Brief aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Ik heb meermalen in mijn “Homilieën in de tijd van het Coronavirus”, die ik tot u iedere week in de laatste twee jaar heb gericht, een uitdrukking herhaald van paus Franciscus die mij fundamenteel leek om ons voor te bereiden op hoe het leven van de Kerk in de tijd na de pandemie zou zijn.
Dit is de uitdrukking van paus Franciscus:
“Wanneer wij uit deze pandemie komen, kunnen wij er beter of slechter uitkomen, maar nooit hetzelfde. Wij zullen niet meer kunnen blijven doen wat wij aan het doen waren en hoe wij het aan het doen waren. Nee, het zal heel anders zijn. Wij zijn geroepen tot de apostolische moed leven te brengen en van ons christelijk leven geen museum van herinneringen te maken” (vgl. “Homilieën in de tijd van het coronavirus”, nrs. 40 en 81).
Of wij min of meer uit deze pandemie zijn gekomen, is niet aan mij om te zeggen.
Zeker is dat de gezondheidstoestand van besmetting en dood door COVID-19 anders is dan die waarin wij gedurende twee jaar hebben geleefd.
Dat betekent echter niet dat wij minder oplettend moeten zijn, nonchalant moeten zijn, ermee op moeten houden met waakzaam en voorzichtig te zijn.
Ik wil in dezen het einde van de roman van Albert Camus, winnaar van de Nobelprijs voor literatuur, De Pest aanhalen.
Door middel van een reeks personages zoals artsen, priesters, gewone burgers, toeristen, journalisten en zelfs mensen die voortvluchtig zijn, heeft Camus de gevolgen en de menselijke reacties geschetst die een onverwachte en catastrofale gebeurtenis kan hebben voor het morele leven van een bevolking.
Ongetwijfeld heeft deze roman bij het publiek in de tijd van COVID-19 nogmaals een groot succes gekend.
Het lijkt mij belangrijk de conclusies van deze roman te onderstrepen om allen uit te nodigen niet naïef te zijn, maar verder
dan welke illusie dan ook de ogen open te houden en de les te leren die deze pandemie ons heeft gegeven.
Om volledig de conclusie van deze roman te begrijpen is het is noodzakelijk te weten dat de pest een ziekte is die wordt veroorzaakt door een microbe waarvan muizen de overbrengers zijn.
Dit is de verhelderend conclusie van de roman van Albert Camus:
“Toen hij immers de kreten van vreugde hoorde die opstegen uit de stad, herinnerde Rieux zich dat die vreugde altijd werd bedreigd. Hij wist wat de menigte niet wist en men in boeken kan lezen, ofwel dat de pestbacil nooit sterft of verdwijnt, dat hij decennia lang kal blijven slapen in meubels en was, dat hij geduldig wacht in kamers, kelders, koffers, zakdoeken en papieren en dat er misschien een dag zou kunnen komen dat de pest, als een rampspoed of les voor de mensen, zijn muizen zou wekken om hen te sturen om in een gelukkige stad te sterven”.
Een andere plaag met catastrofale gevolgen in heel de wereld is na de pandemie van COVID-19 gekomen: de oorlog in het hart van Europa, begonnen met de agressie tegen en de inval in de republiek Oekraïne, door het Rusland van Poetin.
Laten wij nu deze kwestie terzijde laten en terugkeren naar onze dierbare parochie Sagrado Corazón de Jesús.
Laten wij nu als uitgangspunt de reeds aangehaalde woorden van paus Franciscus nemen:
“Wij zullen niet meer kunnen blijven doen wat wij aan het doen waren en hoe wij het aan het doen waren. Nee, het zal heel anders zijn. Wij zijn geroepen tot de apostolische moed leven te brengen en van ons christelijk leven geen museum van herinneringen te maken”.
Deze uitdrukking stelt aan ieder van ons vragen, maar vooral aan mij.
Ik kan op geen enkele wijze blijven doen wat ik zoveel jaar heb gedaan, noch kan ik het blijven doen op de wijze waarop ik het heb gedaan.
Mijn tegenwoordigheid in de dierbare parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí moet veranderen en als deze niet ten diepste verandert, dan laat dat de onoprechtheid van mijn woorden zien, omdat ik in mijzelf woorden en daden scheid.
Als ik op dezelfde wijze waarop ik vóór de pandemie actief verder ga, betekent dit dat ik een bewaker ben geworden van een museum van herinneringen.
Voor allen, en derhalve ook voor mij, of ik dat nu wil of niet, komt de tijd om de wijze van tegenwoordig en actief zijn in de parochie te veranderen.
Ik heb zo vaak herhaald dat wij in het algemeen als ouders en opvoeders falen, wanneer wij te gehecht aan iets blijven dat wij hebben gedaan en dat wij met alle krachten liefhebben.
Er komt een tijd, en die tijd is voor mij gekomen, dat men moet weten langzaam te verdwijnen, opdat anderen de rijkdom kunnen uitdrukken van hetgeen zij in zoveel jaren van wachten hebben vergaard.
Het is juist dat vandaag Michele en de team van de hermanas aanwezig in Ypacaraí, hun verantwoordelijkheid ten volle op zich kunnen nemen, zonder dat mijn aanwezigheid hen verhindert hun zo vaak getoonde pastorale gevoeligheid, nederigheid en wijsheid te laten zien.
Vooral is het ogenblik gekomen dat wij allen begrijpen dat wij bepaalde waarheden niet kunnen blijven verkondigen, maar vervolgens, wanneer het moment komt om ze te beleven, ter zijde blijven staan met een bedroefd en vrij depressieve gezichtsuitdrukking, aanspraak makend op ik weet niet wat.
De Kerk is onze moeder, maar wij moeten nooit vergeten dat zij ook onze dochter is, het kind dat God ons in handen heeft gelegd.
De Kerk leeft, als wij willen dat zij leeft.
De Kerk sterft, als wij niets doen om haar te laten leven.
Dit hebben wij ervaren in de tijd van de pandemie, toen wij zoveel, verschillende vormen van samenwerking en deelname hebben doen ontstaan.
Wat fundamenteel blijft, is begrijpen dat wij niet meer kunnen blijven doen wat wij aan het doen waren en hoe wij het aan het doen waren. Wij moeten nooit vergeten dat wij niet geroepen zijn van ons leven een museum van herinneringen te maken.
Dat vereist, zoals paus Franciscus zegt, de apostolische moed leven te brengen.
Ik herhaal: opdat u groeit, is het noodzakelijk dat ik mijn vorm van tegenwoordigheid te midden van u verander en ik, als eerste daad, niet meer zoals eerder te midden van u tegenwoordig ben, te beginnen vanaf deze Palmzondag.
Zoals ik in deze twee jaar begonnen ben te doen, zal ik allen zonder iemand uit te sluiten altijd in mijn hart houden, vooral wanneer ik helemaal in mijn eentje voor de Eucharistie ga staan, daar waar het hart van Jezus allen kent, allen liefheeft en voor allen zijn leven heeft gegeven door te sterven aan het kruis.
Ik zal met zoveel vrienden blijven converseren door iedere dag te telefoneren en vooral in het gebed hen zeer nabij blijven die lijden en verdriet hebben.
Ik zal niemand vergeten en ik hoop dat er videoconferenties met de verschillende medewerkers en vrienden van de parochie georganiseerd kunnen worden.
Ik verlaat niemand. Ik vergeet niemand. Ik onttrek mij niet aan mijn verantwoordelijkheid.
Maar, en hier sluit ik af, het is precies het ogenblik dat, zoals Johannes de Doper zegt: “Hij groter moet worden, maar ik kleiner” (Joh. 3, 30).
En in dit “Hij”, u kunt er zeker van zijn, is heel het volk van Ypacaraí.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
![]() |
|
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
07/05/2022

