Afdrukken

 

Interview met kardinaal Tomáš Špidlík

Ter gelegenheid van de tiende verjaardag van het heengaan van kardinaal Tomáš Špidlík op 16 april 2010 willen wij de figuur van deze grote jezuïet, een meester in de Geest en een zeer ontwikkeld iemand, in herinnering brengen.

Zijn werk vertegenwoordigt een unicum in het theologische denken van de tweede helft van de twintigste eeuw en is de vrucht van zeer veel jaren onderzoek en reflectie, die erop gericht zijn de eeuwenlange kloof tussen het christelijke Oosten en Westen te overwinnen.

Gedurende vele jaren is hij docent patristische en oosterse spirituele theologie geweest aan de Pontificia Università Gregoriana en het Pontificio Istituto Orientale.

De Gemeenschap Redemptor hominis heeft met pater Špidlík vriendschapsbanden onderhouden. Aan het begin van de jaren zeventig hield de kardinaal ook enkele lezingen over de oosterse en westerse spiritualiteit voor de leden van de Gemeenschap die in Rome verbleven. Enkele andere hebben zijn colleges gevolgd aan de Gregoriana en het Orientale.

In 2005 hadden wij de gelegenheid om hem te ontmoeten in het Centrum Aletti te Rome, waar hij ons met zijn gebruikelijke beminnelijkheid, die de tijd niet heeft kunnen aantasten, heeft ontvangen. Wij geven voor onze lezers dit interview weer omwille van de actualiteit van de behandelde thema’s.

 

 

Wanneer men spreekt over evangelisatie, wantrouw ik definities en verklaringen. Ik geloof niet zozeer in grote uitspraken. Het is van weinig belang pessimistisch of daarentegen optimistisch te zijn. Deze houdingen raken niet de diepte van het probleem. De kwestie is van een andere orde.

Naar mijn mening heeft de Europese cultuur een eindpunt bereikt, aangezien zij er niet is in geslaagd de drie fundamenten waarop zij is gebouwd, met elkaar in overeenstemming te brengen: het Griekse denken, het Romeinse recht en de Bijbel. Hebben in de loop van de geschiedenis het Griekse denken en het Romeinse recht zich goed met elkaar kunnen verzoenen, dan is het bij het christelijke denken niet het geval geweest. De Europese cultuur baseert zich op het denken dat wet is geworden. De Grieken vonden het juiste universele denken en dit universele denken veranderden zij in wet. Zo ontstond de polis, de Griekse stad. De Romeinen pasten deze verworvenheid toe in heel de bekende wereld: het recht is gebaseerd op de beste denkbeelden. Onze westerse democratie is op dit principe gegrondvest. Bijvoorbeeld, de beste denkbeelden vinden over de financiële wetgeving om allen vervolgens te verplichten deze te volgen.

Welnu, de Bijbel toont ons een God de Vader die op een geheel vrije wijze handelt. Hij is niet gebonden aan de wet, de wet is het resultaat van zijn vrijheid. Dit omkeren van criteria wordt niet geaccepteerd. In de culturele en religieuze context van de middeleeuwen bv. zijn er altijd twee maatschappijen geweest: die van de Kerk en die van de staat. Ofwel die bestreden elkaar of sloten concordaten.

In onze context is het christendom echter een randverschijnsel geworden, aangezien de wereld niet meer religieus is, maar geseculariseerd. Daarom hebben wij alleen de wet, die gelijk is voor iedereen. Daarom is de betekenis van de Gekruisigde: een man werd volgens de wet ter dood veroordeeld. Met andere woorden: men heeft niet de mogelijkheid gevonden de vrijheid te voegen in de orde. Men beleeft “De Legende van de Grootinquisiteur” van Dostojewski, die het onopgeloste probleem tussen vrijheid en wet opnieuw aan de orde stelt.

Europa heeft het christendom nodig om de eigen contradicties op te lossen. Dat is een taak van het christendom, niet van de staat. Niet de staat is geroepen om de problemen van de christenen op te lossen, maar wij, christenen, moeten de mensen die in de staat leven, een andere houding leren aan te nemen.

Uitleggen wat een persoon is en wat vrijheid. Het eerste dat men moet doen, is de kwestie van de natuur onder ogen te zien. Het klinkt goed, als men zegt: leven overeenkomstig de natuur. Wij weten dat de natuur datgene is wat aan alle mensen gemeenschappelijk is. Kant zegt dat moraal is wat allen kunnen doen. Als men dit concept zou toepassen op de kunst, dan zou dat met zich meebrengen dat hetgeen allen kunnen schilderen, mooi is. Blijkbaar is dat niet zo! Welnu, als deze definitie niet adequaat is voor de kunst, hoe kan zij het dan zijn voor de godsdienst, waar ieder zijn eigen roeping heeft? Dit is een nivellering waar geen persoonlijke vrijheid bestaat. Dit is de moraal volgens de natuur, volgens de wet. Het principe wordt opgevat als onafhankelijk van de persoon. Het is een abstract, geldig, eeuwig, op zich op zichzelf staand iets en de persoon moet passen binnen dit principe.

In tegenstelling tot deze vervlakking betreffende de natuur heeft zich in Europa het personalisme ontwikkeld: de rebellie tegen de maatschappij van de orde.

Hoe wordt nu de persoon geboren? In relatie tot de ander. Een persoon is wie een vrije relatie met de ander heeft. Wie een hele hoop relaties heeft, wie van relaties leeft, heeft een grote persoonlijkheid. Men dient echter op te passen, omdat ook het personalisme verwrongen trekken kan veroorzaken.

Men heeft mij in Praag verteld dat er in een televisieprogramma twee waardenfilosofen samen waren met een katholieke priester en een dominee die spraken over echtscheiding en abortus. Een van deze twee filosofen, die ik vrij goed ken, omdat hij hier in Rome was geweest, zei: “Principes zijn abstract, maar het zijn geen waarden, waarden komen alleen maar voort uit een persoonlijke relatie. Dus de waarde van het onontbindbaar huwelijk is een abstract principe, maar als de echtgenoot niet van zijn vrouw houdt, bestaat het huwelijk niet en moeten ze scheiden; hetzelfde geldt, als de moeder het kind niet wil accepteren: er is geen relatie tussen moeder en kind, het is alleen maar een ‘dierlijke’ relatie, ontbreekt de waarde, dus kan zij abortus plegen”.

De andere twee, zowel de katholieke priester als de dominee, brachten natuurlijk de waarde van principes naar voren. En het is niet goed afgelopen, omdat men niet wist hoe op deze tegenwerpingen te antwoorden. Men heeft mij gevraagd wat ik zou hebben gezegd. Ik heb geantwoord: “Ik sta aan de kant van de waardenfilosofen: de waarde komt voort uit de relatie met de persoon. Ik voeg er echter aan toe dat men moet bedenken dat er niet alleen een relatie bestaat tussen menselijke personen, maar ook met de persoon van God”.

Dostojewski zegt dat, als er geen God bestaat, alles geoorloofd is, omdat uiteindelijk, als iemand geld heeft en ik niet, als ik geen relatie met hem heb, hij geen waarde voor mij heeft en ik hem ook kan doden. Als men de relatie met God verliest, is alles geoorloofd en wordt het personalisme de rechtvaardiging van de maffia. Dit is een exacte weergave van de samenleving waarin wij leven: wij hebben een staatkundige orde en tegelijkertijd de maffia, de politie en de maffia. Ik zie voor het probleem geen andere oplossing dan de relatie met Christus.

Aan ons christenen de taak dit aan te tonen, niet dit te bewijzen. Ik geloof dat de mensen zeer gevoelig zijn voor deze boodschap, juist op grond van het feit dat niemand meer duidelijk durft zeggen dat men zonder Christus het probleem niet oplost, aangezien de godsdienst is verbannen naar de privésfeer.

De relatie met Christus is geen catechismus, een andere wet betreffende Christus. Men moet doen, zoals Dostojewski in zijn romans. Hij noemt Christus nooit, hij spreekt over de mens en laat zien waar de mens buiten Christus terechtkomt. Dat is het geval met De gebroeders Karamazov. Hoe eindigt de oude Karamazov, geheel vrij in zijn seksleven? Gedood door zijn onwettige zoon. Iwan, de rationalist, wordt ten slotte gek. Dimitri, de libertijn, eindigt in een gevangenis in Siberië. Alleen Aljosja, die zich met Christus identificeert, kan doen wat hij wil, en hij verwoest niets.

Wat hier is gezegd, heeft ook implicaties voor de missio ad gentes. Aan het Istituto Orientale in Rome, waar ik les gaf, meldde zich eens een boeddhistische non. Zij studeerde vergelijkende godsdienstwetenschappen in Zwitserland. Zij wilde met mij spreken over de christelijke mystiek. Alles wat zij zei over de mystieke christelijke schema’s, kende zij min of meer uit het bestuderen van de boeddhistische godsdienst. Zij wilde het verschil weten tussen christendom en boeddhisme. Ik vroeg haar op mijn beurt wat zij wilde bereiken, wanneer zij bad. Haar antwoord was vanzelfsprekend: “De eenwording met God”. Het antwoord op mijn volgende vraag, namelijk of iemand ook de volmaakte eenwording met God in dit leven ooit had bereikt, was zo mooi dat ik het liet afdrukken in “L’Osservatore Romano”: “Dat is het verlangen van alle mensen, van alle godsdiensten” – zei ze – “maar in dit leven heeft niemand ooit de volmaakte eenwording met God bereikt”.

Welnu, wij christenen geloven in de persoon van Jezus Christus. In Hem zijn God en mens volmaakt verenigd, daarom komt ons gebed tot stand door middel van Jezus Christus. Dat is het verschil tussen boeddhisten en christenen. De christelijke waarheid bestaat dus niet voornamelijk uit het leren van een andere leer, maar vooral uit het geven van betekenis aan hetgeen de mensen verlangen in hun hart. Hoe meer de mens zich in Jezus Christus met God verenigt, des te meer mens wordt de mens.

Men moet zorg dragen voor de ontwikkeling van de persoon. De persoon is een liefdesrelatie. Het eerste niveau is vriendschap. Alle stichters van religieuze ordes hadden vrienden. Niet dat zij al vanaf het begin eraan dachten een instituut te stichten: Franciscus de franciscanen, Ignatius de jezuïeten. En ook niet dat zij zich verplicht voelden om een regel te schrijven als om hun eigen leven te verdedigen.

Nee, zij hadden vrienden om zich heen en om het gemeenschapsleven enigszins te reguleren schreven zij een regel als uitdrukking van hun vriendschap. Ik geef een voorbeeld. Een student van het Amerikaans college in Rome wilde maar steeds niet op tijd komen voor het gemeenschappelijk gebed. Hij was altijd te laat. Hij zei: “Ik ben geen nummer, geen robot die op commando begint te bidden, wanneer de bel gaat. Dit gebruik is zo vernederend dat ik mij daar niet aan kan houden”. Er werd hem gezegd: “Ben je hier gekomen om in een hotel te verblijven of om onder vrienden te zijn?”.

Ziedaar, vrienden willen samen bidden, dus komen zij overeen dat het gebed op een bepaald uur begint. Men bidt niet, omdat om 12 uur de bel gaat, maar omdat men met vrienden wil bidden. Dan begint de regel betekenis te krijgen.

Ook Jezus had vrienden. En zijn vrienden vertelden wat Jezus hun had geleerd. Vervolgens kwamen zij tot de conclusie dat het beter was iets op schrift te zetten, anders zou men het risico lopen alles te verliezen wat zij hadden gezien en gehoord. Zo ontstonden de evangelies. Aan het begin is men niet uitgegaan van dogma’s, maar van de ervaring van de apostelen met Jezus. Vervolgens draaide men de werkwijze om: men ging uit van dogma’s om af te dalen naar het leven. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft gelukkig het perspectief omgekeerd. Het stelt dat de Kerk op de eerste plaats mysterie is en vervolgens sacrament. Niet het tegenovergestelde. Eerst leeft men en vervolgens tracht dit leven zich goed te verwoorden. Dit heeft o.a. de oecumene mogelijk gemaakt.

(Verzorgd door Maurizio Fomini)

(Wordt vervolgd)

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs.H.M.G. Kretzers)

 

 

22/04/2020

 

Categorie: Interviews