De statistische analyses over de Kerk in de landen van Noord-Europa schetsen aan het einde van een parabool die reeds in volle ontwikkeling is, een apocalyptisch scenario dat een vooraankondiging is van het verdwijnen ervan in een “globalisering van de onverschilligheid”, volgens een uitdrukking van de Belgische kardinaal Jozef De Kesel; een parabool die wordt gekenmerkt door een zeldzaamheid van roepingen van priesters en religieuzen, door een vermindering van een geregeld ontvangen van de sacramenten, de veroudering van de christelijke gemeenschappen en het voortschrijdend sluiten van kerken, een tendens die geen tekenen van herstel laat zien.
Statistieken bepalen echter niet de mate van het geloof van de christen, noch vangen zij de tekenen op die voor ons de motivatie zijn voor onze bescheiden, maar voortdurende pastorale inzet in de parochies van het bisdom Hasselt en Roermond.
Veelbetekenend zijn de verschillende gebaren van ondersteuning die vanwege de regelmaat ons verrassen, wanneer wij in overweging nemen dat het bijwonen van de zondagsmis afneemt en die gepaard gaan met berichten als: “Dank voor de mooie – en inderdaad pertinente – tekst over wie de Kerk is en wat haar plaats en rol was/is”; “ik zal deze tekst gebruiken voor mijn retraite”; “ik zie met belangstelling ook nog volgende artikelen tegemoet”.
Behalve deze uitdrukkingen moet de zorg naar voren worden gebracht van wie zich bevraagd voelt door minder stichtelijke aangelegenheden van de Kerk en niet alleen in de vreugde en de hoop, maar ook in het verdriet en de angst van de mensen van vandaag deelt: “Het is juist onze opdracht om uit te zoeken of we er zelf niets aan kunnen doen of het in de toekomst kunnen voorkomen. Ons antwoord op Jezus’ oproep: ‘Kom en volg mij’ kan niet anders dan ‘ja’ zijn. Hierin moet je keuzes maken”; “hoe is het zover kunnen komen? Wat kunnen we doen om het tij te keren?”. Bovendien brengt het zich vragen stellen ertoe tekenen waar te nemen die in de ogen van de wereld klein, maar zeker niet onbetekenend zijn voor de liefde voor de Kerk die zij tot uiting brengen.
Wat Antonio Gramsci oproept als de dynamiek van de mens op zoek naar verandering, die niet stopt ten overstaan van het pessimisme van het verstand, dat het optimisme van de wil lijkt te overheersen, en gelooft in de vermogens van de mens om de wereld te veranderen, geldt nog meer voor de christenen die er zich bewust van zijn dan wat de heilige Justinus de semina Verbi (zaden van het Woord) noemt – de stralen van de ene waarheid die de hoop op een nieuwe wereld voeden – in alle tijden worden gezaaid.
Dat hebben wij vastgesteld in onze contacten met de mensen van de parochies waar wij komen en die wij na de golven van de pandemie weer opnieuw zijn gaan bezoeken met onze boekpresentaties. Wij blijven onze artikelen per internet sturen en hierop volgen vaak woorden als: “Bedankt dat u mij herinnert aan de essentiële dingen van het leven”; “ik vind jullie website mooi en interessant”.
Bij de ontmoetingen merkt men het verlangen het eigen geloof in het evangelie te verdiepen. “Het evangelie is in de ware zin van het woord bron van humaniteit”, zoals kardinaal De Kesel schrijft, “het engageert ons in ons persoonlijk, familiaal en professioneel leven”, en men stelt vast dat de onrust van het hart alles behalve uitgedoofd is, omdat, zoals de heilige Augustinus zegt, “U hebt ons geschapen voor U en ons hart is onrustig. Totdat het rust vindt in U”.
Ook tastbaar is het verlangen naar een authentiek getuigenis van evangelisch leven ten overstaan van de maatschappij, een probleem dat de nieuwe generaties erbij betrekt, zoals een catechist in het blad van het bisdom Hasselt schrijft: “Jongeren vinden weinig voorbeelden of getuigenissen om naar op te kijken”.
Een van onze lezers onderstreept het gebrek aan geloofwaardigheid van het getuigenis:
“Wat doen we met de inhoud van de verkondiging, wanneer wij de rampzalige situatie van onze parochiegemeenschappen, van onze familiekring zien?... de onenigheid heerst. ‘Zie hoe ze elkaar liefhebben’ zegde men van de christenen, maar dat voorbeeld wordt niet gegeven!”.
Dit gebrek aan zichtbaarheid van een beleefd geloof als getuigenis van wat ons bezielt, stelt men vast in de afsluitende synthese van het synodale traject van de Belgische bisdommen. Bovendien onderstreept kardinaal De Kesel dat er een nauwe en onlosmakelijke band is tussen wat de Kerk in haar innerlijkheid beleeft, en wat zij naar buiten toe uitstraalt.
Mgr. Patrick Hoogmartens, bisschop van Hasselt, onderstreept in een reflectie in het bisdomblad, dat de Kerk “geroepen is zich altijd weer te vernieuwen onder leiding van de Geest en dankzij het luisteren naar Gods Woord”. Eigenlijk “is”, zoals een Belgische priester ons heeft geschreven,
“nadenken over de secularisatie en over de noodzaak ons geloof te verdiepen, zich herbronnen: twee verliefde harten... ofwel, het gaat om de persoonlijke liefdesrelatie met Jezus, onze Heer en Verlosser in het middelpunt te plaatsen”.
Een priester van Rwandese afkomst en actief in de pastoraal van een stad in België, blijft in zijn commentaar op het artikel Het ogenblik is gekomen dat Hij groter moet worden, maar ik kleiner stilstaan bij het gevolg dat deze passage uit het evangelie heeft in het leven van een christen:
“Ik heb zojuist het laatste artikel gelezen dat mij werd toegestuurd. Hartelijk dank dat jullie met mij dit schitterend geestelijk testament hebben willen delen. Men zegt dat een parochie het 50-jarig jubileum van het priesterschap van haar pastoor had georganiseerd. Hij had er meer dan 30 jaar doorgebracht. In de verschillende toespraken hebben zij hem bedankt voor alles wat hij in de parochie had gedaan, maar hem toch ook doen begrijpen dat zijn krachten aan het afnemen waren. Toen hij aan de beurt was, zei hij: ‘Mijn beste parochianen, jullie weten dat ik van jullie houd, mijn leven heb gegeven voor jullie, dit zal blijven doen tot mijn laatste druppel bloed’. ... Een parochiaan te midden van de menigte riep: ‘In plaats van uw laatste druppel bloed te geven zou u er beter aan doen ontslag te nemen’. Dit om te zeggen dat alleen wie begrepen heeft dat hij ten dienste van God staat en dat hij God niet moet overschaduwen, zich op tijd weet terug te trekken en zeggen zoals de wegbereider Johannes de Doper: ‘Hij moet groter worden, maar ik kleiner’”.
In deze open brief wordt de noodzaak benadrukt dat een opvoeder, of die nu leraar of ouder of priester is, aan het einde van het traject van de vorming aan de kant weet te gaan om de ruimte die de ander toebehoort, vrij te laten, opdat hij de verantwoordelijkheden neemt die hem toekomen en overgaat van een leven als adolescent naar een leven als volwassene. Een lezer wijst ons erop dat “het mogelijk is met opvoeding veel te veranderen”.
Het andere aspect dat naar voren komt, is dat van de breuk met de heersende mentaliteit die het eigen ego in het middelpunt plaatst, omdat, zoals paus Franciscus stelt,
“de eerste voorwaarde voor een christelijke vreugde zichzelf te decentraliseren en Jezus in het middelpunt te plaatsen is. Het is dezelfde dynamiek als de liefde die mij ertoe brengt buiten mezelf te treden, terwijl ik het goede van de ander zoek. De Doper is een model voor allen die in de Kerk geroepen zijn om Christus te verkondigen aan anderen: zij kunnen het alleen maar doen, wanneer zij zich losmaken van zichzelf en van de mondaniteit, niet door de mensen naar zich toe te trekken, maar door ze op Jezus te oriënteren”.
De kern van deze commentaren is het belang van getuige te zijn van het evangelie dat wordt verkondigt, door de inhoud van de verkondiging te belichamen en zichtbaar te maken. Door dit alles worden er aan ons vragen gesteld om op een steeds verantwoordelijkere wijze antwoord te geven, juist omdat wij ons in de tegenwoordigheid bevinden van het verlangen naar het Eeuwige dat ook in onze gebieden niet wil sterven.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
01/10/2022
