Impulsen voor een nieuwe evangelisatie in de geschriften van Mgr. Paul Schruers

 

De volheid van Omhoog die zich verlaagt

De bisschop van Hasselt spreekt over het gebed als over een worstelen met het eigen hart en met de tijd voor het aanschijn van de Heer, waarbij men zich laat interpelleren door Hem en troosten door zijn Woord.

In het gebed ontmoeten wij Gods liefde, die het hart en de herinnering geneest en tot een nieuwe vrede leidt.

Het gebed maakt het mogelijk het vreemd zijn aan de eigen cultuur en de wereld waarin men leeft, te overwinnen, vooral waar het bepaalde aanstootgevende situaties betreft die de armsten treffen en vernederen. Hoe meer deze liefde ons hart binnentreedt, des te soepeler en krachtiger wordt onze pas.

De samenhang van het denken van Mgr. Schruers is gelegen in de circulaire beweging van de gekwetste liefde van de gekruisigde Christus, door de Vader aan ons gegeven, een liefde die op haar beurt ons hart verwondt.

De volheid van de liefde van de Vader die zich in de Zoon verlaagt, wordt, wanneer zij ons raakt en door ons aanvaard wordt, op haar beurt onze volheid van liefde die zich verlaagt. Zo komt er een diepe band tot stand met de wonden en de verwachtingen van de naaste.

Dit is een voorwaarde, als ons gekwetste hart weer vrede en vreugde wil kennen, en dit niet alleen, maar ook deel wil hebben aan de wonden van de wereld.

Zo ontstaat er een "cultuur van de liefde"[1] die ertoe aanzet zich van de volheid van omhoog te verlagen om daarna terug te keren naar de volheid van omhoog van de verrezen Heer die opgestegen is ten hemel en in wie de mensheid gezeten is aan de rechterhand van de Vader. Wij vinden de trinitaire en christologische fundamenten terug waarop de zending van de Kerk en de liefde voor de mensen, voor de reizigers die gewond langs de rand van de weg van de wereld liggen, gebaseerd zijn[2].

De christologie van de bisschop van Hasselt wortelt voornamelijk in het evangelie van de heilige Marcus. Tegenover de Christus Koning Messias, die de geschiedenis en de structuren beheerst, zoals de leerlingen van Jezus het begrepen hebben, staat de Christus Messias, door Jesaja als lijdende Dienaar aangekondigd.

Daaruit volgt dat de weg van Jezus niet de weg is, gekozen door de leerlingen die om de wederopbouw van het Rijk in de maatschappij vragen, maar de weg van een voortdurende inzet van liefde en dienstbaarheid in deze geschiedenis zelf, en dit vooral in het verborgene.

Mgr. Schruers waarschuwt voor de illusie te geloven dat Jezus gekomen is om definitief een einde te maken aan het verdriet.

Voor de bisschop van Hasselt is Jezus concrete situaties met liefde tegemoet getreden en heeft zo de geschiedenis van binnenuit veranderd.

Zijn denken is niet vervreemdend, het is niet uitsluitend naar de inwendige gericht. Integendeel, het vlucht niet voor een onderdompeling in de werkelijkheid, te beginnen bij die van de meest gemarginaliseerde en lijdende mensheid.

Mgr. Schruers weet heel goed dat men niet in de wereld kan handelen zonder zijn handen vuil te maken.

Hij verwijst naar het voorbeeld en het onderricht van paus Gregorius de Grote om de diepe eenheid tussen de liefde voor God en de liefde voor de mensen voor te houden.

Men moet in de loop van de tijd voortdurend trouw blijven in de liefde, altijd bereid de behoeftige mens tegemoet te snellen.

Een krachtig en voortdurend onderstrepen hiervan is echter niet gelegen in het zoeken naar een oplossing van de problemen, oplossing die misschien zelfs beter zou zijn dan die van God zelf.

Dat is de les van de Russische theoloog Soloviev: God redt door lief te hebben, terwijl de Antichrist redt door goed proberen te doen en problemen op te lossen[3].

Uit deze korte voorafgaande stellingen komt op logische en coherente wijze het wezenlijke van een pastoraal project voort.

Er zijn enkele aanwijzingen die de persoonlijke verantwoordelijkheid van de verschillende handelende personen niet vervangen. Deze aanwijzingen steunen op eenvoudige intuïties, maar brengen grote consequenties met zich mee, als zij in hun werkzame dynamiek aanvaard worden. Er is daar vooral een krachtige oproep tot leven, interpreteren en handelen in het hodie Dei, het heden van God dat ons gegeven wordt.

Met gevoel van grote pastorale voorzichtigheid en liefde jegens de concrete mens, wijst Mgr. Schruers een utopisch zoeken naar een mensheid die niet bestaat af. Hij ziet daarentegen in de weinige, geïnteresseerde leden van een actieve groep het hier en nu (hic et nunc) waar men zich met heel zijn hart kan inzetten. Hij spreekt in dit verband van het "heden als genademoment" en van een “pastoraal van het hier en nu".

Zo waarschuwt hij voor de vele pastorale dromen en verlangens waarmee men het verleden analyseert, de toekomst verkent en zich voortdurend en neurotisch bezighoudt met het zoeken naar een betere situatie.

Dit lijkt ons een wezenlijke aanduiding van grote wijsheid en voorzichtigheid.

Het bovennatuurlijke is het vleselijke, hier en nu

Met verwijzing naar een gedachte van de bisschop van Aken, Klaus Hemmerle[4], – een ontmoeting met hem betekende een ommekeer in zijn leven – citeert Paul Schruers Péguy: "Het bovennatuurlijke is het vleselijke, hier en nu"[5]. En hij concludeert dat "ons echte woonprobleem is dat wij hier en nu in de liefde moeten wonen".

Dit "vleselijk bovennatuurlijke", deze "liefde hier en nu" vindt de meest intense uitdrukking in de relatie met de armen, en dit is de authentieke sleutel tot beter begrip bij het lezen van de Bijbel en de tijd.

In zijn toespraak tijdens de bisschoppensynode voor Europa heeft Mgr. Schruers pater Titelmans, een kapucijn uit Hasselt, die in de eerste helft van de 16e eeuw leefde en hoogleraar theologie in Leuven was[6], geciteerd. Hij duidt een theologische plaats aan waar men kan reflecteren over God, die zich aan de mens meedeelt en die een weg wijst: "De armen zijn mijn bibliotheek. De armen worden leermeesters". In navolging van de Christus Messias, die uit liefde lijdt, zijn ook wij geroepen het zwaartepunt van ons leven buiten onszelf te leggen, in het gelaat en de geschiedenis van iedere mens, vooral van wie arm is.

Het gelaat van de ander heeft ook een therapeutische functie, aangezien het zich aan ons toont in zijn nood, in zijn afhankelijkheid van ons. Wij kunnen leven of dood geven.

Het verschijnen van een gelaat geneest ons van egoïstische ambities en van het verlangen naar macht en bezitsdrang.

De filosoof die zich het meest heeft doen gelden in het denken van onze tijd als filosoof van de "de alteriteit", namelijk van de andersheid van de andere mens, en die op magistrale wijze de fenomenologie van het gelaat beschreven heeft, is zonder meer Emmanuel Lévinas. In het bekende essay De totaliteit en het Oneindige vinden wij zijn fundamentele gedachten:

"De Ander als ander staat in een dimensie van hoogheid en laagheid – van glorieuze laagheid; de ander heeft het aangezicht van de arme, van de vreemdeling, van de weduwe en van de wees, en tegelijk, van de meester, geroepen tot de investituur en de rechtvaardiging van mijn vrijheid"[7].

Het lijkt ons belangrijk een gedeelte van een interview met Lévinas aan te halen. Wij weten niet of er sprake is van enige invloed van Lévinas op Mgr. Schruers. Wij weten het niet en zijn er zeker van dat zijn bronnen en intuïties anders zijn.

Het lijkt ons echter belangrijk dat gedeelte uit een interview met Lévinas aan te halen om de actualiteit en de diepgang van zijn denken te onderstrepen:

"Naar een gelaat kijken is geen kijken naar de kleur van de ogen, geen letten op de uitdrukking van het gezicht ... Een gelaat boezemt medelijden in, het is naakt en weerloos, zonder sociale positie, zonder rang. Tegelijkertijd is het, als was het een vraag. Daarom stoort een gelaat zeer: ieder kan zich vragen stellen over wat een gelaat mij zal vragen. Het is de vraag bij uitstek"[8].

Wie de bisschop van Hasselt kent, kan eerlijk getuigen dat hij zich werkelijk altijd vol verwondering tegenover elk gelaat heeft geplaatst en dat hij zich erdoor heeft laten ondervragen.

In het beleven van al wat gezegd is, is de nieuwheid van zijn denken en de kracht van een trouw en creatief pastoraal project gelegen, dat ons twaalf jaar na zijn dood vragen blijft stellen.

Emilio Grasso

 

 

__________________________

[1] Paulus VI, meermaals aangehaald door Johannes Paulus II, spreekt van een nieuwe "beschaving van liefde en vrede, die met Pinksteren is begonnen", Paulus VI, Pentecoste: la nascita della Chiesa (17 mei 1970), in Insegnamenti di Paolo VI, VIII, Tipografia Poliglotta Vaticana 1971, 506.

[2] In alle geschriften van Mgr. Schruers wordt voortdurend verwezen naar Afrika, een continent dat hij meermaals bezocht heeft en waarvan hij zeer veel houdt. In de apostolische exhortatie Ecclesia in Africa staat de volgende treffende uitdrukking: "Voor vele synodale vaders kan het Afrika van vandaag vergeleken worden met de man die van Jeruzalem afdaalde naar Jericho. Hij viel in de handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem en, toen zij vertrokken, lieten ze hem halfdood liggen (vgl. Lc 10, 30-37). Afrika is een continent waar ontelbare menselijke wezens – mannen en vrouwen, kinderen en jongeren – op de een of andere wijze langs de rand van de weg liggen, ziek, gewond, machteloos, gemarginaliseerd en verlaten. Zij hebben een uiterste behoefte aan barmhartige Samaritanen die hun te hulp komen" (nr. 41). De uitdrukking was al gebruikt in de voordracht van Mgr. Jean Zoa, aartsbisschop van Yaoundé (vgl. M. Cheza [éd.], Le Synode africain. Histoire et textes, Karthala, Paris 1996, 54-55). In december 1994 bezocht Mgr. Schruers de in zijn bisdom aanwezig Gemeenschap Redemptor hominis en liet een onuitwisbare indruk na, vgl. “Missione Redemptor hominis” nr. 37 (1995) 4-5.

[3] Vgl. V. Soloviev, I tre dialoghi sulla guerra, il progresso e la fine della storia universale, con assieme un breve racconto dell'Anticristo e un'appendice, Marietti, Torino 1975.

[4] Vgl. K. Hemmerle, Linien des Lebens: Meditationsimpulse zum Johannesevangelium, Neue Stadt, München 1996, 14.

[5] Voor een theologische verdieping van de uitdrukking van Péguy over het wortelen van het christelijk bestaan in de tijd en de geschiedenis, vgl. H.U. von Balthsasar, Gloria. Una estetica teologica, III. Stili laicali, Jaca Book, Milano 1976, 431-456.

[6] Over pater Titelmans, vgl. Chrysostomus de Calmpthout, François Titelmans de Hasselt, professeur de philosophie à l'Université de Louvain, de l'ordre des Frères-Mineurs Capucins (1498-1537): esquisse biographique, De Meester, Bruxelles 1903.

[7] E. Lévinas, De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Ambo, Baarn 1987, 297-298.

[8] L. Ghidini, Dialogo con Emmanuel Lévinas, Morcelliana, Brescia 1987, 61-62.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

25/08/2020