Afdrukken

 

Het leven als passie

 

Op 9 augustus gedenken wij de dood van Edith Stein, Theresia Benedicta van het Kruis, in het concentratiekamp Auschwitz. Het was 9 augustus 1942.

Heel haar leven was zij op zoek naar de waarheid en "ontdekte dan ook dat de waarheid een naam had: Jezus Christus", zei Johannes Paulus II in de preek bij haar heiligverklaring, toen hij de kenmerken van deze heilige naar voren bracht.

De boodschap die Edith Stein tot de mens van vandaag richt, is een synthese van haar existentieel zoeken: "Neemt niets als waarheid aan wat geen liefde heeft. En neemt ook niets aan als liefde wat geen waarheid bezit, het ene zonder het andere verandert in een leugen, een vernietigende leugen".

 

separador py

 

Tijdens de heiligverklaring van Edith Stein, copatrones van Europa, op 11 oktober 1998, zei Johannes Paulus II:

"In onze tijd is de waarheid vaak verwisseld met de opinie van de meerderheid. Daarnaast is er een wijdverbreide overtuiging dat men moet van de waarheid gebruik maken, zelfs tegen de liefde, of omgekeerd. Maar de waarheid en de liefde hebben elkaar nodig".

Passie voor de waarheid: onze tijd heeft het er duidelijk moeilijk mee. Het leven van Edith Stein is nochtans hierop gefocust. Meer nog, haar leven wordt een prachtige synthese tussen waarheid en liefde. Zo nodigt zij ons uit de diepste motivaties van ons zijn te herontdekken. Motivaties die ons bestaan zin en perspectief geven.

Op zoek naar de waarheid

Op 12 oktober 1891 ziet Edith het levenslicht in Breslau, het huidige Wroclaw in Polen, in een joods gezin. Met veertien jaar kent ze haar eerste existentiële crisis. Ze breekt met de religieuze traditie van haar familie, verlaat haar school en gaat op zoek naar iets nieuws. In Hamburg komt ze in de ban van Nietzsche's nihilisme. Zijn "dood van God"-idee betekent voor haar ook een praktische houding: ze wordt atheïste. Nadenkend over deze periode schrijft ze: "Volledig bewust van wat ik deed en met een vrije beslissing, stopte ik te bidden"[1].

Ze hervat met toewijding haar studies. Aan de universiteit wordt ze lid van de filosofische kring rond Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie. Daar valt ze op door haar kritische intelligentie en helder inzicht.

Het primaat van het zijn

Langs de weg van de filosofie gaat Edith langzaam de ontknoping van haar levensgeheim tegemoet. Enerzijds maakt ze gretig gebruikt

van haar filosofiestudies om haar hoogstaande intellectuele capaciteiten te ontwikkelen; anderzijds dwingen dezelfde filosofiestudies haar op een existentiële manier met vragen om te gaan die haar al jaar en dag bezig houden: "Hoe plan ik mijn leven? Waar vind ik God?". Het antwoord op deze vragen duldt geen uitstel meer. Ze vindt sporen die een voor haar feilloze richting aanwijzen. Ontmoetingen spelen in deze periode een cruciale rol. Bij het overlijden van een van haar vrienden, de filosoof Adolf Reinach, komt Edith sterk onder de indruk van zijn echtgenote. Het lijden van deze jonge weduwe wordt van binnenuit verlicht door geloofskracht en hoop. Deze ontmoeting wordt voor de studente van Husserl een fenomeen waarover ze reflecteert:

"Het was mijn eerste ontmoeting met het Kruis, mijn eerste ervaring van de goddelijke kracht die uitgaat van het Kruis en wordt aan degenen die het omarmen, medegedeeld".

Terwijl ze, eerder toevallig, de biografie van de heilige Teresa van Avila leest, komt haar ontdekking van het geloof als een persoonlijke relatie tot een hoogtepunt. Een lang proces wordt hier voltooid. Hier "eindigde de lange zoektocht naar het ware geloof". In Teresa van Avila ziet ze waarheid en liefde op een bewonderenswaardige wijze verenigd. Voortaan is haar levensmotto:

"Neemt niets als waarheid aan wat geen liefde heeft. En neemt ook niets aan als liefde wat geen waarheid bezit, het ene zonder het andere verandert in een leugen, een vernietigende leugen".

Ze vraagt het doopsel.

De tien jaar na haar opname in de Katholieke Kerk, geeft ze les en houdt ze voordrachten, gepassioneerd door de mens en zijn geschiedenis. Ze werpt zich in de strijd voor de emancipatie van de vrouw. Voor haar wordt het steeds duidelijker dat de bevrijding van de vrouw niet hetzelfde is als het claimen van haar volledige gelijkheid aan de man. Voor alles gaat het erom het eigen "genie" van de vrouw te doen oplichten en veilig te stellen: de essentiële kenmerken, de specifieke kwaliteiten en talenten van het vrouw-zijn. Deze zijn altijd van de orde van "liefde". De vrouw kan zichzelf vinden in het aanvaarden van de liefde en in het doorgeven ervan aan anderen. Het is in de orde van deze liefde dat haar waardigheid wordt gemeten. Een liefde die leidt tot ontvangst, beschikbaarheid en gratuitheid. Een liefde die aandacht kan schenken aan de ander voor wat hij/zij is. Zo is de vrouw, naarmate ze haar onvervreemdbare roeping beleeft, een origineel dieptebeeld van de relatie tussen de mens en God. Haar wezen getuigt van het primaat van de persoon; van het "zijn" op het "hebben"; van het "ontvangen", op het "doen".

Reeds sinds haar ontdekking van het geloof, wordt Edith geboeid door het contemplatieve leven in de Karmel. In 1933 – ze is dan tweeënveertig jaar – treedt ze in in het karmelietessenklooster van Keulen. Ze ontvangt de kloosternaam: Theresia Benedicta van het Kruis.

Voor haar betekent het kloosterleven geen wereldvlucht maar de meest intense manier om met de wereld verbonden te leven in God:

"Ik geloof dat hoe meer men naar de intimiteit met God aangetrokken wordt, des te meer moet men uit zichzelf treden, naar de wereld toe gaan om daar Gods leven te brengen".

Het is haar diepste overtuiging dat het leven in de Karmel het haar mogelijk maakt toe te groeien naar een perfecte synthese tussen leven en geloof. Op die manier wil Edith het primaat van "het zijn" herstellen en bevestigen: "De mensen in de wereld hebben niet allen nodig van wat wij hebben, maar vooral van wat wij zijn".

Het martelaarschap

En de weg van haar "zijn" ziet Edith nauw verbonden met de lijdensweg van het joodse volk tijdens de Tweede Wereldoorlog:

"Het is het kruis van Christus dat nu op de schouders van het joodse volk wordt gelegd... Al degenen die dit begrepen hebben, zouden klaar staan om het op hun eigen schouders te dragen in het belang van iedereen. Ik wilde het doen. Hij moest mij alleen de manier aanwijzen om dat te doen".

Om te ontsnappen aan de raciale wetten in Duitsland, verhuist ze van Keulen naar het karmelietessenklooster van Echt, in Nederland. Dit stadje zal voor altijd een speciale band hebben met Edith Stein. Daar immers heeft Edith in de Karmel geleefd van 1 januari 1938 tot op de dag van haar deportatie.

Op 2 augustus 1942 wordt ze, samen met haar zus Roze, ondergedoken in de Karmel, weggevoerd uit Echt, in Nederland en op transport gezet naar Auschwitz. "Kom, laten we gaan voor ons volk", zijn haar afscheidswoorden.

Een week later, op 9 augustus, komt ze om in de gaskamers.

Edith Stein begint haar spirituele zoektocht met de overtuiging dat er absoluut geen God bestaat. Als Theresia Benedicta van het Kruis eindigt ze haar zoektocht met het dragen van het kruis van die God die ze geweigerd had.

Ze zocht om te vinden, ze streed om te winnen, ze stierf om te leven.

Maurizio Fomini

 

 

__________________________

[1] De citaten zijn genomen uit Edith Stein, Aus dem Leben einer jüdischen Familie. Das Leben Edith Steins: Kindheit und Jugend, in Edith Steins Werke, VII, o.l.v. L. Gelber en P. Romaeus Leuven O.C.D., Verlag Herder, Freiburg im Breisgau 1985.

 

 

 

09/08/2020

 

Categorie: Missionaire en spirituele profielen