Afdrukken

 

Deel een

 

Missie en missies

In de Boodschap van 1969 staat een belangrijke terminologische verklaring. Ten opzichte van het verschijnsel dat de naam repatriëring van de missies in de missie zal krijgen, herstelt Paulus VI een specificatie van de termen. Hij legt het gebruik ervan uit als volgt:

“Wij gebruiken nu het woord missie in zijn specifieke en technische betekenis van internationale activiteit die wordt ontworpen en praktisch georganiseerd om de nog niet christelijke volken te evangeliseren door middel van het werk van mensen die zich hieraan wijden, hiervoor worden gekozen, opgeleid en met gezag gezonden, dat wil zeggen gekwalificeerd als ‘missionarissen’, die in het spoor van de apostelen het woord van waarheid verkondigen en nieuwe Kerken voortbrengen. Dat wil zeggen dat wij het nu hebben over missies in de eigenlijke zin van het woord”[1].

De stap is van aanzienlijk belang en wijst op een variëren en onzekerheid van de missiologische terminologie op dit historisch ogenblik.

Men begint immers met over missie te spreken en eindigt alsof men over missies heeft gesproken. Met andere woorden dat wil zeggen, men gaat van missie naar missies zonder nadere specificaties en zonder distincties te maken. Het lijkt bijna erop dat de missie van de Kerk wordt gereduceerd tot missies met het veronderstelde idee van verzet tegen hen die door de missies te reduceren tot de missie van de Kerk de missio ad gentes niet meer een eigen status toekenden.

Wij zullen op Redemptoris missio moeten wachten om weer een duidelijk onderscheid tussen missie en missies te vinden[2].

De Boodschap van 1970 is om twee redenen belangrijk: enerzijds preciseert zij het onderscheid tussen missie en missies en anderzijds legt zij de grondslag voor de relatie tussen evangelisatie en ontwikkeling.

Missie wordt gedefinieerd als de innerlijke noodzaak die voortkomt uit de ontologische dynamiek van de Kerk, uit haar drijfveer om te verspreiden, haar intrinsieke verantwoordelijkheid voor het meedelen van het geloof aan alle mensen.

Missies zijn daarentegen de bijzondere instellingen waarbij overeenkomstig de specifieke, traditionele zin de inspanning om het menselijk gebied uit te breiden voor de verkondiging van het evangelie op aarde wordt uiteengezet. Aan deze instellingen wordt de naam van katholieke missies gegeven[3].

Evangelisatie en ontwikkeling

Wat de relatie tussen missionaire activiteit en ontwikkelijking betreft, dient bovendien de term evangelisatie verhelderd te worden.

Onder evangelisatie verstaat men de specifiek religieuze handeling die gericht is op de verkondiging van het Rijk Gods, die in het ambt van de Kerk haar middel, in de opbouw van de Kerk zelf haar doel en in de heerlijkheid van God haar einde vindt[4].

De missionaire activiteit, zo gaat Paulus VI verder, is vóór alles gericht op de evangelisatie. Zij zou aan haar reden van bestaan niet beantwoorden, als zij zich zou verwijderen van de religieuze as die haar stuurt: het kerygma, het Woord van God, het evangelie, het geloof, de genade, het gebed, het kruis, de christelijke gewoonte: het Rijk Gods verstaan in zijn verticale, theologische, religieuze betekenis, dat de mens bevrijdt van de zonde, hem als hoogste gebod de liefde van God en als laatste bestemming het eeuwige leven voorhoudt[5].

“Onder ontwikkeling wil men – zo wordt in deze Boodschap gezegd – de menselijk, burgerlijke, tijdelijke ondersteuning van die volken verstaan die in contact met de moderne beschaving en de hulp die zij kan geven, een nieuw zelfbewustzijn vinden en naar een hoger niveau van cultuur, van welzijn gaan: om deze ondersteuning moet de missionaris zich bekommeren als een onontbeerlijke plicht”[6].

De definitie die Paulus VI geeft van ontwikkeling, lijkt een bepaald type cultuur en reeds vastgesteld model te veronderstellen. Het is een ongetwijfeld gedeeltelijke definitie, die als het ware onder invloed staat van een idee dat westerse modellen boven aan een hypothetische schaal van waarden plaatst.

Terwijl aan evangelisatie een “wezenlijke en bedoelde prioriteit” wordt gegeven, wordt aan ontwikkeling een “pastorale prioriteit” gegeven. Paulus VI onderscheidt drie ogenblikken van evangelisatie: vóór, gedurende en na. Hij neemt in ieder van deze drie ogenblikken het verband tussen evangelisatie en ontwikkeling waar.

“Men spreekt van pre-evangelisatie, dat wil zeggen het benaderen van de toekomstige christenen langs de weg van naastenliefde, hulp, voorbeeld, samenleven, aanwezigheid. Vervolgens spreekt men van dienst: waar het evangelie komt, komt de naastenliefde; het is een getuigenis, gelijktijdig met de evangelisatie, van de menselijke waarde ervan: ziedaar de scholen, de ziekenhuizen, de maatschappelijke zorg, de beroepsopleiding; het is de beloning die uiteindelijk komt na de evangelisatie, dat wil zeggen de nieuwe kunst van goed leven”[7].

Als de aan de missionaire eigen activiteit de evangelisatie en het planten van de Kerk is, dan moet men echter wel voor ogen houden dat de evangelisatie ook tot stand komt door middel van activiteiten die de tijdelijke en menselijke ontwikkeling ten doel hebben van de volken waarop zij gericht is.

De Boodschap van 1971 komt terug op het onderwerp van de relatie evangelisatie-ontwikkeling met belangrijke accenten die enkele vragen die konden voortkomen uit de voorafgaande Boodschap, beter preciseren. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen prioriteit van doelstellingen en pastorale prioriteit, maar er wordt eenvoudiger gezegd dat de “missionarissen nooit eraan hebben gedacht de liefde voor God te scheiden van de liefde voor de mensen, en nog minder de ene te stellen tegenover de andere”[8].

Verder onderstreept men dat

“zonder te pretenderen in te grijpen door geprefabriceerde modellen van beschaving voor te houden de herauten van de Blijde Boodschap aan ieder volk (met de verschuldigde trouw aan het erfgoed van de leer van Christus en het gepaste respect voor de verschillende culturen) hetgeen brengen waarvan zij geloven dat het ‘de enige, ware, hoogste interpretatie is van het menselijke leven in de tijd en over de tijd heen is: de christelijke interpretatie’. Zij geloven immers dat ‘Christus, die voor allen gestorven en verrezen is, door middel van zijn Geest aan de mens altijd licht en kracht geeft om te beantwoorden aan zijn hoogste roeping’. Zo wordt de evangelisatie door aan de edelste aspiraties van de mens te beantwoorden ook een gist voor de ontwikkeling”[9].

De correctie is voor de hand liggend. Er wordt niet meer gesproken over cultuur, maar er wordt terecht weer gesproken over culturen. Boven aan de ontwikkeling wordt niet meer de “moderne beschaving en de hulp die zij kan geven” geplaatst, maar de openbarende, bevrijdende en scheppende dynamiek van het licht en de kracht van de Geest van Christus, die gestorven en verrezen is voor alle mensen.

In de Boodschap van 1974 wordt de inhoud van de evangelisatie nog beter gepreciseerd. Evangeliseren wil zeggen het gebied en de graad van kennis en acceptatie van de persoon Jezus Christus en van zijn boodschap uitbreiden. Evangeliseren wil ook zeggen “de ruimten van de verzoening in gerechtigheid en naastenliefde uitbreiden”[10].

Paulus VI vindt het fundament van deze verzoening in de gerechtigheid en de liefde, in het feit dat dankzij het door God in Christus verrichte heilswerk Gods plan wordt verwezenlijkt, “opdat heel het menselijk geslacht het ene Volk van God vormt, zich verenigt in het ene Lichaam van Christus, wordt opgebouwd in de ene Tempel van de Heilige Geest”[11].

Daar wij met alle mensen één familie vormen, verplicht de broederlijke liefde ons ook tot de verzoening met de broeders en zusters van alle rassen, talen, culturen en levensomstandigheden. Dat verplicht ons op de eerste plaats hen te leren kennen, lief te hebben en met hen de goederen zowel van materiële als van morele en geestelijke orde te delen. Men kan immers niet een familie bedenken waarvan enkele leden sterven van de honger en andere leven in overvloed[12].

Conclusies

Het variëren van het taalgebruik keert terug in de Boodschap van 1975. Ten opzichte van hen die stellen dat “de tijd van de missies voorbij is”, benadrukt Paulus VI opnieuw dat “de missie, dat wil zeggen de verkondiging van het evangelie aan alle volken, niet achterhaald is”[13].

Wat dit betreft dient eraan herinnerd te worden dat pater Charles, een jezuïet uit de school van Leuven, stelde dat de missies van nature een voorbijgaande activiteit waren: wanneer de Kerk zichtbaar in heel de wereld opgebouwd zal zijn, dan zal men niet meer spreken van missies. De nieuwe Kerk zal de taak hebben het werk voor te zetten voor de bekering van de mensen die ondanks de aanwezigheid van de Kerk te midden van hen er nog niet toe behoren. Deze activiteit zou, hoe belangrijk ook, echter niet missionair zijn in de strikte zin van het woord[14].

Voor pater Schmidlin uit de school van Münster vormen de persoonlijke bekering en de stichting van de Kerk twee dimensies of aspecten van hetzelfde en ene doel van de missionaire activiteit; twee dimensies die respectievelijk individueel en maatschappelijk worden genoemd. Het planten en de uitbreiding van de Kerk kunnen eens tot een einde komen. De zending van de Kerk houdt echter niet op, maar gaat verder en streeft naar de voortgang van het christelijk geloof en de uitbreiding van het Rijk Gods[15].

Het geen onderscheid maken in de Boodschap van 1975 tussen missies en missie en de schijnbare verwisselbaarheid van de termen maken een verheldering van het probleem niet mogelijk en laten de mogelijkheid voor verschillende oplossingen open.

In de Boodschap van 1977 komt Paulus VI terug op de terminologische kwestie. Het wezenlijk aspect van de missie wordt gesteld in de zending ad gentes en het conciliedecreet wordt daar aangehaald waar het verklaart dat “het specifieke doel van de missionaire activiteit de evangelisatie en de stichting van de Kerk is bij de volken of groepen waar zij nog niet geworteld is”[16].

Wij hebben nog steeds niet een precies onderscheid tussen missie en specifieke missionaire activiteit.

Het trage proces van de receptie van het decreet Ad gentes zal opeenvolgende preciseringen vinden en komen tot uitvoerigere verhelderingen[17].

Het proces van vorming van canon 786 van het nieuwe Wetboek van Canoniek Recht zal de aandacht erop vestigen hoe het hoofddoel hiervan bestond in het definiëren van de eigenlijk missionaire activiteit als een specifieke activiteit binnen de wereldwijde missie van de Kerk, maar zonder dit uitputtend te doen[18].

Hierna zal Johannes Paulus II van zijn kant een onderscheid maken tussen pastorale zorg voor de gelovigen, nieuwe evangelisatie en specifieke missionaire activiteit, ook al geeft hij toe dat de grenzen niet nauwkeurig te definiëren zijn en dat het ondenkbaar is hiertussen barrières of waterdichte compartimenten te creëren[19].

Deze “verschillen in activiteit binnen de ene missie van de Kerk komen niet voort uit redenen die intrinsiek zijn aan de missie zelf, maar uit de verschillende omstandigheden waarin zij zich afspeelt”[20].

De verdieping en de ontwikkeling van deze verschillende en veranderlijke omstandigheden waarin de missie zich afspeelt, zal in de toekomst leiden tot nieuwe preciseringen en een steeds vollediger begrip van het probleem.

Emilio Grasso

 

 

_________________________

[1] Giornata missionaria mondiale 1969. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 192. De woorden missie/missies zijn in de tekst niet cursief gedrukt.

[2] Vgl. Redemptoris missio, 31-34.

[3] Vgl. Giornata missionaria mondiale 1970. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 196.

[4] Vgl. Giornata missionaria mondiale 1970. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 197.

[5] Vgl. Giornata missionaria mondiale 1970. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 198-199.

[6] Giornata missionaria mondiale 1970. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 197. Het woord cultuur is in de tekst niet cursief gedrukt.

[7] Giornata missionaria mondiale 1970. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 199.

[8] Giornata missionaria mondiale 1971. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 203.

[9] Giornata missionaria mondiale 1971. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 203-204. Het woord culturen is in de tekst niet cursief gedrukt.

[10] Vgl. Giornata missionaria mondiale 1974. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 222.

[11] Giornata missionaria mondiale 1974. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 223.

[12] Vgl. Giornata missionaria mondiale 1974. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 224.

[13] Giornata missionaria mondiale 1975. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 231. Het woord missie is in de tekst niet cursief gedrukt.

[14] Vgl. A. Wolanin, Teologia della missione, PUG, Roma 1994, 174-175.

[15] Vgl. A. Wolanin, Teologia della missione..., 179-181.

[16] Giornata missionaria mondiale 1977. Messaggio di Paolo VI, in ECM, 244; vgl. AG 6.

[17] Over het missionaire probleem na het decreet Ad gentes, vgl. P. Tihon, Des Missions à la Mission. La problématique missionaire depuis Vatican II, in “Nouvelle Revue Théologique” 107 (1985) 520-536; 698-721; vgl. E. Nunnenmacher, “Le missioni”- un concetto vacillante riabilitato? Riflessioni sulla dimensione geografica di un termine classico, in “Euntes docete” 44 (1991) 241-264; vgl. G. Collet, Teologia della missione o delle missioni? Osservazioni sull’uso di un termine controverso, in “Concilium” (it.) 35 (1999) 135-144.

[18] Vgl. J. García Martín, L’azione missionaria della Chiesa nella legislazione canonica, Ediurcla, Roma 1993, 63-67.

[19] Vgl. Redemptoris missio, 34.

[20] Redemptoris missio, 33. De woorden ene missie van de Kerk zijn in de tekst niet cursief gedrukt.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

11/10/2023

 

Categorie: Artikelen