Telkens als ik in Kameroen aankwam, was mgr. Jean Zoa altijd zo beminnelijk en vriendelijk mij voor de lunch in zijn residentie uit te nodigen.
Er is in mijn leven geen enkele keer geweest dat ik van een ontmoeting met mgr. Zoa terugkwam zonder gesticht te zijn.
Het werkwoord stichten wordt in eigenlijke zin gebruikt om, vooral bij het metselen, het werk van het opbouwen aan te geven.
In het evangelie wordt bijvoorbeeld degene die een hechte woning bouwt die winden en stormen weerstaat, omdat zij is gebouwd op de rots, geplaatst tegenover degene die bij de eerste windstoot of de eerste regen zijn bouwwerk in het niets ziet opgaan, omdat hij bouwt op zand.
De bisschop als leraar en herder
In deze letterlijke en evangelische zin was mgr. Zoa een bisschop die bij iedere ontmoeting je achterliet met de zekerheid dat hij in jou iets had opgebouwd.
Hij liet je niet achter, zoals je was vóór de ontmoeting die je met hem had. De conversatie met hem was altijd aangenaam en vermoeide je nooit. Tegelijkertijd was die echter nooit oppervlakkig of, zoals men pleegt te zeggen, gepraat in het luchtledige.
Hij liet je altijd een diep onderricht na, maar hij ondervroeg je ook in je diepste wezen over je handelen. Voor mij was de grootheid van mgr. Zoa onder andere gelegen in zijn vermogen iedere kwestie terug te brengen tot de Bijbels-theologische wortel ervan. Hierin was hij een ware leraar en herder.
Wanneer ik dacht aan mgr. Zoa, zijn mij altijd de woorden te binnen geschoten die kard. Giacomo Lercaro uitsprak gedurende de derde zitting van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie:
“Wij moeten terugkeren naar het ideaal van de spirituele bisschop, ‘die met God spreekt’ en die aan deze innerlijke ervaring de essentiële lijnen ontleent van een bestuur en onderricht die werkelijk in staat is vertolker te worden van een situatie, een tijdperk, een volk en zijn cultuur”[1].
Het is droevig, zeer droevig, wanneer men met bisschoppen werkt die, en dat merk je op kilometers afstand, niet “met God” weten “te spreken”. Bisschoppen van wie de pastoraal of wat zij zo noemen, niet voortkomt uit een diepe Bijbels-theologische reflectie. En deze reflectie is, waar die al mocht bestaan, alleen maar een koude academische uiteenzetting, die losstaat van de daad van het toevertrouwen van ons leven aan Hem die verder dan al onze pastorale programma’s en plannen gaat en deze overstijgt.
Een bisschop zou, zoals iedere priester, tegelijkertijd herder en leraar moeten zijn (wij hebben het hier niet over academische titels): herder leraar en leraar, omdat hij herder is.
In de persoon van de bisschop zou er, overeenkomstig de Persoon van Jezus, zoiets als een hypostatische eenheid moeten zijn
die in Jezus de eenheid tussen godheid en mensheid is.
In deze zin zou het leraar zijn moeten betekenen de wetenschap van de contemplatie en het daarmee doordringen tot het vlees geworden Woord van God. Het herder zijn zou daarentegen het volledig op zich nemen zijn van de toestand van lijden van iedere mens, het gaan naar de existentiële randgebieden van de mensheid om het lijden van alle onderdrukte en gekruisigde mensen op ons te nemen: de Heer heeft zich immers met hen geïdentificeerd en naar onze liefde vol medeleven voor hen zullen wij worden geoordeeld.
Denk er altijd aan, kleine Jean...
Op een dag vertelde mij mgr. Zoa een episode uit zijn leven, waaraan ik zeer vaak heb teruggedacht.
Als jonge priester was hij na zijn studie in Rome en een vruchtbare pastorale ervaring tot vicaris generaal van het aartsbisdom Yaoundé benoemd. Het was eind jaren ‘50 en het dekolonisatieproces in snel tempo voortschreed. Ook de Kerk bereidde zich voor op een volledig op zich nemen van de verantwoordelijkheid door de inheemse clerus en lekenstand.
In die tijd was mgr. René Graffin aartsbisschop van Yaoundé, een Spiritijnse pater, die eerst het immense apostolische vicariaat Yaoundé en vervolgens het aartsbisdom Yaoundé leidde van 1943 tot 1961, het jaar waarin mons. Zoa, pas 39 jaar oud, hem opvolgde.
Die dag vertelde mgr. Zoa mij over een Kameroense priester die door mgr. Graffin was ontheven van een prestigieuze taak zonder een nieuwe toewijzing te krijgen.
Daar het nutteloos was zich tot mgr. Graffin te blijven wenden met het oog op een nieuwe taak, begon deze priester zich met voordurende aandrang tot mgr. Zoa te richten.
Na een bepaalde tijd dacht deze er goed aan te doen zich te richten tot mgr. Graffin om de zaak van deze medebroeder van hem te bepleiten.
Hij ging met de aartsbisschop praten. Hij vond geen beter argument dan mgr. Graffin aan te raden deze priester niet een grote en prestigieuze parochie in de stad toe te wijzen, maar een kleine parochie in het woud, waar hij zijn ambt weer opnieuw kon uitoefenen te midden van gelovigen met minder pastorale eisen.
Mgr. Zoa – die als echte Afrikaan een zeer expressieve mimiek had, die erin slaagde de wezenlijke kern van een betoog te doen begrijpen met een veelbetekenende afwisseling van klanken, en dit ook wanneer hij sprak in het Ewondo, een mij onbekende
taal – sprong op en liet mij opnieuw die situatie die hij als vicaris generaal meemaakte, beleven.
Maar wat meer telt, hij sprak zo tot mij dat hij mij op dat ogenblik de kleine Jean deed voelen tegenover mgr. Graffin, de aartsbisschop van Yaoundé.
“Kleine Jean – zo begon mgr. Graffin – denk altijd goed aan één ding. Wij priesters zijn geroepen om te verantwoorden hoe wij het Lichaam en Bloed van Christus hebben liefgehad en beheerd. Op de dag van het laatste oordeel zullen wij verantwoording moeten afleggen aan de Heer over iedere druppel van zijn Bloed en ieder stukje van zijn Lichaam. Wel, kleine Jean, denk er goed en voor je hele leven aan dat Jezus zijn Bloed heeft vergoten voor alle mensen, voor het heil van allen zonder aanzien des persoons. Voor zijn ogen zijn er geen mensen van de eerste en tweede categorie; mensen uit de stad en mensen uit het woud. Nu iemand geen priester kan zijn op een plaats, omdat hij niet weet lief te hebben, en om geen andere redenen, kan hij dat ook niet op een andere plaats zijn”.
Ten overstaan van dat betoog, dat zo beslist en met een vanuit het hart komend elan werd uitgesproken, voelde mgr. Zoa zich alleen en alleen maar de kleine Jean.
Ook ik voelde mij heel, maar dan ook heel klein en was sprakeloos.
Carrièrezucht in de Kerk
Het was geheel waar. Hoe vaak worden er in de Kerk nuntiaturen, bisdommen, parochies, colleges, kerkelijke instituten enz. van meer of minder belang geacht.
Als paus Franciscus zo vaak de plaag van de carrièrezucht fel hekelt en de bisschoppen zelf uitnodigt de bisdommen waaraan ze zijn toegewezen, niet te zien als een springplank voor prestigieuzere taken of voor bisdommen die eens werden beschouwd als kardinaalszetels, dan wil dat toch iets zeggen.
Hoe vaak hebben wij dit superioriteitscomplex gezien.
Paus Franciscus heeft het probleem rigoureus aangepakt.
“De stijl van dienst aan de kudde – zo heeft paus Franciscus in een toespraak voor de nieuwe bisschoppen gezegd – moet die van nederigheid zijn, ook zou ik willen zeggen van soberheid en eenvoud. Laten wij, herders, alstublieft geen
mensen zijn met de ‘psychologie van prinsen’ – alsjeblieft – eerzuchtige mensen die met deze Kerk getrouwd zijn, in afwachting van een andere die mooier of rijker is. Maar dit is een schandaal! Niet in verwachting zijn van een andere mooier, belangrijker, rijker. Let erop dat u niet vervalt tot de geest van carrièrezucht! Dat is een kankergezwel! Niet alleen met woorden, maar ook en vooral met het concrete getuigenis van leven zijn wij meesters en opvoeders van ons volk. De geloofsverkondiging vraagt erom het leven te conformeren aan wat men onderricht. Zending en leven zijn niet te scheiden. ... Bij de kudde blijven. U bent de echtgenoten van uw gemeenschap, ten diepste verbonden met haar! Ik vraag u, alstublieft, te midden van uw volk te blijven. Blijven, blijven... Vermijd het schandaal van ‘een vliegveldbisschop’ te zijn!”[2].
Men kan geen bisschop zijn met steeds een koffertje in de hand, die zich vlot van het ene vliegveld naar het andere beweegt na van tevoren afspraken gemaakt te hebben waaraan hij zich nooit houdt. En wat erger is, hij stelt niemand op de hoogte van zijn nieuwe reisje, hij laat degene die op deze afspraak rekende, zelfs wachten als een sukkel.
Ik ben uitgegaan van de episode betreffende het gesprek tussen mgr. Graffin en mgr. Zoa.
Het lijkt mij zeer veelbetekenend voor een mentaliteit bij het besturen van de Kerk.
Er bestaan geen mensen en plaatsen van de eerste, tweede, derde... categorie.
Wij moeten ons bevrijden van dit kankergezwel van het zoeken naar de eerste plaats en eraan denken dat in de Kerk de enige, eerste ware plaats daar is waar men de armste broeders de voeten wast.
Uit deze spiritualiteit, praktijk en verkondiging zal de rest volgen, zoals de Heer zal willen...
_____________________
[1] R. La Valle, Fedeltà del Concilio. I dibattiti della terza sessione, Editrice Morcelliana, Brescia 1965, 444.
[2] Paus Franciscus, Toespraak tot de deelnemers aan het Congres voor de nieuwe bisschoppen, 19 september 2013.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
03/09/2022
