Interview met Innocent Ouédraogo, een Afrikaanse missionaris in België

 

Innocent Ouédraogo is een priester, afkomstig uit Burkina Faso en geboren op 9 juli 1975 in Bobo Dioulasso Houet.

Hij is op 9 juli 2005 in Bobo Dioulasso gewijd en woont sinds 2009 in België. Na een jaar taalstudie in Leuven is hij begonnen pastoraal te werken. Vanaf 2011 is hij pastoor in Lummen in het bisdom Hasselt, in het gebied dat Vlaamstalig is en een Vlaamse cultuur heeft.

Op het ogenblik is hij pastoor-moderator van de pastorale eenheid Sint-Willibrordus Pelt, die bestaat uit vijf parochies.

Hij is onlangs benoemd in de priesterraad om daarbinnen in het bijzonder de priesters van buitenlandse afkomst te vertegenwoordigen.

De Gemeenschap Redemptor hominis is reeds verschillende decennia tegenwoordig en werkzaam in het bisdom Hasselt, waar zij in 1981 canoniek voor het eerst werd erkend door de toenmalige bisschop mgr. Jozef Maria Heuschen. Tegenwoordig werken wij samen met de huidige bisschop, mgr. Patrick Hoogmartens.

Het leek ons interessant derhalve de ervaring van deze nieuwe vorm van missie van het zuiden tot het noorden te verdiepen en samen te delen met een van haar hoofdrolspelers die in ons bisdom zelf woont. Zo hebben wij Innocent Ouédraogo in onze Gemeenschap en Studiecentrum in Zwartberg-Genk uitgenodigd.

 

 

  • U hebt ons recent ontvangen in uw vijf parochies waarvan u moderator bent, ter gelegenheid van de presentatie van onze publicaties over de pastoraal van de missionaire cultuur. Het was fijn elkaar weer te ontmoeten. U had immers de Gemeenschap Redemptor hominis al leren kennen in Afrika, in Burkina Faso, en ter gelegenheid van de presentatie en de animatie van onze missionaire publicaties hebt u met ons enkele herinneringen aan uw eerste ontmoeting met de Gemeenschap gedeeld. Zo hebben wij de wens tot uitdrukking gebracht een uitwisseling van ervaringen te hebben en deze te delen.

Ik heb inderdaad de Gemeenschap Redemptor hominis leren kennen in Burkina Faso, toen ik op het seminarie in Koumi in het derde jaar zat. In februari-maart 2003 kwam don Emilio Grasso met zijn assistente Maria Grazia Furlanetto, ook missioloog, bij ons om een reeks colleges over missiologie te houden. De titel van de zitting was “Trinitaire en christelijke grondslagen van de missie”.

Ik heb een bijzonder sterke herinnering aan don Emilio, die ons veel leerde op het terrein van de missiologie. Het was een geweldige ervaring. Verschillende door hem beargumenteerde stellingen in zijn colleges troffen mij in het bijzonder en blijven mij nog altijd bij in mijn ambt. Ik citeer er hiervan een uit mijn hoofd: “Zeg mij wat jullie christologie is, en ik zal jullie zeggen wat jullie missiologie is. Als Christus voor jullie de lijdende Dienaar is, zullen jullie een missie ten dienste van de mensen ontwikkelen; als voor jullie daarentegen Christus een hoofd, de Koning, de Pantocrator is, zoals de geschilderde icoon laat zien van Christus die op de troon van heerlijkheid is gezeten, zullen jullie ertoe neigen je te gedragen als hoofden en missie op te vatten als een macht en dit idee zelfs te gebruiken om anderen te verpletteren”.

Het is slechts een voorbeeld van zijn onderricht, maar een dat mij heeft doen begrijpen hoezeer de missie en de verhouding tot de mensen en de culturen die men ontmoet, wortelen in de christologie en de hiermee verbonden spiritualiteit.

  • Wij zouden graag uw geschiedenis en die van uw roeping leren kennen.

Mijn geschiedenis begint in Bobo Dioulasso in Burkina Faso, in een diep christelijk gezin. In het bijzonder heeft mijn moeder ons haar geloof doorgegeven en zij bad vaak met ons kinderen; ik ben de eerste van tien broers en zussen, die voor een groot gedeelte intussen volwassen zijn en van wie enkelen nog studeren.

Ik heb niet alleen de sacramentencatechese gevolgd in een parochie die in handen was van de paters “Missionarissen van Afrika” of Witte Paters, maar ik bezocht ook de katholieke bewegingen voor de jeugd en ik was misdienaar.

In het leven van mijn parochie van oorsprong is zo mijn verlangen ontstaan om priester te worden. Op de leeftijd van tien jaar ben ik op het Kleinseminarie van de Onbevlekte Ontvangenis van Nasso gegaan.

Op dit seminarie leerden wij, behalve studeren, te leven, in staat te zijn alles te doen, van kleine werken tot de belangrijkere, om autonome volwassenen te zijn, en bij deze dagelijkse vorming werden wij begeleid door priesters die ons vormden, en ook door twee Europese zusters.

Na de cyclus filosofie ben ik naar het Grootseminarie, St. Petrus Claver, van Koumi gegaan. In het derde jaar was er een jumelage voor onze studie met België, voor mij met de kleine parochie van Koersel-Stal, dankzij Missio (een katholieke organisatie, lid van de Pauselijke Missiewerken, die in België de missionaire solidariteit organiseert). Mijn foto is samen met die van de andere seminaristen via Missio nog vóór mij in België aangekomen, een land waarvan ik toen bijna niets wist.

Toen ik eenmaal priester was gewijd, kreeg ik het verlangen België en hen die mijn studietraject hadden ondersteund, te leren kennen. Ik heb dit aan pater Maurits Van Genechten van de Witte Paters voorgelegd, die na zijn dienst in Burkina Faso in mijn parochie van herkomst naar België was teruggekeerd.

Ik onderhield ook een briefwisseling met pater Antoon Tybergin, die toen pastoor was van de parochie van Koersel, de Belgische parochie die mij had gesteund. Pater Maurits en de parochie van Koersel gingen akkoord met een bezoek van mij om te bedanken en België beter te leren kennen. Deze beide paters zijn overleden: mogen zij rusten in vrede.

  • Wat is het vervolg hierna en uw traject in België geweest, wat voor een ontvangst hebt u gekregen en welke moeilijkheden bent u tegengekomen?

Ik ben voor het eerst in 2007 in België aangekomen en heb pastoraal dienstwerk verricht in het Franstalige gebied van Wallonië. Dat was voor mij een ontdekking. Het was voor mij de eerste keer dat ik mijn land verliet, dat ik het vliegtuig nam en in contact kwam met een werkelijkheid en cultuur die zo anders waren dan de mijne. Op kerkelijk niveau zag ik, ook al was er een beperkt aantal gelovigen die regelmatig de liturgiediensten bezochten en tot de sacramenten naderden, een sterke overtuiging van die weinigen, ondanks de sterk geseculariseerde omgeving.

De ervaring en de ontvangst die ik kreeg, waren goed.

Op het ogenblik van de beslissing van mijn pastorale toewijzing waren er uitwisselingen met mgr. Hoogmartens en mijn bisschop, mgr. Anselme Sanon van Bobo Dioulasso, van Burkina Faso, en het voorstel om in België in de pastoraal te werken, werd overeengekomen en ten slotte aanvaard.

Ook al is de ontvangst in België goed geweest, het heeft daarna niet aan moeilijkheden ontbroken.

De grootste moeilijkheid was de studie van de Vlaamse taal die een cultuur tot uitdrukking brengt: er is nederigheid nodig om te leren zoals een kind doet, het eigen comfort van de eigen taal te verlaten, te aanvaarden dat je niet onmiddellijk kunt uitdrukken wat je zou willen zeggen.

Dan was er de moeilijkheid om andere manieren van doen en handelen en communiceren met de ander te leren. Bovendien wordt in Afrika tegen de figuur van de priester anders aangekeken dan hier. Dat alles vroeg om een krachtsinspanning van aanpassing, maar ik kan zeggen dat de gelovigen je accepteren en bemoedigen, wanneer ze zien dat er in deze zin een werkelijke inzet is.

Er zijn ook mensen in de parochies die moeilijkheden maken en minder open zijn, maar uiteindelijk heb ik altijd tot mezelf gezegd dat ik me met allen moet bezighouden. De moeilijke mensen zijn misschien zij die meer hulp van mijn kant als priester nodig hebben.

(Verzorgd door Antonietta Cipollini)

(Wordt vervolgd)

 

 (Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

12/01/2020