Afdrukken

 

Zich omdraaien en de blik naar het licht richten

 

In zijn verhaal dat gewijd is aan het begin van het kluizenaarsleven van de heilige Benedictus, vertelt Gregorius dat in de tijd dat de toekomstige aartsvader van de monniken alleen leefde in zijn grot van Subiaco, God in een visioen aan een priester verscheen die in de omstreken woonde en hem verweet: “Jij hebt een goed maal klaargemaakt, terwijl mijn dienaar die in diePer riconoscere il giorno di Pasqua 1 afgelegen plaats verblijft, door honger wordt gekweld”, en Hij droeg hem op zijn paasmaal naar de kluizenaar te gaan brengen. De priester – zo gaat Gregorius de Grote verder – zocht lang. Toen hij vervolgens Benedictus achter in zijn grot ontdekte, zei de priester tegen hem na samen te hebben gebeden en dank te hebben gebracht: “Sta op en laten wij het voedsel tot ons nemen, want vandaag is het Pasen”. “Ik weet dat het Pasen is – antwoordde de man Gods – omdat mij de vreugde is beschoren u te zien!”[1].

Het lijkt mij dat het verhaal van Gregorius een symbolische waarde heeft.

Voor Benedictus, die alleen is achter in zijn grot, gaat de tijd voorbij zonder door de gebeurtenis van Pasen gemarkeerd te worden. Achter in de grot is de ene dag gelijk aan de andere. Benedictus ontmoet de verrezen Christus niet sacramenteel, omdat hij in zijn “bij God zijn” de mens nog niet ontmoet.

Wanneer hij de genade krijgt het gezicht van de ander te zien, kan hij weten dat die dag voor hem Pasen is. Pasen wordt “Pasen voor hem”, alleen al omdat een mens hem is gaan ontmoeten achter in zijn grot.

Van de schaduw naar het licht

In Gregorius komen wij verschillende reminiscenties aan Plato tegen, die vooral door het werk van de heilige Augustinus tot hem zijn gekomen[2].

Hiertoe kunnen wij de mythe van de grot van Plato rekenen [3].

Voor Giovanni Reale, een van de grootste geleerden op het gebied van Plato, wordt in deze mythe ook het ascetische, mystiekePer riconoscere il giorno di Pasqua 2 en theologische aspect van het platonisme gesymboliseerd. Plato wijst in het bijzonder de bevrijding van de schaduw naar het licht toe als een “zich omdraaien”, een handeling die de gevangene van de grot verricht juist om de blik naar het licht te kunnen heffen. En dit emblematische beeld van het zich omdraaien in tegengestelde richting wordt even later hernomen en ontwikkeld en gekwalificeerd als “bekering” van de ziel van het worden tot het zijn als een noodzakelijke voorwaarde om het zijn in zijn grootste schittering, en derhalve het Goede, dat het beginsel van alles is, te zien[4].

Deze bekering van de ziel van het worden tot het zijn, dit “zich omdraaien” naar de man die de grot binnenkomt, wordt door De Vogüé goed uitgelegd in de twee essentiële kenmerken die aan de monastieke roeping beantwoorden, zoals Gregorius deze schetst. Er is een eerste element dat wordt gekenmerkt door een krachtige verachting van de wereld en een machtig, exclusief, één makend streven om God te zien.

In Benedictus maken dit achterlaten van de wereld en het zoeken naar God van hem het model zelf van de aspirantmonnik. Er bestaat echter een tweede aspect van deze religieuze bekering en dat is aanwezig niet als verlangen om “God te zien”, maar als “God te behagen”[5].

Uit de wereld treden naar een zekere eenzaamheid te gaan is als een verplichte inleiding op iedere monastieke bekering. De weg van de monnik naar God begint noodzakelijkerwijs bij deze fysieke beweging[6].

In het verhaal van Gregorius herkent Benedictus de dag van Pasen in zijn bekering naar de man toe die zich aan hem presenteert en hem oproept “zich om te draaien”, de blik naar het licht op te heffen. “Ik wet dat het Pasen is – antwoordt de man Gods –, omdat mij de vreugde beschoren is u te zien”.

Voor een christen is er geen geschiedenis buiten Christus: voor iedere mens gaat een geschiedenis voort, alleen al omdat iedere mens dit vaststaande einde, dat echter tegenwoordig is, moet bereiken. Het proces van de geschiedenis is afgelopen. De tijd heeft geen andere inhoud dan zijn Tegenwoordigheid. Deze Tegenwoordigheid, niet de wet, niet de leer en evenmin de geschiedenis is de inhoud van het christendom.Per riconoscere il giorno di Pasqua 4

Heel het christendom is gelegen in de Ontmoeting. Voor de heilige Augustinus zit hem de verschrikkelijke dwaling in het pretenderen de gave van Christus te laten bestaan in zijn voorbeeld. Terwijl de gave zijn Persoon zelf is[7].

Christus is derhalve niet in het verleden en evenmin in de toekomst. Hij is in het heden en in het heden moet men Hem ontmoeten en volgen. Daarom is het niet nodig te wijken voor de nostalgie van de tijd die was, of voor de droom van de toekomstige tijd die verwijderd zal zijn van Hem die Heden is en die men moet ontmoeten waar Hij vandaag is, en niet waar Hij was of zal zijn.

Daarom gaat het erom ons altijd af te vragen, wanneer wij spreken en wanneer wij handelen, wanneer wij schrijven en zelfs wanneer wij bidden, wie de persoon is tot wie wij ons richten.

De fundamentele vraag is niet gelegen in het “waarom”, maar in het “voor wie”: daar is het geheim dat iedere hervorming leidt.

Het herkennen van het gezicht van de ander wordt zelfs het hermeneutische principe van de nieuwe evangelisatie. Een nieuwe evangelisatie die geen holle herhaling van woorden mag zijn, maar een Woord dat vlees is geworden en hartstochtelijk de ander zoekt waar hij zich bevindt, roept hem bij naam en maakt van een gesprekspartner een verwonderde verkondiger van het mysterie herkend te zijn.

De God die men omarmt, is altijd de God van iemand.

Inspireren tot nieuwe wegen zal onmogelijk zijn, als men blijft steken in de steriele omgeving van verschillende vergaderingen, bibliotheken en ontmoetingsruimten. Alleen in de missie, in de ontmoeting met de ander zal het mogelijk en noodzakelijk zijn nieuwe wegen te vinden. Alleen in de missie zal ons geloof hechter worden, zal onze liefde toenemen, zal onze hoop beproefd zijn. Zonder de missie sterft alles en wordt onze Kerk tot een sekte gereduceerd, een van de zovele stroompjes die verzanden en verdwijnen.

De heilige Johannes Paulus II zegt in zijn encycliek Redemptoris missio:

“De missie is een kwestie van geloof, zij is een nauwkeurige graadmeter voor ons geloof in Christus en in zijn liefde voor ons. ... De Kerk, en iedere christen in haar, kan deze nieuwheid en rijkdom, die ontvangen is van de goddelijke goedheid om aan alle mensen meegedeeld te worden, niet verbergen en voor zichzelf houden”[8].

In het verhaal van Gregorius wordt Pasen met Kerstmis verbonden in een verhaal dat het thema uit het evangelie van Matteüs en Lucas herneemt. Binnen het kader van Pasen herinnerend aan de gebeurtenis van geboorte en de verschijning van de Heer, vermeldt het dat Benedictus uit de grot komt en zo herrijst tot het maatschappelijk leven.Per riconoscere il giorno di Pasqua 3

Laten wij samen het verhaal van Gregorius volgen:

“In diezelfde tijd ontdekten ook enkele herders Benedictus, die in de grot verborgen was. Toen zij een glimp van hem hadden opgevangen, gehuld in huiden, tussen het struikgewas, dachten zij dat hij een wild dier was; maar toen zij bemerkten dat hij een dienaar Gods was, gingen velen van hen over van het levensniveau van een mens-dier naar de genade van een waar religieuze ijver. De naam Benedictus werd daarom in de nabije dorpen aan allen bekend; en van toen af begon hij al door velen gezocht te worden die, terwijl zij hem voedsel brachten voor zijn lichaam, in hun hart uit zijn mond het voedsel ontvingen voor het leven van de geest”[9].

Geloof, visioen, missie

In het licht van dit verhaal kunnen wij drie fundamentele elementen naar voren halen die ten grondslag liggen aan een authentieke missionaire spiritualiteit:

  1. Het eerste moment is tussen de zoveel dagen weten te herkennen wat de dag van Pasen is. Het betreft een ontdekking en onderscheiding die ieder van ons aangaan, geroepen als hij is in de eerste persoon te antwoorden. De priester over wie Gregorius het heeft, bereidt smakelijke spijzen voor zich, omdat hij weet dat het die dag Pasen is. Hij kent Benedictus nog niet, hij is nog niet achter in de grot geweest. Maar hij weet dat Pasen is gekomen. Zonder dit eerste bewustzijn van het Pasen voor mij kan er “geen authentiek missionair elan” zijn. Als hij voor zich niet de smakelijke spijzen heeft bereid, wat gaat die priester dan in de grot doen? Wat gaat hij er brengen? Missie is missie, wanneer zij een ontologisch zich verplaatsen veronderstelt. Zoals de Zoon die zijn goddelijkheid verplaatst naar het mens zijn, zonder dat er sprake is van opnemen of vermengen, zo zijn wij geroepen om heel onze rijkdom aan de ander die wij ontmoeten, aan te bieden. Dat veronderstelt van onze kant een kennis, een rijkdom, een geven. Niemand kan geven wat hij niet heeft. Als wij niet zouden hebben, zouden wij niets kunnen geven. Als het Woord, de Zoon van God, niet vóór Christus Jezus zou bestaan, zou Deze laatste alleen maar een van de zoveel miljarden mensen zijn die de planeet aarde hebben bevolkt. Hij zou niet tegelijkertijd een van de zovelen en de Ene zijn. De Ene, daar “bij niemand anders dan ook de redding te vinden is en geen andere Naam onder de hemel aan de mensen gegeven is waarin wij gered moeten worden” (Hand. 4, 12)[10].

    Het eerste moment is derhalve dat van ons persoonlijke geloof. Anders zou achter de grot ingaan alleen maar een speleologische excursie willen zeggen... of het voedsel van Benedictus gaan stelen.
  2. Het tweede moment: God verschijnt aan de priester in een visioen. Een visioen is theologisch niets anders dan de volheid van het geloof. Geloof is immers een voorschot op een visioen [11]; het geloof is in de orde van een visioen. In een tijd die verzadigd is van hemelse boodschappen en een wedloop op zoek naar visioenen, moeten wij het gegeven van ons katholiek geloof vasthouden als gehoorzaamheid aan het Woord van God, dat ons is doorgegeven via de essentiële bemiddeling van de Kerk.

    Een van de grootste risico’s die de missie van de Kerk tegenwoordig loopt ten opzichte van een pathologisch zoeken naar het sacrale, naar kennis, koste wat het kost, en naar het wonder, is de “aanstoot gevende” kernen van ons geloof te verzwijgen, zo niet zelfs uit te hollen om de gemakkelijke wegen en de brede deur van de bevrediging van elke vraag voor te houden. Een denkbeeldige, bedrieglijke en kortstondige bevrediging, die het diepe verlangen en de onrust van de mens verraadt, die geen vrede vindt, totdat zijn hart rust in God.

    Het is nu ons geloof dat ons de mens laat zien die achter in de grot alleen ligt. Het laat ons in het gelaat van de laatste het Gelaat van de Heer zien, want Jezus Christus heeft zich met de laatste mens in de verste hoek van de aarde vereenzelvigd.

    “Al wat gij gedaan hebt voor de kleinste van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan” (vgl. Mat. 25, 40.45), herhaalt de Heer.
  3. Een derde moment:  Gaan...

    Er is geen missie zonder gaan, zonder een achterlaten van de zekerheid en het gemak van de eigen, reeds feestelijk gedekte tafel. Ook de zending buiten de Drie-eenheid van het Woord begint met dit proces van kenosis, ontlediging, buiten zichzelf treden. Missie begint in de armoede en het verlies van zekerheden, buiten goed beschermde schansen. “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden” (Mat. 16, 25).

    ... Hij zocht lang... Er is een inspanning van zoeken, een krachtsinspanning die vraagt om het gebruik van alle menselijke vaardigheden...

    Het geloof, begin van het visioen, zegt ons dat een mens achter in de grot van ons verwacht te weten dat het vandaag Pasen is. Meer zegt het geloof ons niet. Het ontslaat ons niet van de krachtsinspanning de missie uit te vinden. God komt niet in de plaats van de mens, maar vraagt van hem heel zijn deelname.

    Ieder van ons is geroepen zijn talent vrucht te laten dragen en ten dienste van de gemeenschap te stellen, en zeker niet het te begraven. Hier opent zich de ruimte voor het christelijk avontuur, een oud en steeds fascinerend nieuw avontuur.

    Maar dat avontuur moet nog geheel worden geschreven...

Emilio Grasso

 

 

 ___________________________

[1] Gregorio Magno, Dialoghi II, I, 6-7, in Opere di Gregorio Magno, IV. Dialoghi (I-IV), Città Nuova Editrice, Roma 2000, 141.

[2] Vgl. A. Solignac, Platonisme, in Dictionnaire de Spiritualité, XII, Beauchesne, Paris 1986, 1808.

[3] Vgl. A. De Vogüé, Un avatar du mythe de la caverne dans les Dialogues de Grégoire le Grand, in Homenaje a Fray Justo Pérez de Urbel, II, OSB (Studia Silensia 4), Abadia de Silos 1977, 19-24. In dit artikel verwijst p. De Vogüé naar het thema van het leven van de ziel na de dood, vgl. Gregorius de Grote, Dialogen, IV, I, 3, in Opere di Gregorio Magno, IV..., 329-331.

[4] Vgl. G. Reale, Storia della filosofia antica, II. Platone e Aristotele, Vita e Pensiero, Milano 1991, 359-361.

[5] Vgl. Grégoire le Grand, Vie de Saint Benoît (Dialogues, livre second). Commentée par A. De Vogüé, Abbaye de Bellefontaine (Vie Monastique 14), Brégolles-en-Mauges (Maine-et-Loire), 1982, 25.

[6] Vgl. Grégoire le Grand, Vie de Saint Benoît…, 31.

[7] Vgl. Augustinus, Contra Iulianum. Opus Imperfectum, II, 146.

[8] Redemptoris missio, 11.

[9] Gregorio Magno, Dialoghi II, I, 8, in Opere di Gregorio Magno, IV…, 141.

[10] Vgl. Redemptoris missio, 4-11.

[11] Op dit thema wordt door de heilige Thomas in het bijzonder in quaestio 4, art. 1 van de Summa Teologiae, II-II ingegaan. Voor de heilige Thomas “is het geloof niet alleen de zekerheid van de onzichtbare werkelijkheden, maar ook een voorschot op en waarborg van gehoopte goederen. Met het geloof sluiten wij ons immers aan bij hetgeen wij in de hemel hopen te zien. In de orde van het kennen gaat het geloof vooraf aan de zalig makende tegenwoordigheid van God, eigen aan het visioen van de heerlijkheid, omdat daarmee de mens, reeds ‘op weg’, substantieel in de kiem het gehoopte goede begint te bezitten”.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

03/04/2021

 

Categorie: Artikelen