Afdrukken

 

Een ontmoeting met Paulin Sebastien Poucouta

Deel een

 

Wij hebben pater Paulin Poucouta in Leuven ontmoet tijdens een colloquium dat van 19 tot 21 november 2019 plaatsvond over het thema “Missie gisteren, vandaag en morgen. Honderd jaar na Maximum Illud”. Het was ook een gelegenheid om dit interview verder te ontwikkelen.

 

 

Gedurende twee decennia ben ik lid geweest van de redactieraad van het tijdschrift “Spiritus”. En vanaf 1 september 2019 ben ik de nieuwe directeur ervan: het is een boeiend werk. Het tijdschrift, dat door de spiritijnen in 1959 werd opgericht, is tegenwoordig in handen van een tiental missie-instituten, het betreft dus een tijdschrift dat reflecteert over de missie. Het tijdschrift is tegelijkertijd een plaats om te luisteren en voorstellen te doen betreffende het reflecteren over missie.

Wat de missie tegenwoordig moeilijk maakt, is het feit dat de Kerk, zoals die wordt beschreven in het boek van de Apocalyps, zich bezighoudt met een storm die zowel van binnenuit als van buiten uit komt. Wij zijn in een wereld die verandert, waar de epistemologische, theologische, ecclesiologische en ethische referentiepunten overhoopgegooid zijn. Zoals de deskundigen op het terrein van zwart Afrika, Louis-Vincent Thomas en René Luneau, in hun belangrijk boek, het goed zeggen, zijn de verstandigen volkomen van hun macht beroofd.

Men stelt zich derhalve de vraag: Welke missie in deze wereld? Hoe deze te beleven?

Om door deze wervelstorm niet omver geblazen te worden is er vandaag, geïnspireerd door paus Franciscus en de viering van honderd jaar encycliek Maximum Illud, behoefte om terug te keren naar de bronnen van de missie, de missie van alle gelovigen als leerlingen-missionarissen, die van alle missionaire instituten. Wij moeten allen dezelfde situatie onder ogen zien, maar tegelijkertijd voelen de verschillende missionaire instituten echter de dringende behoefte om terug te keren tot de bronnen van hun charisma van de stichting. Zoals voor ieder verlies van evenwicht moet er evenwicht worden gevonden. Het past inderdaad niet terug te keren naar de loopgravenoorlogen van de instituten.

Ieder moet als een bloem in de tuin van de Vader zijn. Ieder moet dus zijn bijzonder steentje bijdragen in het immense gebouw van God, in een voortdurende kenosis van liefde, nederigheid en belangeloze dienst.

Ik heb in Frankrijk gestudeerd, om precies te zijn, aan het Institut Catholique van Parijs en aan de Sorbonne. En in deze jaren ben ik er vaak teruggekeerd. Gedurende mijn studie heb ik ook in de parochie gewerkt en heb ik, zoals ik heb gezegd, ook net een jaar doorgebracht in de parochie van Créteil. Ik kan zeggen dat ik sinds een veertigtal jaren getuige ben van veranderingen in de Kerk van Frankrijk en Europa. Desondanks blijf ik een vreemdeling; mijn beoordeling, mijn blik is derhalve zeer beperkt.

De Kerk in Europa lijkt op die van Smyrna in de Apocalyps. Zij is numeriek en institutioneel zeer zwak geworden, ook al bewaart zij materieel nog een zekere kracht in vergelijking met de Kerk in Afrika. In de brieven van de Apocalyps zien wij dat de Heer heel in het bijzonder aandacht besteedt aan de twee zwakste Kerken van Smyrna en Philadelphia. Uit deze broosheid kan een vernieuwde Kerk verrijzen.

In deze situatie van broosheid van de Kerk in Europa verlaten sommigen het schip dat naar hun mening onvermijdelijk zal zinken. Ze zeggen: “Wij bewaren hoe dan ook het geloof in God, maar de Kerk moet verlaten worden”. Andere nemen notitie van deze broosheid en kiezen voor een spiritualiteit van het verborgen zijn, zij kiezen ervoor als het zaad in de aarde te zijn, met een bescheiden liturgie en een sobere bezetting van ruimte.

Weer anderen zeggen dat het een voorlopige situatie is en weigeren een laag profiel te behouden. Voor hen is er veeleer een demonstratief vertoon van kracht, donderende liturgie nodig, kortom, laten zien dat men er is.

Naar mijn mening vraagt de crisis die door de Kerk in Europa gaat, om een zorgen voor bescheidenheid. De spiritualiteit van het verborgen zijn als zaad in de aarde moet echter geen voorwendsel voor vreesachtigheid of berusting. De Kerk moet leven in de aanstekelijke dynamiek van de broze christelijke gemeenschappen van de Oerkerk.

Wat kan de bijdrage van de Kerk van Afrika zijn? Wij hebben sinds lange tijd al Afrikaanse studenten en werknemers in Europa die integreren in het leven van de Kerken in Europa: als christenen moeten zij zich overal thuis voelen. Zij brengen hun aanwezigheid en alles wat zij zijn, mee; zij vinden helaas niet altijd de gehoopte ontvangst. Alleen in een wederzijdse dialoog en in naar elkaar luisteren kunnen Afrikaanse en Europese christenen die samen in Europa leven samen een nieuwe dynamiek vinden.

Er zijn verschillende Afrikaanse priesters in Europa als Fidei donum. Dat is ook bij mij het geval. De grote uitdaging is samen met de Europeanen te werken, waarbij allen zich geraakt voelen door de crisis die door de Kerk gaat. Soms wordt men een wantrouwen gewaar, omdat sommige Europese christenen bang zijn, en dat is ook begrijpelijk, dat de massale toestroom van Afrikaanse priesters als een gips is dat het gangreen verbergt en een belemmering is om het ware probleem te genezen.

Afrikaanse priesters moeten daarom niet komen om een façade te pleisteren, maar om als broeders samen de missie van de universele Kerk te delen en de Kerk van Europa voor te houden wat zij zijn.

Het gaat erom samen te luisteren naar hetgeen de Geest vandaag zegt tegen de Kerken van Europa.

In mijn lezing in Leuven heb ik willen tonen dat wij in de Bijbel een verscheidenheid aan missionaire theologieën hebben die elk zijn uitgewerkt binnen een concrete situatie als antwoord op de inzet, zoals die werd gevoeld door de schrijver in de Bijbel en door de christengemeenten waaraan dit antwoord is gericht.

Om over missie te reflecteren kan men vooral zijn licht opsteken bij de synoptische evangelies, de geschriften van de heilige Paulus, maar vooral het boek van de Handelingen van de Apostelen, waarvan de structuur en het thema sterk missionair zijn.

Ik heb mij in dit geval willen laten inspireren door de Apocalyps van de heilige Johannes. Weliswaar is het missionaire vocabulaire van de zending bijna afwezig, maar de auteur plaatst de kwestie van de missie van de Kerk in een context van storm en broosheid. Om dit uit te drukken bedient Johannes zich van de ervaring en de taal van de traditie van de joden, vooral van de menorah, die van de zevenarmige kandelaar, van het licht. Hij herinnert iedere jood aan zijn roeping een licht te zijn dat, voortgekomen uit zijn huis, de wonderen van God verkondigt. Door hetzelfde symbool te hernemen en de ervaring van Israël te herlezen plaatst hij de missie van de Kerk in het verlengde hiervan.

De moeilijkheden die de christengemeenten aan het einde van de eerste eeuw doormaakten, vormen voor Johannes een gunstig moment om zich te richten op het wezenlijke van de missie, dat men in drie vragen kan samenvatten, die aan de christengemeenten van toen, maar ook aan die van ons vandaag worden gesteld.

De eerste vraag is: “Van wie getuigen wij?”. Wat de vorm ook is, de Verrezene is het hart van de missie.

De tweede vraag is: “Waarvan getuigen wij?”. De christen is ondergedompeld in een geschiedenis die geteisterd wordt door botsingen, in de kern van deze geschiedenis schittert echter de tegenwoordigheid van de Verrezene.

De derde vraag is ten slotte: “Hoe getuigen wij?”. Het antwoord wordt in het bijzonder gevonden in de Brieven aan de Kerken van de Apocalyps die de nadruk leggen op de metanoia, in de Bijbelse betekenis van het woord, van bekering, van een radicale verandering van richting, maar het is een eis van zich openstellen voor God en de ander.

Missie is ten slotte in wezen een weg van persoonlijke en gemeenschappelijke bekering.

(Verzorgd door Antonietta Cipollini)

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

07/02/2020

 

Categorie: Interviews