan niet nabij hebben in onze dood?”.

Hij herinnert eraan dat een monnik van de berg Athos hem zei dat hij er zeker van was dat, ook al zou hij in de hel vallen, hij er Jezus zou vinden om met open armen op hem te wachten om voor altijd bij hem te zijn, en dat was het christelijk geloof in zijn volheid.

Liefde en eeuwigheid

Bianchi gaat zo een drempel over. Wanneer een christen mediteert over het leven van Jezus van Nazareth, zegt hij tot zichzelf dat dat leven van Hem, besteed aan de dienst aan de ander, aan de liefde tot aan de uiterste daad van zelfgave, niet verloren kon gaan en Hij zich niet kon reduceren tot een eenvoudige herinnering, tot een inspirerend voorbeeld voor ons:

“Nee, deze liefde was eeuwig en wanneer die een duel met de dood heeft moeten aangaan en heeft gewonnen, heeft zij deze voor altijd vernietigd... En hier kan de verrijzenis van Jezus allen erbij betrekken en ten diepste raken! Zij brengt immers geen religieuze boodschap over, maar verkondigt aan de mensen, mannen en vrouwen, dat de liefde die zij gedurende hun leven hebben beleefd, eeuwig is en de dood zal overwinnen”.

Zal die vereniging, beleefd in een geschiedenis, misschien verbroken kunnen worden, alleen omdat de dood tussenbeide Cosa c e di la Shutterstock bekomt? Dostojewski antwoordde al dat, als de moderne mens niet meer gelooft in de verrijzenis, dat is, omdat hij het verleerd heeft lief te hebben en niet meer de eeuwige liefde kent. Ook de filosoof Gabriel Marcel heeft de band tussen liefde en dood als volgt tot uitdrukking gebracht: “Iemand liefhebben is tegen hem zeggen: ‘Jij zult niet sterven!’”.

Men kan derhalve de dood overwinnen en hem verhinderen het laatste woord te zijn, als men tot het uiterste liefheeft. Dit gebeurt zeker voor “wie zich bekommert om de slachtoffers van het leven en de geschiedenis. Is dit misschien niet het echte leven, reeds nu, reeds hier, een leven dat niet verloren kan gaan? Daarom staat er geschreven dat ‘wie zijn broeder bemint, overgaat van de dood naar het leven’”.

Het is derhalve de liefde die “in ons sterfelijk leven de eeuwigheid invoegt”.

Zo begrijpt men ten volle het citaat van de dichteres Wisława Szymborska, winnaar van de Nobelprijs 1996, waarmee het boek afsluit:

“Er is geen leven dat minstens een ogenblik de onsterfelijkheid niet heeft gekend”.

Michele Chiappo

 

 

___________________

[1] Vgl. E. Bianchi, Cosa c’è di là. Inno alla vita, Il Mulino, Bologna 2022.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

08/11/2023