De persoon, kruimel van de eucharistie
Wat dit betreft, zou men hetgeen Moeder Theresa leidde, definiëren als een theologie van het fragment. Zoals Christus, heel de Christus, aanwezig is in iedere kruimel van de geconsacreerde hostie (en de eucharistie – de dagelijkse mis en aanbidding – in het middelpunt staat van de spiritualiteit van Moeder Theresa), zo is de persoon die voor haar staat, de enige Christus. Zij heeft de concrete mens lief, niet de mensheid in het algemeen. Zij buigt zich per keer over een arme, die heel haar aandacht en genegenheid verdient, niet over de menigten armen. Zij is het niet eens met de noodzaak de dingen op grootse wijze te doen.
“Wat ons interesseert, is het individu. Om een persoon lief te kunnen hebben, moeten wij in nauw contact met hem komen. Als wij wachten tot zij talrijk worden, zullen wij verloren gaan tussen de talrijke en zullen wij nooit in staat kunnen zijn deze liefde en dit respect voor de persoon te tonen. Ik geloof in de relatie tussen persoon en persoon; voor mij is iedere persoon Christus, en daar er maar één Christus is, is deze persoon op dat ogenblik voor mij de enige persoon op de wereld”.
Dat is de overtuiging die schuilgaat achter een van haar meest beroemde uitspraken: “Het belangrijke is niet alles wat wij doen, maar hoeveel liefde wij leggen in wat wij doen”.
Juist daarom is haar poolster altijd het voor wie geweest. Een wijze Hindoe had de gelegenheid om tegen haar te zeggen dat de Hindoes voor iets werken, terwijl zij en haar zusters voor iemand werkten. Zij herhaalde van haar kant dat zij een lepralijder voor geen enkele som geld zou aanraken, maar hem graag verzorgde uit liefde voor God.
Moeder Theresa zelf verduidelijkte dit idee:
“Wij zijn hier niet voor het werk, maar voor Jezus en alles wat wij doen, doen wij voor Hem. Wij zijn vóór alles religieuzen, geen maatschappelijke werkers, leraren, verpleegsters of dokters; wij zijn zusters, religieuzen die Jezus dienen in de armen. Wij verzorgen Hem, geven Hem te eten, kleden Hem, bezoeken en troosten Hem in de armen, in degenen die in de steek worden gelaten, in de zieken, in de wezen en de stervenden. Jezus is hier. Hij is het die ons de kracht geeft om dit leven voort te zetten en dat te doen met vreugde. Zonder Hem zouden wij niet kunnen doen wat wij doen, of dit in ieder geval ons hele leven blijven doen. Zonder Jezus zou ons leven absurd en onbegrijpelijk zijn. Alleen Hij verklaart dit”.
En de Jezus van Moeder Theresa is vooral de Jezus aan het kruis die tegen haar zegt: “Ik heb dorst”. Dat is de uitdrukking die in het oog valt achter het altaar van alle kapellen van de huizen van de congregatie. Niet de Jezus die broden vermenigvuldigt of wonderen verricht, maar een behoeftige, machteloze Jezus. Met haar zijn wij bij de tegenpolen van een
theologie van de welvaart of van een Jezus die wordt opgevat als een soort wellness dat je helpt je goed te voelen.
“Jezus – zo zei Moeder Theresa – wordt brood van leven om onze honger naar Hem te bevredigen, om onze liefde voor Hem te bevredigen. Ook dat is voor Hem niet voldoende, daarom maakt Hij van zichzelf een hongerige, zodat wij zijn honger naar onze liefde kunnen bevredigen”.
Ook de arme kan liefde geven
En zij ziet deze honger naar liefde ook in de arme, omdat zij weet dat niemand leeft van brood alleen. Waar de armen het meest behoefte aan hebben, is dat zij gewenst zijn, omdat voor hen de toestand van mensen die worden verbannen, het meest hartverscheurende is. Daarom gaf zij er de voorkeur aan dat de vrijwilligers die in haar huizen hielpen, meer dan materiële hulp, ook een gedeelte van hun eigen tijd aan de armen gaven.
De arme is het niet alleen waard bemind te worden (iets dat het merendeel van de tijdgenoten negeert of vergeet), maar hij is ook in staat lief te hebben. Voor Moeder Teresa hebben velen een paternalistische houding ten opzichte van de armen, zij beschouwen zich superieur aan hen, zij beschouwen hen als niet in staat om te geven en negeren daarbij de grootheid waarvan zij vaak te midden van tegenspoed blijk hebben gegeven.
Heel veelbetekenend is in dezen een episode die zij vaak heeft verteld, ook in de toespraak bij het aanvaarden van de Nobelprijs:
“Ik heb een buitengewone ervaring gehad met een Hindoe-familie die acht kinderen had. Een heer kwam naar ons huis en zei: ‘Moeder Theresa, er is een familie met acht kinderen, zij hebben al zo lang niet meer te eten, doe iets’. Toen nam ik wat rijst en ging daar onmiddellijk heen. En ik zag kinderen met ogen die glinsterden van de honger. Hun moeder nam de rijst, verdeelde die en ging naar buiten. Toen zij terugkwam, vroeg ik haar: ‘Waar ben je heen geweest, wat heb je gedaan?’. En zij gaf een heel eenvoudig antwoord: ‘Er zijn
anderen die honger hebben’. Mij trof het zeer dat zij wist wie haar buren waren, een moslim-familie, en dat zij wist dat zij honger hadden”.
Die nacht verliet Moeder Theresa – en hierin wordt men haar grootheid gewaar – die vrouw met de zoete emotie dat zij het weinige waaraan zij behoefte had, gedeeld had, en pas de volgende morgen keerde zij terug met nog andere porties rijst.
Een dergelijke ervaring was die welke zij had met een bedelaar die op een nacht, toen zij net was teruggekeerd van de ceremonie van Stockholm, bij het huis van Calcutta aanbelde, tegen haar zei dat hij had gehoord dat haar een heel belangrijke prijs was toegekend, en hij overhandigde haar de weinige munten die hij overdag had verzameld: “Moeder, ik heb gehoord dat ze u een prijs hebben gegeven: ook ik wil u iets geven”. En zij liet gedurende enkele dagen op haar tafel niet de oorkonde van de Nobelprijs, maar die weinige munten in het zicht liggen.
Voor allen gaat het erom niet van de overvloed, maar van het nodige te geven:
“Enige tijd geleden hadden wij in Calcutta – zo vertelde zij – grote problemen om suiker te vinden en ik weet niet hoe de kinderen dat kwamen te weten, en een Hindoe-kindje van vier jaar ging naar huis en zei tegen zijn ouders: ‘Ik eet drie dagen geen suiker meer en geef mijn suiker aan Moeder Theresa voor haar kinderen’. Drie dagen later brachten de ouders het naar ons huis. Ik had het nooit eerder gezien en die kleine kon amper mijn naam uitspreken, maar wist precies wat het was komen doen”.
Het gebed van Moeder Theresa
Er is in haar geen enkele idealisering van de armen en de armoede. De arme Jezus gaat verborgen achter de weinig aantrekkelijke kleren van de ondankbare, de prikkelbare, de veeleisende, de onverdraaglijke. Daarom was haar dagelijks gebed Hem te zien in de persoon van iedere lijdende en erin te slagen ondanks alles te zeggen: “Mijn Jezus, hoe zoet is het U te dienen”.
Terwijl zij in het gebed God zoekt, vindt zij Hem in de contemplatie en daarbij herkent zij Jezus die evenzeer verborgen is onder het uiterlijk van het brood als onder de lijdende aanblik van de arme. In haar vorm van contemplatie, die als object de armsten onder de armen heeft, ziet zij dat armoede op geen enkele wijze invloed heeft op de wezenlijke waardigheid, de bestemming en de waarde van het menselijk wezen.
Voor haar moeten de christenen nu juist midden in de wereld
“contemplatief zijn; want zo zijn wij in zijn tegenwoordigheid gedurende vierentwintig uur: in de hongerige, de naakte, de dakloze, de ongewenste, de niet beminde, de verwaarloosde... wanneer wij dat voor hem doen, beminnen wij hem en door hem te beminnen worden wij altijd meer één met hem: en dat leven van Christus in ons is heiligheid”.
In dit licht begrijpt men het verschil tussen maatschappelijk werk en het werk dat door Moeder Theresa wordt verricht:
“Jezus heeft ons verlost door één met ons te worden. Zo willen ook wij één zijn met Hem door deel te hebben aan zijn leed en lijden, door heel de verlatenheid, zowel de materiële als de geestelijke ellende van de armen te verlossen. Wij kunnen hen alleen verlossen door één met hen te zijn, door God in hun leven en hen naar Hem te brengen”.
Dit christocentrisme, waarvan zij zich nooit verwijdert, verklaart ook haar afkeer ten overstaan van de even ambitieuze als tot niets leidende verhalen en bijeenkomsten die in het beste geval niet alleen tijdverlies zijn:
“Ik heb aan een vergadering van de generaal oversten in Europa deelgenomen. Zij hebben het gehad over de verandering van de structuren van de maatschappij, het anders organiseren van de dingen, maar men heeft er niets mee gedaan; er is niets uit al die woorden gekomen ten gunste van de armen of de prediking van Christus aan niet-religieuze personen en allen die God niet kennen. Ik was heel blij, toen het voorbij was. Zij hadden erop aangedrongen dat ik kwam, maar ik voelde mij als een vis buiten het water”.
De oproep tot verantwoordelijkheid
De Jezus van Moeder Theresa, dorstig, hongerig, gewond en machteloos, stelt meer een vraag dan dat Hij een antwoord geeft. Hij roept op tot verantwoordelijkheid.
Misschien is ook hierin een deel van het geheim gelegen van de ongelofelijke geestelijke vruchtbaarheid van Moeder Theresa die zich manifesteert in de duizenden jonge vrouwen die haar hebben gevolgd door in te treden bij de door haar gestichte congregatie, de Missionarissen van de Naastenliefde, die bij haar dood 3.842 zusters in 594, over 120 landen verdeelde, huizen telde.
Het kan in feite verbazen dat een zo buitengewone vrouw, toen ze haar vroegen wat naar haar mening het belangrijkste van de door haar verrichte werken was, verklaarde: “Voor mij is het belangrijkste werk de vorming van de zusters”.
Ook dit getuigt ervan hoe de figuur van Moeder Theresa en haar geestelijke erfenis verre van quietistisch of deresponsabiliserend zijn. Zoals Jezus een appel heeft gericht tot haar, heeft zij dit gericht tot zeer velen en wie haar leven herleest, denkt opnieuw aan deze woorden van het evangelie: “Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb” (Joh. 13, 15).
Belangrijkste bronnen
- Dhavamony M., Madre Teresa. Alle sorgenti della sua spiritualità. Una prospettiva teologica, Messaggero di sant’Antonio - Editrice, Padova 1999.
- Farina R., Madre Teresa. La notte della fede, Piemme, Milano 2009.
- Gaeta S., Madre Teresa. Il segreto della santità, San Paolo, Cinisello Balsamo (MI) 2016.
- González-Balado J.L., Beata Teresa de Calcuta, San Pablo, Madrid 2003.
- Gorrée G. - Barbier J., Madre Teresa di Calcutta, Città Nuova Editrice, Roma 1973.
- Le Joly E., Madre Teresa e le Missionarie della Carità. Lo facciamo per Gesù, San Paolo, Cinisello Balsamo (MI) 1987.
