Impulsen voor een nieuwe evangelisatie in de geschriften van Mgr. Paul Schruers

 

Het pastoraal deïsme

Mgr. Schruers geeft heel duidelijk voorrang aan het persoonlijke geloof, aan de betekenis van God in het leven van de gelovige.

Hij ziet in deze tijd het gevaar van wat hij "pastoraal deïsme" noemt[1].

Filosofisch gezien reduceert het deïsme de functie van God tot de eerste beweging waaruit het bestaan van de wereld voortkomt. Volgens de klassieke vergelijking met de horlogemaker heeft God in het begin eens en voor altijd het horloge van de wereld opgewonden, zodat de universele geschiedenis verloopt zonder zijn ingrijpen. De schepping heeft God niet nodig om zich te handhaven en het handelen van de schepselen wordt niet door Hem beïnvloed[2].

Voor het probleem, hoe men goddelijk ingrijpen en menselijke vrijheid met elkaar kan verzoenen, een probleem dat door de dominicaanse theoloog Domingo Báñez en de jezuïet Luis de Molina grondig bestudeerd is, heeft men geen enkele bevredigende oplossing gevonden. Het lijkt zich te onttrekken aan een definitief begrip van de mens.

Het wordt echter niet opgelost door een van beide elementen van de kwestie uit te schakelen. Ook al worden beide theoretisch bevestigd, dan nog komt het deïsme voortdurend opnieuw naar voren in de pastorale keuzes, waarbij het ingrijpen van God verwijderd en gereduceerd wordt tot een niveau zonder enige invloed[3].

Pastoraal deïsme zou in deze zin niets anders zijn dan een van die crypto-ketterijen waar Karl Rahner bij stil bleef staan. Met deze uitdrukking verwijst men naar vrij vage, onduidelijke en zweverige standpunten, naar hypotheses die nadere begripsmatige definities vermijden. Het gaat om een neiging om zich tevreden te stellen met het discussiëren over problematieken, zonder theoretische en existentiële aandacht te hebben voor geloofswaarheden die daartegenin gaan[4].

De vernieuwing van de pastoraal begint daarentegen in ons eigen hart, zij begint bij een van nu af aan volledig beleven van het evangelie van de broederliefde.

De basis van ons pastoraal vertrouwen is het woord van Jezus, het samen zijn met Hem.

Daarom moeten eenvoudige sleutelbegrippen worden gebruikt en moet men niet aandringen door koste wat het kost met gekunstelde pastorale programma’s deuren te willen openen.

Hieruit komt een zekere vermoeidheid en wantrouwen voort met betrekking tot een pastoraal die uitgaat van structurele hervormingen.

Een nieuw historisch paradigma

Ook al geeft Mgr. Schruers geen diepgaande analyse van de sociaal-culturele context waarin wijDe radicaliteit van de liefd 2 2 leven, hij neemt wel de verandering waar van het historisch tijdperk dat de Kerk meemaakt.

Zoals bekend, is het begrip paradigma in het wetenschappelijk debat door Thomas Kuhn ingebracht. Volgens Kuhn ontwikkelt de wetenschap zich niet lineair door een opeenhoping van gegevens, maar veeleer door breuken en revoluties. Wetenschappelijke revoluties zijn episodes van een niet cumulatieve ontwikkeling, waarin het oude paradigma volledig of gedeeltelijk wordt vervangen door een nieuw paradigma, dat incompatibel blijkt met het vorige.

Volgens Hans Küng maakt het begrip paradigma, verstaan als interpretatief model of model om te begrijpen, een nieuwe lectuur van de geschiedenis van de theologie mogelijk. Men moet echter letten op een fundamenteel verschil:

"In de christelijke theologie kan een drastische, paradigmatische ommekeer altijd en alleen plaatshebben op grond van het evangelie en in wezen door het evangelie, maar nooit tegen het evangelie"[5].

Voor Mgr. Schruers bestaat een paradigmatische overgang in een overgang van een pastoraal van een bestaand christendom naar een pastoraal van initiatie, een terugkeer naar de eerste verkondiging die een geloof voortbrengt dat in de supermarkt van het leven beleefd wordt.

Soms wordt deze verkondiging als vanzelfsprekend beschouwd, ook al heeft men deze in het verleden overgeslagen.

Men beweegt zich binnen een pastoraal die in wezen gebaseerd is op het doen en die uiteindelijk een pathologie van de vermoeidheid voortbrengt.

Naar aanleiding hiervan vraagt de bisschop van Hasselt zich af, of "er misschien in de Kerk niet veel vergaderingen en projecten zijn, waarin eigenlijk abstractie gemaakt wordt van de werking van de heilige Geest".

Op de laatste synode voor Europa constateerde hij een gebrek aan goed uitgewerkte teksten voor de toekomst van de Kerk in de wereld.

Mgr. Schruers brengt meermaals een gevoel van armoede en onmacht tot uitdrukking ten opzichte van deafwezigheid van een werkelijk waardevolle en Bijbels gefundeerde pastoraal.

Hier is naar mijn mening, de rijkste intuïtie voor een Bijbels gefundeerd pastoraal project dat de cultuur onder ogen ziet van de postmoderne maatschappij waarin het geroepen is werkzaam te zijn.

Het postmodernisme wordt, wanneer men het analyseert binnen de filosofisch-psychisch-sociale cultuur van onze tijd, gekenmerkt als een tijd van het "zwakke denken", van een gefragmenteerd individu dat zich nergens definitief aan bindt, van het einde van grote utopieën, van de grote gevechten, de grote verhalen, de grote helden, de grote idealen, de grote gevaren, de grote avonturen.

Alles is light, gekenmerkt door de "ondraaglijke lichtheid van het bestaan", door een narcistisch ziektebeeld, waarin de mens in een wereld wegzinkt die willens en wetens gereduceerd wordt tot de sfeer van het privéleven[6].

De bisschop van Hasselt erkent eerlijk zich ten opzichte van deze wereld te voelen als de trainer van een voetbalploeg die de talenten en het verlangen in zijn jongens ziet, maar hun geen enkel speelterrein en geen enkele ploeg kan aanwijzen. Hij ziet dat zij individueel voortgaan met een balletje trappen tegen het muurtje op de binnenplaats van het huis.

Uit deze constatering van een gebrek aan voorstellen ontstaan een diepe openheid voor de werking van de Geest en de uitnodiging tot creativiteit.

Hierin is, naar het mij toeschijnt, de grootheid van de aanwijzing gelegen. De zekerheid van enkele fundamentele en onmisbare wezenlijke waarheden, gepaard gaande met de vrijheid ten opzichte van de historische vormen die deze waarheden in de tijd aannemen.

"Het is belangrijk", zo schrijft Mgr. Schruers, "dat vooral jonge christenen om in het evangelie te groeien een terrein en een ploeg vinden, een gemeenschap waar samen nieuw leven kan geproefd worden. Daarvoor zijn er vele vormen denkbaar".

Voor een creatieve trouw

In wezen gaat het om het probleem van de inculturatie van het geloof.

Op een antropologische juiste wijze, die vrij is van overbodige toevoegingen, door altijd de persoonlijke relatie in het middelpunt van zijn reflectie te plaatsen, herinnert Mgr. Schruers eraan dat het geloof in het leven van een concrete persoon geïncultureerd wordt.

Deze ontmoeting tussen concrete personen, het bewaren van de vrede in het hart, ook bij de zorgen van het pastorale leven, vraagt om een vereenvoudiging van de pastorale activiteit tot enkele fundamentele lijnen en een ontmoetingsplaats met goede vrienden, waar men van hart tot hart kan spreken.

Het woord van God, de vriendschap en de armen zijn de drie pijlers van wat Mgr. Schruers te bieden heeft op het vlak van de pastoraal.

De bisschop van Hasselt baseert zich voornamelijk op de brieven van de heilige Paulus en ziet in de kleine gemeenschappen de mogelijkheid dat het evangelie handen en voeten krijgt. Alleen in de kleine gemeenschappen van vrienden heeft de ervaring plaats van geloof-hoop-liefde die meer vreugde brengt dan de doorsnedenwaarden van de maatschappij.

De kleine gemeenschappen zullen zich vervolgens herkennen in de grote gemeenschap waar, dankzij deze ervaring van gemeenschap, de eucharistie betekenisvol wordt.

In de ontmoeting tussen concrete personen wordt het probleem van de taal, de communicatie, de ontmoeting niet meer gesteld op het vlak van formules, schema's en structuren, maar alleen op het vlak van een creatieve trouw in de Geest die alle dingen steeds weer nieuw maakt. Enige voorwaarde is dat een Liefde die ons mateloos bemind heeft, de basis van de ontmoeting vormt. Die Liefde roept ons op te antwoorden met heel ons hart, verliefd op wie op God verliefd is.

"Echte verliefden vinden vanzelf een taal voor de liefde", stelt Mgr. Schruers die, in de verwarring en de spanning van onze tijd, terugkomt op het primaat van de persoonlijke relatie met de Heer en van de radicaliteit van de liefde.

Enkele decennia geleden schreef Madeleine Delbrêl, terecht als een van de interessantste christelijke mystici van de laatste tijd beschouwd, toen zij het probleem van de ongelovigheid van de gewone man in Frankrijk, dat intussen een missieland geworden was, onder ogen zag:

"Niets in de wereld zal ons de goedheid van Christus geven tenzij Christus zelf. Niets in de wereld zal ons in het hart van onze naaste doen binnentreden, als wij Christus niet in het onze hebben laten binnentreden... De door Christus gegeven goedheid van het hart is voor het hart van de ongelovige een voorvoelen van God zelf. Zij heeft voor het ongelovige hart een onbekende smaak van God en maakt het gevoelig voor een ontmoeting met Hem; die goedheid is ongewoon voor de ongelovige, zij verwijst naar het absoluut ongewone dat God zelf is. Zij wekt de ingeslapen krachten van het ongelovige hart opnieuw op. Ze ondervraagt deze krachten die de ongelovige niet kent, maar waarvan hij in zich de levende werkelijkheid vaststelt. De goedheid vat sympathie op voor wat er in het hart van de ongelovige is aan het meest eenzame: dat is precies tegelijkertijd het meest geschikt om zich innerlijk, op een verborgen manier, te wenden tot God als een mogelijk wezen"[7].

Deze radicaliteit van de liefde is de rode draad die door alle geschriften en voordrachten van Mgr. Schruers heen loopt.

Het is een radicaliteit die alleen veroverd wordt, omdat zij van tevoren gegeven wordt.

Het is de genade van een voorafgaande liefde die ons ondervraagt, voordat wij haar kunnen ondervragen of denken.

Vandaar het herhaaldelijk aandringen op het gebed als ontmoeting-luisteren-stilte-relatie.

Emilio Grasso

(Wordt vervolgd)

 

 

________________________

[1] De term pastoraal deïsme vindt men in een tekst van K. Armbrüster, Von der Krise zur Chance: Wege einer erfolgreichen Gemeindepastoral, Herder, Freiburg-Basel-Wien 1999.

[2] Vgl. W. Kern, Deismus, in Sacramentum Mundi, I, Herder, Freiburg-Basel-Wien 1967, 832-834.

[3] Vgl. Dios (Concurso de), in W. Brügger, Diccionario de Filosofia, Herder, Barcelona 1994, 174-176.

[4] Vgl. K. Rahner, Christendom en Kerk in onze tijd. Met een voorwoord van A. Dondeyne, Desclée De Brouwer, Brugge 1955, 107-123.

[5] Vgl. H. Küng, Teologia in cammino. Un'autobiografia spirituale, Mondadori, Milano 1987, 140-191. In het bijzonder p.180.

[6] De litteratuur over het postmodernisme is zeer uitgebreid. Het lijkt ons nuttig de volgende werken te noemen: G. Danneels, Het "geseculariseerde" Europa evangeliseren, in Secularisatie en evangelisatie in het huidige Europa. Zesde symposium van de bisschoppenconferenties van Europa, Roma, 7-11 oktober 1985, in "Archief van de Kerken" 41/3 (1986) 226-249; G. Vattimo, La fine della modernità, Garzanti, Milano 1985; J. M. Mardones, Postmodernidad y cristianismo. El desafio del fragmento, Sal Terrae, Santander 1988; M. Kundera, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, Agathon, Weesp 1985; J.-F. Lyotard, Het postmoderne weten: een verslag, Kampen, Kok Agora 1994; A. Lowen, Il narcisismo. L'identità rinnegata, Feltrinelli, Milano 1992; G. Lipovetsky, L'ère du vide. Essais sur l'individualisme contemporain, Gallimard, Paris 1993; E. Rojas, L'uomo light. Una vita senza valori, Mediserve, Milano-Napoli 1996.

[7] M. Delbrêl, Nous autres, gens des rues, Éd. du Seuil, Paris 1966, 270; cfr. M. Mammi, Als de hemel niet leeg is, dan is voor christenen zending niet facultatief/1-2.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

22/08/2020