Sprekend over de Kerk vroeg de theoloog Hans Urs von Balthasar zich niet af “wat”, maar “wie” zij is. De Kerk is een persoon en
op het hoogtepunt ervan staat Maria, Dochter van Sion, Bruid van het Woord, Moeder van God. De Kerk is Maria en Maria is de Kerk.
In het streven om Maria te worden is iedere christen, iedere trouwe ziel Kerk en Bruid, zo onderstreepte van zijn kant de grote Franse theoloog de Lubac. Iedere gelovige moet zich ervan bewust zijn, Kerk te zijn. Juist daarom noemen de Vaders de Kerk immaculata ex maculatis, onbevlekt, ook al zijn haar leden vaak bevlekt door de zonde.
De ontelbare problemen en schandalen die haar lijken mee te slepen, de vlekken en rimpels op haar gelaat zijn onze eigen zonden en tekortkomingen. Daarom kan iedere authentieke hervorming van de Kerk alleen maar beginnen bij een persoonlijke bekering.
Vandaag betalen wij niet zelden de prijs ervoor dat wij naar de Kerk hebben gekeken vanuit numeriek en maatschappelijk en niet vóór alles uit mystiek oogpunt: de Kerk als geloofsmysterie, als eucharistie: de Kerk als Bruid van Christus, als Maria.
Christus is de Bruidegom. De trouwe ziel is de Bruid.
Maar in deze huwelijksmystiek, in deze innige eenheid is er geen enkele zweem van intimisme, van individualisme dat anderen wegjaagt. Zonder de Kerk kan men de Bruidegom niet ontmoeten. Wie denkt Christus te bereiken zonder de Kerk, bereikt Hem alleen maar om heel de verachting voor en het afwijzen van de Bruidegom te horen. En ook naderhand: wie niet de ontvangen gave beleeft, maar haar voor zichzelf houdt zonder haar in vreugde, enthousiasme en in werken te delen met de andere leden en de kleinsten en de armsten die daarop wachten, die zal onverbiddelijk van het hart van de Bruidegom weggejaagd worden.
De categorie van bruid is immers de categorie van de liefde, van de totaliteit, van de vrijheid: een vrouw is moeder als zij eerst bruid is, als zij in een relatie van wederkerigheid de bruidegom niet alleen haar lichaam, maar ook haar hart, haar innerlijkheid geeft. Maria ontvangt God en leeft van Hem; zij vindt in Hem haar vrede, haar vreugde, haar leven. Maria is de spiegel waarin zich alleen de schoonheid van God weerspiegelt, het vermogen om heel zijn gave te ontvangen. Zij is de schakel die de mens met God verbindt: zonder de vrijheid van deze vrouw zouden wij Jezus, het mens geworden Woord, niet kunnen hebben en evenmin de Kerk. In de huwelijksliefde hebben wij een uitwisseling van natuur tussen bruidegom en bruid. Op dezelfde wijze hebben wij in
de relatie van de Maagd met het Woord in hun huwelijksliefde de volheid van de uitwisseling tussen de natuur van God en de natuur van de mens.
Het Woord van God deelt de goddelijke natuur mee aan Maria, en Maria geeft aan het Woord de menselijke natuur. Daarom hebben wij in en met Maria de mogelijkheid van de vergoddelijking van iedere mens; ieder van ons is geroepen net als zij omgevormd te worden in het vlees van God. Door Dochter en Bruid van het Woord te zijn, kan Maria Moeder worden van het Woord, dat wil zeggen van Jezus, ware Zoon van God.
Maria werd door haar Zoon zelf verheerlijkt, toen Hij, sprekend over zijn moeder, die gewend was de woorden van God trouw in haar hart te bewaren (vgl. Luc. 2, 19.51), de diepe betekenis van haar moederschap openbaarde: “Gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden” (Luc. 11, 28).
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
28/05/2023