Wij willen hier vanwege de historische waarde ervan weer het interview in herinnering brengen dat in 2012 met de heer Pacifico Sed – een Jood die aan deportatie is ontsnapt – tot stand kwam over de grote razzia van de Joden van Rome.
De datum 16 oktober 1943 brengt ons naar de donkere tijden van de deportatie en de uitroeiing van de Joden van Rome. Die dag werd in een tijdsbestek van enkele uren meer dan een duizendtal Joden van het getto van Rome uit hun huizen gehaald en naar concentratiekampen gedeporteerd. Iemand slaagde erin te ontkomen aan deze en andere deportaties die tot aan het einde van de oorlog in de Italiaanse hoofdstad werden uitgevoerd. Onder hen zijn er weinigen die nog leven en zich nog die dramatische ogenblikken kunnen herinneren die zij als kind hebben meegemaakt.
Wij hebben het getuigenis van een van hen, de heer Pacifico Sed, opgenomen. Geboren op 20 december 1930, was hij op die 16de oktober nog geen 13 jaar en woonde hij met zijn familie in Via Tribuna di Campitelli in het hart van het getto van Rome. Ook al zijn er historische feiten uit die tijden bekend[1], toch zal het nooit overbodig zijn te luisteren naar het levende herinnering en de emoties van wie, ook al was hij toen een kind, van binnenuit die gebeurtenissen heeft meegemaakt en hierover nog helder kan vertellen.
![]()
- Mijnheer Pacifico, wat herinnert u zich van de periode voorafgaand aan 16 oktober 1943?
Voor mij begon alles in 1938 met de uitvaardiging van de anti-Joodse rassenwetten, die ons alle burgerrechten afnamen. Wij zijn
en voelen ons generaties lang Romeinen, maar op dat ogenblik was het alsof wij indringers waren geworden, ongewenste gasten. Ik was 8 jaar en herinner mij dat wij ’s zondags met het gezin, ouders en negen kinderen, altijd naar zee naar Ostia gingen. Op een zondag gingen wij zoals altijd op weg naar zee, maar toen wij aangekomen waren bij het station van Ostia, hielden de agenten van het commissariaat, die ons allen kenden, deze keer ons tegen en wezen ons scherp terecht: “Weten jullie niet dat jullie Jood zijn?”. Zij lieten ons niet door en wij gingen terug naar huis. Het was een van de uitwerkingen van de rassenwetten. Wij mochten ons niet meer vrij bewegen, niemand kon ’s avonds meer na 8 uur verder dan de Portico d’Ottavia het getto niet uit. Als ze een Jood vonden die in de naburige Via Arenula voorbijkwam, pakten ze hem op en brachten hem naar Piazza Lovatelli, naar de zetel van de fascisten. Daar gaven ze hem een pak slaag en wonderolie. Wij begonnen ons werk te verliezen, niemand nam ons meer voor werk aan, ze joegen alle Joodse kinderen de scholen uit. In ’41-’42 lieten ze ook de Joodse scholen sluiten. Het was al een lijdensweg, maar dat was nog niets.
Met de val van het fascisme werd het nog veel erger. Mussolini had ons tot dat ogenblik in zekere zin beschermd door ons voor heel veel werk te gebruiken en het verzoek van Hitler af te wijzen de Romeinse Joden naar Duitsland te sturen om daar te werken. Daarom was er in Rome nooit een razzia van Joden geweest, maar op dat ogenblik realiseerde zich niemand dat. Met het begin van de Duitse bezetting na 8 september 1943 verslechterde de toestand snel.
- Waarom hebt u zich niet aan het begin van de Duitse bezetting in veiligheid gebracht?
In het getto was er enige bezorgdheid, echter een beetje door de armoede, een beetje door onwetendheid, een beetje omdat de Duitsers ons hadden laten weten gerust te zijn, realiseerde niemand zich wat er kon gebeuren. Vooral wij van het getto hadden ons er niet op voorbereid om te ontsnappen. Andere gegoede en ontwikkelde Joden, die in de rijke wijken van Rome woonden, waren al naar het buitenland gevlucht, naar Amerika of andere, veiligere, landen, en velen zijn niet meer teruggekomen. Maar wij waren niets, zonder opleiding en zonder geld. Ook op die vroege morgen van 16 oktober, toen de Duitsers allen wegvoerden, geloofden velen naar Duitsland te gaan om voor enige tijd daar te werken.
Bovendien was er het feit van de 50 kilo goud die kolonel Kappler eiste en binnen weinig uren ingeleverd moest worden, met de
belofte ons verder met rust te laten. Deze hoeveelheid was voor ons een enorm bedrag; in het getto leefden geen rijke Joden, allen verrichten zeer eenvoudig werk. Mijn vader was lompenhandelaar en ging rond met een karretje. Maar wij moesten gehoorzamen om met rust te worden gelaten. Alle Joden van Rome hebben het goud ingeleverd dat zij hadden, en gaven zo die kleine voorwerpen, een kettinkje, een ring, een paar oorbellen, weg, die vaak familieherinneringen waren. Ik vermeld hier de bezorgdheid van allen, omdat wij tot 43 kilo waren gekomen, wij wisten niet waar wij de overige 7 kilo konden vinden. Vervolgens kwam ik te weten dat de verantwoordelijken van de gemeenschap hadden gesproken met paus Pacelli (Pius XII) en het Vaticaan verzekerde dat het ons de ontbrekende kilo’s zou geven. Zo hebben wij het goud ingeleverd en hebben wij ons geruster gevoeld.
Deze rust is echter van korte duur geweest, omdat er de volgende dagen enkele invallen in de gemeenschap van Duitse officieren waren. Tijdens een daarvan vonden ze de registers van de bewoners van het getto, waarin de voornamen, de achternamen en de adressen van allen stonden, en namen die mee.
- Wat is er op 16 oktober gebeurd en hoe bent u erin geslaagd aan de razzia te ontkomen?
Op 16 oktober is de razzia zeer vroeg begonnen. De Duitsers hadden alle uitgangen van het getto afgesloten. Ik woonde met mijn familie in Via Tribuna di Campitelli en, men weet niet waarom, was die weg niet afgesloten. De vrachtwagens van de Duitsers waren op ongeveer 300 meter van ons huis gestationeerd. Men hoorde het geschreeuw, het gehuil van kinderen, het schieten en het geschreeuw van een Italiaanse buurvrouw van ons, die ons zei te vluchten. Wij verzamelden snel iets in huis, deden alles op slot en gingen weg langs de weg die nog open was. Ook andere families die in hetzelfde flatgebouw als wij woonden, deden zoals wij.
Ik herinner me dat het die dag verschrikkelijk koud was, met een motregen die op natte sneeuw leek. Op de vlucht hebben wij te voet de wijk San Lorenzo bereikt, waar wij dachten een veilig heenkomen te vinden bij een familie van Joodse vrienden van ons.
Toen wij de binnenplaats van het flatgebouw opkwamen, gaf een mevrouw vanuit het raam een teken weg te gaan. Wij realiseerden ons dat de Duitsers al onze vrienden aan het wegvoeren waren. Wij gingen op weg onder het spoor door, totdat wij kwamen bij een grot waar 2 of 3 mannen ons met een mitrailleur in de aanslag tegenhielden. Wij vertelden dat wij uit Viterbo waren geëvacueerd, dat ons huis was gebombardeerd en wij een plek zochten waar wij een veilig heenkomen konden vinden. Het waren partizanen, zij maakten eten voor ons klaar en lieten ons rusten en zeiden tegen ons dat zij ons daar niet konden onderbrengen, omdat er alle dagen vuurgevechten met de Duitsers waren.
Wij trokken verder langs het spoor en kwamen in het open veld, gingen in de richting van een huis van een boerengezin. De heer Pietro en mevrouw Angelina met hun kinderen waren zeer goed voor ons. Zij gaven ons een stal waar wij ons konden installeren. Na 15 dagen verhuisden wij naar een Italiaanse kazerne daar in de buurt die verlaten was en nog vrij goed was ingericht. Met het geld dat wij hadden, kochten wij van de boeren levensmiddelen.
Daar konden wij slechts 2 weken blijven, totdat er 2 vrachtwagens van de Duitsers kwamen.
Wij dachten onmiddellijk dat iemand had gespioneerd en zij ons kwamen oppakken, maar een Duitse officier zei ons dat wij binnen weinig uren moesten vertrekken, omdat ze de kazerne weer in gebruik moesten nemen. Wij keerden terug naar de boeren die ons de stal weer gaven. Daar bleven wij tot begin januari, toen onze ouders ons, mij en mijn broer, eropuit stuurden om te zien hoe de toestand in het getto was, ons op het hart drukkend in een boog eromheen te gaan zonder er binnen te gaan. Wij zagen dat het getto weer bevolkt was, omdat al degenen die erin geslaagd waren te ontsnappen weer naar huis waren teruggekeerd. Dat deden wij ook en probeerden ons leven weer op te nemen. Velen waren er niet meer in het getto. Van de familie van mijn moeder waren 37 personen en vervolgens veel vrienden en kennissen verdwenen. Degenen die erin geslaagd waren zich te redden, zoals wij, waren geholpen ergens een veilig heenkomen te vinden. Iemand die het geld had, had een kamer of een huis gehuurd met het excuus dat hij geëvacueerd was. Er zijn veel goede mensen geweest die op dat ogenblik ons hebben geholpen en te hulp zijn gekomen. Allen wisten dat wie de Joden beschermden of hun gastvrijheid verleende, hetzelfde lot als zij zouden ondergaan. Velen zijn opgenomen bij katholieken thuis, in religieuze instituten. Er zijn zeer velen naar parochies, kerken gegaan en daar ondergebracht, opgenomen, verborgen.
- Zijn er, nadat u weer in het getto bent teruggekeerd, verder nog vervolgingen geweest?
De vervolging ging ook met de fascisten van de Republiek van Salò, verder. Ik herinner mij dat boven ons appartement een fascist woonde; hij was altijd dronken, terwijl zijn vrouw een heel goed iemand was. De vrouw klopte altijd op onze deur, vroeg hoe wij het maakten en hielp ons. Soms kwam integendeel haar man, die, ons aankijkend, telde 5.000, 5.000, 3.000, enz. Hij telde hoeveel hij kon verdienen, omdat als hij ons zou aangeven, 5.000 lire de beloning zou zijn voor een volwassen Jood en 3.000 voor een kind.
Vervolgens was daar 19 februari 1944, toen fascistische eskaders, afkomstig uit het Noorden, naar het getto kwamen om veel Joden te arresteren. Zij omsingelden opnieuw het getto en gingen, zoals de Duitsers, de huizen langs om mensen op te pakken. Mijn broers Marco en Lello werden door de aanhangers van de Republiek van Salò opgepakt. Lello lukte het te vluchten, terwijl Marco aan de Duitsers werd overgeleverd. Hij had proberen te vluchten, zij schoten op hem en raakten een been met een schampschot; vanaf dat moment heeft hij niet meer gesproken. Hij had een shock. Zij deporteerden hem naar Buchenwald. Hij is niet meer teruggekomen. Na het einde van der oorlog heeft het Internationale Rode Kruis ons geïnformeerd dat hij juist tijdens de bevrijding was gestorven. De Amerikanen waren al het kamp binnengegaan, maar alvorens te ontsnappen hadden de SS-ers hun mitrailleurs leeg geschoten en hem zwaar verwond: hij was zeer zwak en heeft het niet gehaald. Ze hebben ons thuis een brief gestuurd en ons het inschrijvingsnummer dat hij op zijn arm had, de naam van de begraafplaats waar hij in Duitsland werd begraven, laten weten.
Zij pakten mij ook op. Zij brachten mij naar de trattoria van sor Vincenzo in Via Sant’Angelo Pescheria, waar ze de Joden bijeenbrachten alvorens hen in de vrachtwagens te laden. Mij redde Guido, een fascistische vriend van ons, die mij kende, die mij geboren had zien worden. Hij liet mij doorgaan voor zijn zoon, waarbij hij woedend werd op de andere fascisten die mij hadden gearresteerd, en met zijn lidmaatschapskaart liet zien dat ook hij fascist was. Het lukte ons weg te komen en ik vluchtte naar Trastevere naar mijn getrouwde zus. Als je in die tijd niet de lidmaatschapskaart van de fascisten had, was je altijd in gevaar en mijn zwager was fascist geworden om een beetje meer rust te hebben en zijn gezin te beschermen. Ook mijn ouders kwamen vervolgens naar mijn zus, omdat er behalve gevaar ook veel ellende en honger was. Wij zijn daar gebleven tot juni ’44, toen de Amerikanen zijn gekomen en Rome hebben bevrijd.
- Wanneer hebt u de waarheid gehoord over hetgeen was gebeurd?
Toen wij nog een keer naar huis terugkeerden, hebben wij ons gerealiseerd dat in het getto veel van onze verwanten, buren en vrienden er niet meer waren. Van een mevrouw, die vervolgens mijn schoonmoeder is geworden, hadden ze 7 broers met hun respectievelijke echtgenotes en kinderen gedeporteerd.
Gedurende heel de oorlog dachten wij altijd dat ze hen naar Duitsland hadden gebracht om te werken, maar dat ze zouden terugkeren, mijn broer inbegrepen. Men wilde geen geloof hechten aan de geruchten die de ronde deden. Pas later zijn wij de waarheid te weten gekomen en deze hebben wij moeten accepteren. Uit het getuigenis van mensen die het gezien hadden, hebben wij begrepen dat in de dagen na 16 oktober een goederentrein vol Romeinse Joden, opeengepakt en opgesloten in de wagons, is vertrokken vanuit Stazione Tiburtina richting Auschwitz. De weinigen die getraumatiseerd zijn teruggekeerd, hebben ons bericht over de gruwelijkheden die ze hadden meegemaakt, het leed, het lijden, de vernietiging. Enkelen die bij de gaskamers en de verbrandingsovens hadden gewerkt, hebben verteld dat zij hun gestorven vader, moeder, broers en zussen in de ovens gestopt hadden. Dat is iets geweest dat het leven van allen op zijn kop heeft gezet, iets dat men niet mag vergeten.
(Verzorgd door Emanuela Furlanetto)
___________________
[1] Er zijn veel werken die de feiten van 16 oktober 1943 en de geschiedenis van de deportatie van de Joden van Rome hebben verteld en geanalyseerd, wij vermelden hiervan twee in het bijzonder, waarnaar wij bij het verwezenlijken van dit interview verwijzen: F. Coen, 16 ottobre 1943. La grande razzia degli ebrei di Roma, La Giuntina, Firenze 1993; G. Debenedetti, 16 ottobre 1943, Sellerio Editore, Palermo 1993.
![]()
“De rassenwetten van 1938 hadden vijfenveertigduizend Italiaanse burgers van wie de enige schuld was dat ze Jood waren, uit de maatschappij verbannen”. ... “De Romeinse Joden van het oude getto beschouwden zich vervolgens meer Romein dan de Romeinen zelf, omdat zij van oudsher daar woonden waar tweeduizend jaar
eerder hun verre voorouders zich hadden gevestigd”.
(F. Coen, 16 ottobre 1943...)
“Die 16de oktober was een zaterdag, de feest- en rustdag voor praktiserende Joden. En in het getto waren de meesten dit. ... De grote razzia begon omstreeks 5.30 uur… De SS ging huis na huis binnen en arresteerde hele families, die voor het merendeel nog in hun slaap werden verrast... Veel Romeinen werden die morgen... stomme getuigen van de razzia... en hoorden geschreeuw, oproepen, aanbevelingen en gesnik”. ... “Om 14.00 uur was de razzia voorbij. Er waren 1259 gevangenen: 363 mannen, 689 vrouwen, 207 kinderen...”. Na een onderzoek van de documenten werden 237 personen vrijgelaten. “Er waren 1022 Joden die voor deportatie werden bestemd”.
(F. Coen, 16 ottobre 1943...)
“Bij de dageraad van maandag 18 oktober werden de meer dan duizend gevangenen in vrachtwagens van het Collegio Militare naar het goederenperron van het spoor overgebracht. Op een doodlopend spoorwegstation stond sinds enkele dagen een konvooi, bestaande uit 18 beestenwagens. De gevangenen werden allen in de wagons gepropt: 50 of 60 in iedere wagen”. ... “Om 23.00 uur vrijdag 22 oktober kwam de trein na een vreselijke reis van 6 dagen en 6 nachten aan in Auschwitz-Birkenau. Men liet niemand uitstappen tot de volgende dag. ... Van het konvooi van 23 oktober was het percentage van degenen die onmiddellijk in de gaskamers terechtkwamen, 82% (839 op 1022)”.
(F. Coen, 16 ottobre 1943...)
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
08/11/2020