Overdenking van kard. Robert Sarah over de Veertigdagentijd
Kard. Robert Sarah, emeritus prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten, emeritus aartsbisschop van Conakry (Guinee), is geboren in het aartsbisdom Conakry op 15 juni 1945. Hij is opgegroeid in een moeilijk land, dat getekend is door het lijden en het martelaarschap van zeer veel priesters die de
boom van het geloof hebben geplant te midden van materiële en geestelijke woestijnen. Priester gewijd in 1969, wordt hij naar Rome gezonden, waar hij het licentiaat in de theologie behaalt aan de Pontificia Università Gregoriana en vervolgens in de Heilige Schrift aan het Pontificio Istituto Biblico.
Hij wordt tot aartsbisschop van Conakry gekozen in 1979 in de tijd dat Sékou Touré, een van de meest sinistere Afrikaanse dictatoren, nog aan de macht is. Zijn jonge leeftijd – wanneer hij de bisschopswijding ontvangt met vierendertig jaar is hij de jongste bisschop van de wereld en Johannes Paulus II geeft hem de bijnaam “Kindbisschop” – verhindert hem niet zich onmiddellijk te presenteren als een sterke verdediger van de rechten van zijn volk.
In 2001 benoemt Johannes Paulus II hem tot secretaris van de Congregatie voor de Evangelisatie van de Volken, een ambt dat hij tot 2010 vervult, wanneer Benedictus XVI hem benoemt tot president van de Pauselijke Raad Cor Unum om hem vervolgens tot kardinaal te creëren in het consistorie van 20 november 2010.
Op 23 november 2014 heeft paus Franciscus hem benoemd tot prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten.
![]()
Dikwijls wordt de Veertigdagentijd gereduceerd tot een tijd die gunstig is voor het lanceren van humanitaire campagnes om acties van broederlijk samen delen te stimuleren of een van de zoveel huidige vormen van onrecht aan te klagen. Maar zo wordt het risico de betekenis ervan te verdraaien groot, terwijl het moeilijk wordt niet te vervallen in moralisme, vooral in een tijd dat, zoals Benedictus XVI waarschuwde, “wij ons vaak angstig zorgen maken over maatschappelijke, culturele en politieke gevolgen
van het geloof, terwijl wij het voor vanzelfsprekend aannemen dat dit geloof er is, hetgeen helaas steeds minder realistisch is”.
Het bewustzijn dat dit misverstand vrij veel voorkomt, inspireert het mooie boek met overwegingen van kard. Robert Sarah over de Veertigdagentijd: En route vers Ninive (Op weg naar Ninive)[1].
Voor de auteur van het boek is de Veertigdagentijd de tijd waarin het volk van God, zoals Israël in de woestijn, zijn honger en dorst uitroept tegen de Mozessen van vandaag,
“tegen zijn bisschoppen en priesters niet om sociaal-politieke verhalen of pastorale brieven over de rechten van de mens en de moderne democratieën te vragen of om ‘de laatste nieuwtjes te aanhoren’ (Hand. 17, 21), maar om naar het laatste en definitieve Woord van Jezus en het onderricht van het leergezag van de Kerk te luisteren. Want er zal een tijd komen, en dat is die van ons nu juist, dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen, maar uit begeerte om te horen in groten getale meesters zullen zoeken naar eigen smaak, hun oren zullen sluiten voor de waarheid en zich zullen richten op sprookjes (vgl. 2 Tim. 4, 2-4)”.
Om deze reden stelt kard. Sarah een weg voor die opnieuw uitgaat van de kern van het geloof, ofwel van een verdieping van de kennis van de persoon van Christus.
“Het is een belangrijke, urgente en vitale plicht voor iedere christen het mysterie van God en het mysterie van Christus te kennen – zo zegt de kardinaal – en het is derhalve van kapitaal belang al onze energie, al onze intelligentie en alle vermogen van ons hart te mobiliseren om Christus te kennen en lief te hebben en zijn leven te leven door binnen te gaan in het mysterie van zijn dood en verrijzenis”.
De Veertigdagentijd moet dan ook vóór alles een bevoorrecht ogenblik zijn om te vorderen in de kennis van het mysterie van Christus, ware God en ware mens, in het bijzonder in het perspectief van de kénosis, de ontlediging van God die zich zo vernedert dat Hij zelfs de gestalte van een mens aanneemt en op het kruis sterft.
Aan de woorden van de heilige Ireneüs herinnerend, volgens wie God mens is geworden, opdat de mens God wordt, maakt kard. Sarah duidelijk dat de kennis van God de sleutel is voor een begrip van de mens en voor de opbouw van ieder authentiek humanisme:
“Het gaat erom te weten wat onze roeping als mensen is. Het is derhalve noodzakelijk dat wij weten wie God is. Met andere woorden, de zin van het leven is onze persoonlijke en intieme relatie met God, een relatie waardoor wij eeuwig zijn leven leven. Het christendom is in wezen de waarheid van een relatie van de mens met God”.
De waarheid van deze relatie onthult dat God zijn liefde niet meer laat zien door een theofanie of een profetische boodschap, maar door een menselijk aards bestaan in alles gelijk aan het onze, behalve de zonde. Verwijzend naar Kierkegaard, herinnert de kardinaal eraan dat het verbazend en ongehoord, opzienbarend en aanstootgevend is dat één enkele mens, opgesloten binnen de grenzen van de tijd, de ruimte, een taal en een cultuur, God is en dat een toevallig feit, dat een gebeurtenis van een dag zou kunnen zijn, dat wil zeggen de dood van Jezus van Nazaret, het absolute is, het zwaartepunt van heel de geschiedenis.
Knielen en aanbidden
Maar de kennis van het mysterie van Christus is geen onderwerp van speculatie. Men krijgt deze alleen maar in een intensief leven van contemplatie en diepe gemeenschap met God door middel van het gebed, dat juist een van de pijlers van de Veertigdagentijd is. Bidden is niet het herhalen van formules, “het is God bereiken met heel de waarheid van ons wezen. Het is ons blootstellen aan het licht van God, dat de duisternis van ons hart verdrijft. Bidden is in een houding van nederigheid en in aanbidding tegenover God staan”.
De meest authentiek menselijke daad is juist de aanbidding:
“Ten overstaan van deze immense manifestatie van Gods liefde voor ons, kan de schepping inderdaad niet anders dan zich verwonderen en op de knieën vallen en aanbidden. Iedere menselijke of geschapen toereikendheid wordt teniet gedaan. Heel de mensheid van gisteren, vandaag en morgen zal datgene zijn wat zij alleen moet zijn, als zij een houding
zal aannemen die haar ertoe zal brengen de knie te buigen voor de Heer van de heerlijkheid om Hem te aanbidden”.
Hieruit vloeit het belang van de stilte voort als uiterlijke voorwaarde en innerlijke houding. De stilte van het menselijk hart moet immens zijn zoals de woestijn, symbool van de Veertigdagentijd.
“Het gebed begint met respect voor God. Het ontwikkelt zich vervolgens door de verbaasde bewondering van de werken van God, schepper van hemel en aarde, en komt tot uitdrukking in een houding van aanbidding, stilte, concentratie, onbeweeglijkheid en inkeer. Religieuze verwaarlozing is het bewijs dat men de grootheid van God vergeet en men ervan afziet Hem de respectvolle aandacht te bewijzen die een eerbewijs van liefde is. Wij verstikken de Kerk in lawaai, onrust en middelmatigheid. Zoals de filosoof Emmanuel Mounier schrijft: heel het probleem van vandaag is authentieke daden te stellen, daden die geen onmiddellijke weerklank vinden, maar waarvan het onmogelijk is dat ze niet rijpen. En wat dat betreft, vereist een authentiek gebed erom de innerlijke stilte te vernieuwen en zoveel mogelijk de uiterlijke stilte te verzekeren”.
“Het gebed – zo preciseert de auteur – bestaat er niet in beslag op God te leggen, maar in het mogelijk maken dat God beslag op ons legt. Anders zal ons gebed onvruchtbaar zijn. Het is duidelijk dat een dergelijk gebed omstandigheden van stilte, inkeer en een grote innerlijke bereidheid, een diepe nederigheid en een onderdompeling in de heiligheid van God vraagt. Schreeuwen en ongepast lawaai maken ten overstaan van God is bijna onfatsoenlijk en zelfs aanmatigend. Het is derhalve dringend nodig de zin van het sacrale en het mysterie te rehabiliteren. Om te bestaan heeft de godsdienst het nodig een eigen ruimte voor zich te creëren. En het sacrale is een van de constitutieve dimensies ervan. ... De mens is alleen maar ten volle mens, als hij knielt voor God om Hem te aanbidden, om zijn verblindende heiligheid te aanschouwen en zich opnieuw te laten modelleren naar zijn beeld en gelijkenis”.
Kard. Robert Sarah waarschuwt:
“Onze liturgieën moeten sacraal zijn, waardig en van een hemelse schoonheid. Zij brengen ons inderdaad in de nabijheid van God. Wat zeg ik? Zij brengen ons in het gezelschap van God”.
_________________
[1] Robert Sarah, En route vers Ninive, Médiaspaul, Kinshasa 2011, 221 pp.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
15/03/2024
