Hartstocht voor de mens van de Kerk van Algerije

 

Op 21 mei 1996 hebben de zeven trappisten van het klooster Notre-Dame de l’Atlas in Algerije met hun bloed een bladzijde geschreven van martelaarschap en verrijzenis. Met hun geloof en hun liefde, trouw tot de dood toe, met hun gitaren en poëzie hebben zij ons ook geleerd hoe het evangelie doordringt in de uitdrukkingen van de mensen van de tijd en ieder woord van de mens zuivert, verandert en tot vervulling brengt. Een boodschap die ook voor onze tijd geldt.

Hier volgt een bezinning die kort na hun dood werd geschreven.

 

separador z 

 

De lijdensweg van onschuldig bloed die zich in Algerije voltrekt, gaat door. Men staat machteloos bij het groeien van het islamitisch fundamentalisme.

Kardinaal Duval, die de grootste hoofdrolspeler is geweest in de Kerk van Algerije van de laatste eeuw, verklaarde al in 1992 in het Franse dagblad “Le Monde”: “In 1961 en 1962 zat er achter het geweld de grote hoop van de onafhankelijkheid. Vandaag zit er achter het geweld geen enkele hoop, alleen maar een grote leegte”. De leegte van dit geweld heeft blijkbaar een hoogtepunt gevonden (en hoeveel andere zullen er nog zijn?) in het tragische einde van de zeven trappisten die op 27 maart 1996 zijn ontvoerd en op 30 mei met doorgesneden keel zijn gevonden[1].

Hun dood is geen toeval geweest, het is zeker geen banaal, voorbijgaand incident geweest.

Op een dood als getuigenis heeft de gemeenschap Notre-Dame de l’Atlas zich langzaam voorbereid.

In een aan de hele orde gerichte brief gaat de algemeen abt van de hervormde cisterciënzers, dom Bernardo Olivera, opnieuw de weg van de langzame voorbereiding op de dood van de broeders in Algerije[2].

Dom Olivera onderstreept vanaf het begin dat binnen de benedictijnse-cisterciënzer traditie “de keuze van de broeders van de Atlas niet uniek, noch exclusief is... Een gelofte van stabiliteit heeft ons aan de gemeenschap en de plaats gebonden waar deze zich bevindt, tot de dood”[3].

Vanaf kerstnacht 1993, wanneer een commando van de GIA (Gewapende Islamitische Groep) het klooster binnengevalt, wordt een mogelijke gewelddadige dood door de monniken van Notre-Dame de l’Atlas in overweging genomen. Zij bereiden zich samen met de aartsbisschop en de apostolisch nuntius, op deze eventualiteit voor.

De gewelddadige dood door de hand van het islamitisch fundamentalistische terrorisme is het hoogtepunt van de verschillende stadia waarlangs men tot dit inzicht is gekomen.

In zijn brief, als testament geschreven tussen 1 december 1993 en 1 januari 1994, drukt dom Christian-Marie de Chergé, abt van het klooster, zich zo uit:

“Als het mij op een dag zou overkomen (en dit zou ook vandaag kunnen zijn) slachtoffer te zijn van het terrorisme dat nu alle vreemdelingen die in Algerije leven, erbij lijkt te betrekken, dan heb ik graag dat mijn gemeenschap, mijn Kerk, mijn familie zich herinneren dat mijn leven werd gegeven aan God en aan dat land”[4].

In een andere brief van hem, die geschreven is na de moord op twee vrouwelijke religieuzen in september 1995, is dom Christian-Marie zich bewust van een mogelijke gewelddadige dood die alle religieuzen in Algerije bedreigt:

“Tijdens de viering heerste er een wonderlijk klimaat van sereniteit en offer. Zij verenigde een heel kleine kerkgemeenschap, waarvan de leden zich bewust waren dat hun aanwezigheid logischerwijs het vooruitlopen op een eventuele gewelddadige dood moest insluiten”[5].

Op dezelfde golflengte zit het getuigenis van Mgr. Pierre Claverie, bisschop van Oran, die enkele maanden later het slachtoffer zal worden van een dynamietaanslag.

Zijn verklaring is verhelderend, aangezien zij tegelijkertijd theologisch-mystieke en historisch-politieke redenen geeft van het martelaarschap van de Kerk in Algerije:

“De Kerk vervult haar roeping en haar zending, wanneer zij aanwezig is bij de breuken die de mensheid kruisigen in haar vlees en haar eenheid. Jezus is gestorven, verscheurd tussen hemel en arde, met uitgespreide armen om de kinderen van God bijeen te brengen die verloren zijn gegaan door de zonde die hen scheidt, hen afzondert en tegen elkaar en tegen God opzet. Hij heeft zich geplaatst op de breuklijnen die uit deze zonde zijn voortgekomen. In Algerije bevinden wij ons op een van deze breuklijnen die over de wereld lopen: islam-westen, noord-zuid, arm-rijk. En wij zijn hier juist op onze plaats, daar men op deze plaats een glimp van het licht van de verrijzenis kan zien”[6].

Wat ons in het martelarenboek van de Kerk van Algerije treft en boeit, is deze trouw, dit aanschouwen van een God die te midden van de geschiedenis slaapt.

De onzekerheid van het heden beleven

Het is indrukwekkend hieraan parallel de Péguy van Het mysterie van de onschuldige heiligen en vooral de Péguy van Eva opnieuw te lezen. Dat is belangrijk, omdat het overbekend is dat Péguy soms zware en onterechte antimonastieke gevoelens heeft gekoesterd. Voor Péguy “is onze Heer Jezus Christus niet in het klooster geweest. Hij heeft niet in een klooster geleefd”[7]. Wij vinden poëtisch beschreven hoe de mens zich tevergeefs inspant om elders, in zichzelf, in eigen bezigheden en in de vooruitgang van zijn kennis de motieven te vinden die in staat zijn om zijn angst tot bedaren te brengen. Hij zal ze daarentegen heel eenvoudig vinden in de overgave en in de liefde, in de hoop die is gebaseerd op de menswording. God heeft tijd nodig en om zijn paradijs te verwezenlijken moet hij deze materialen aanvaarden die de aarde Hem biedt door middel van zijn heiligen en de Kerk. De menswording is als het ware een convergentiepunt in de geschiedenis, een geometrische plaats van de twee eeuwigheden, gezang van leven en dood, echo van de weeklachten van de mensheid, maar ook van haar verrijzenishymnen. Aan de wet van de menswording kan men niet ontkomen: de christelijke werkelijkheid wordt geschreven in het tijdelijke en voedt zich met het materiële. Het heil loopt via de historische inzet en het is niet langer meer geoorloofd de beschouwing van het handelen, het lichaam van de ziel, de dood van de verrijzenis te scheiden[8].

De menswording beleven is voor Péguy het heden beleven, niet zijn heil zoeken in het verleden, niet vluchten in de toekomst. Daarom wil het beleven van het heden zeggen onzekerheid en gevaar beleven.

Hieruit komt de hele polemiek voort van Péguy tegen de moderne wereld, die wordt gezien als een campagne tegen het avontuur en de onzekerheid, als een wereld van het geld en dus als een wereld van een verzekering op het leven.

De moderne wereld is voor Péguy in haar geheel een wereld die alleen maar aan haar oude dagen denkt. Zij is een geweldig tehuis voor ouden van dagen. Een instituut voor gepensioneerden. Als wij in de economie, de politiek, het recht, evenals in de ethiek, de psychologie, de metafysica niet beter uitkijken, zullen wij deze verschrikkelijke behoefte aan vrede uiteindelijk reduceren tot een principe van slavernij. Vrijheid moet altijd haar prijs betalen. Het geld is altijd de baas. De glorieuze insecuritas (onveiligheid) van het heden wordt altijd opgeofferd aan de securitas (veiligheid) van het ogenblik dat erna komt. En dit is voor Péguy de ware psychologie van het moderne idee van vooruitgang: de mens zou graag willen leven vooruitlopend op de toekomst, opdat zijn heden zijn verleden kan zijn[9].

De antimonastieke houding van Péguy komt voort uit dit verondersteld verbreken van het evenwicht tussen het geestelijke en het lichamelijke/tijdelijke, dat hij het kloosterleven verwijt. Tegenover dit leven stelt hij het lichamelijk bovennatuurlijke, de eeuwigheid te midden van de tijd, de tijd die zelf tijdloos is. De boom van de genade en de boom van de natuur hebben zo gebroederlijk de wortels verstrengeld die één wezen en één statuur zijn. Hetzelfde bloed stroomt door de aderen van beide, dezelfde eer stroomt door de smarten van beide. De genade en de natuur zijn zo broederlijk met elkaar verstrengeld in dezelfde beenderen dat beide een ziel hebben en beide een lichaam hebben, beide op dezelfde oceaan zeilen, de wieg van beide naar dezelfde afgrond van het niets sleept. Geen van beide zinkt zonder dat de ander zinkt, en geen van beide overleeft, zonder dat de ander samen overleeft[10].

Het eeuwige en de tijd

Als Péguy de trappisten van Notre-Dame de l’Atlas zou hebben gekend, zou hij dan zo kritisch zijn gebleven ten opzichte van de monastieke ervaring? Immers, hetgeen treft in de zeven monniken die men de keel had doorgesneden in Algerije, is nu juist, om nog maar eens de terminologie van Péguy te gebruiken, dat zij niet helemaal en exclusief seculier, noch helemaal en exclusief regulier zijn[11].

Dit volledig binnen en buiten zijn, vrij zijn van en zich houden aan de wereld en de regel.

Deze seculiere en poëtische vrijheid vinden wij terug in de jongste en de oudste monnik van de “geslachte lammeren”[12].

Christophe Lebreton, de jongste, was toevallig naar het klooster gekomen. Hij was in Algiers in burgerdienst geweest en droeg bij zich heel het grens overschrijdende en edelmoedige verlangen van ‘68: lange haren, zwarte leren jas, gitaar en poëzie.

De oudste monnik was Luc Dochier. Als arts had hij gezorgd voor de Algerijnen gedurende de onafhankelijkheidsoorlog en hij was vervolgens in dat land gebleven. Zwijgzaam en dienstbaar werd hij nog steeds gewaardeerd om de zorgen die hij in het kleine ziekenverblijf van het klooster verleende. Gedurende het laatste kerstfeest had hij zijn medebroeders vrolijk uitgenodigd om naar de muziekcassette te luisteren die hij voor zijn begrafenis dacht te vragen. Tot grote verrassing had daaruit de kristalheldere stem van Edith Piaf in het bekende lied “Non, rien de rien, je ne regrette rien” geklonken[13].

Edith Piaf, op straat geboren en opgegroeid, is één van de grootste en meest geliefde vertolkers van het Franse chanson geweest. Over haar heeft men geschreven dat “dit tengere en uitgemergelde wezen met de charme van haar stem, die diep uit haar binnenste komt, alle ellende van de wereld lijkt te omvatten en tegelijkertijd te sublimeren”[14].

Met het chanson Non, je ne regrette rien* (“Nee, ik heb nergens spijt van”) drukte de oude monnik van Notre-Dame de l’Atlas een definitief stempel op zijn leven door symbolisch de hartstocht voor het eeuwige en de hartstocht voor zijn eeuw met elkaar te verbinden. Met zijn blik strak gericht op het huidige uur, kan hij zich niet de weelde veroorloven ergens spijt van te hebben:

“Nee, nee, nergens heb ik spijt van,
noch van het goede dat men mij heeft gedaan,
noch van het kwade, alles is mij om het even.
Het is betaald, weggevaagd, vergeten,
ik heb lak aan het verleden”[15].

Met dit chanson is Notre-Dame de l’Atlas zeker geen wereld die alleen denkt aan haar oude dagen. Geen immens tehuis voor ouden van dagen. Geen instituut voor gepensioneerden.

“Daar mijn leven, daar mijn vreugde, vandaag alles met jou begint”.

Een Hooglied aan het begin van het derde millennium, een lichamelijke liefde in de cabarets van Parijs bezongen, wordt eeuwige uitdrukking van een huwelijkse liefde die aan de Bruidegom van het heden bindt. De Bruidegom van het heden, die in zijn vlees de hartstocht van zijn tijd draagt. Men heeft geen behoefte meer aan de droefheid en de genoegens van het verleden, evenmin als aan het ontstoken vuur van de herinneringen. In het “hodie Christus natus est”, in het heden van Christus die wordt geboren, vertrekt men opnieuw vanaf nul.

Men vertrekt opnieuw vanaf nul. Het avontuur en de onzekerheid tegemoet, zonder enige verzekering op het leven. Men vertrekt weer vanaf nul, daar het leven en de vreugde beginnen, wanneer men een Jij ontmoet.

Deze ontmoeting leidt tot de dood. De oude trappist weet dat. Maar het is voor hem van geen enkel belang, hij heeft nergens spijt van.

En hij sterft. Zoals de jongste sterft. Met zijn gitaar en zijn poëzie.

En wanneer de dichter sterft*, huilen al zijn vrienden.

Wanneer de dichter sterft, huilt de hele wereld. Men begraaft zijn ster in een groot graanveld. En daarom vindt men in dit grote graanveld korenbloemen...[16].

In Algerije hebben op de breuklijnen die over de hele wereld lopen, de trappisten van Notre-Dame de l’Atlas met hun bloed een bladzijde geschreven van martelaarschap en verrijzenis. Met hun geloof en hun liefde, trouw tot de dood toe, met hun gitaren en poëzie hebben zij ons ook geleerd hoe het evangelie doordringt in de uitdrukkingen van de mensen van de tijd en ieder woord van de mens zuivert, verandert en tot vervulling brengt.

Het grote graanveld waarin de ster van de dichter is begraven, zal eens zeker goudgeel zijn en te zijner tijd de gehoopte oogst geven.

Ja, in geloof en liefde hebben de zeven trappisten van Algerije nu juist gelijk... Er is nu werkelijk niets waarvan men spijt hoeft te hebben.

Emilio Grasso

 

* Non je ne regrette rien

Non! Rien de rien... Non! Je ne regrette rien...

Ni le bien, qu’on m’a fait / Ni le mal, tout ça m’est bien égal!

Non! Rien de rien... Non! Je ne regrette rien...

C’est payé, balayé, oublié / Je me fous du passé.

Avec mes souvenirs / J’ai allumé le feu

Mes chagrins, mes plaisirs / Je n’ai plus besoin d’eux!

Balayés les amours / Avec leurs trémolos

Balayés pour toujours / Je repars à zéro...

Non! Rien de rien... Non! Je ne regrette rien...

Ni le bien, qu’on m’a fait / Ni le mal, tout ça m’est bien égal!

Non! Rien de rien... Non! Je ne regrette rien...

Car ma vie, car mes joies, / Aujourd’hui ça commence avec toi! 

 

* Quand il est mort le poète

Quand il est mort le poète / quand il est mort le poète tous ses amis /

tous ses amis / tous ses amis pleuraient.

Quand il est mort le poète / quand il est mort le poète le monde entier /

le monde entier / le monde entier pleurait.

On enterra son étoile / on enterra son étoile dans un grand champ /

dans un grand champ / dans un grand champ de blé.

Et c’est pour ça que l’on trouve / Et c’est pour ça que l’on trouve dans ce grand champ /

dans ce grand champ / dans ce grand champ des bleuets.

 

___________________

[1] Vgl. L. Prezzi, Uccisi i sette monaci. Algeria: la sura e la grazia, in “Il Regno-attualità” 41 (1996) 361; vgl. M. Duteil, Les martyrs de Tibhirine, Brépols, Paris 1996.

[2] Vgl. B. Olivera, In Algeria fino alla morte, in “Il Regno-documenti” 41 (1996) 427-430.

[3] Vgl. B. Olivera, In Algeria..., 427.

[4] Vgl. B. Olivera, In Algeria..., 429.

[5] B. Olivera, In Algeria..., 428.

[6] L’assassinat de Mgr Pierre Claverie, o.p., évêque d’Oran, in “La Documentation Catholique” 93 (1996) 783.

[7] Vgl. F. Castelli, Volti di Gesù nella letteratura moderna, III, San Paolo, Cinisello Balsamo (MI) 1995, 234.

[8] Vgl. Castelli, Volti di Gesù..., 243-244.

[9] Vgl. H. U. von Balthasar, Gloria. Una estetica teologica, III. Stili laicali, Jaca Book, Milano 1976, 442-443.

[10] Vgl. H. U. von Balthasar, Gloria..., 448.

[11] Vgl. H. U. von Balthasar, Gloria..., 393.

[12] Vgl. Apok. 5, 12.

[13] Vgl. L. Prezzi, Uccisi i sette monaci..., 362.

[14] Vgl. Piaf Edith, in Encyclopaedia Universalis, Thesaurus-index, Paris 1990, 2711-2712.

[15] Edith Piaf, Non, je ne regrette rien.

[16] Dit is één van de bekendste chansons van Gilbert Bécaud, Quand il est mort le poète.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

21/05/2020