Zorgen en vragen
Ook in het buitenland heeft het bericht weerklank gevonden dat in België de Vlaamse regering, die het Nederlandstalig gebied bestuurt, de katholieke Kerk heeft opgedragen snel ervoor te zorgen afstand te doen van de gebouwen voor de eredienst die zij niet gebruikt. Dat bericht verdient enige uitdieping.
Om het optreden van de staat in godsdienstaangelegenheden te begrijpen moeten wij teruggaan naar het annexeren van
Belgisch gebied door Frankrijk in 1795. In vervolg op de wetgeving betreffende religieuze zaken, die met de Franse Revolutie was opgekomen, werden kerken geconfisqueerd.
In 1801, toen Napoleon en Pius VII het concordaat tekenden, erkende Pius VII dat het katholicisme niet meer de staatsgodsdienst was, waarbij hij afstand deed van de kerkelijke goederen, en erkende de Franse staat dat het katholicisme de godsdienst was van het merendeel van zijn burgers. Zo was het toen mogelijk ook in België, dat toen Frans gebied was, de katholieke hiërarchie te herstellen en het Napoleontisch bewind nam de verplichting op zich de bisschoppen en de geestelijkheid te bezoldigen.
Toen de onafhankelijkheid was verworven, is in de grondwet van de Belgische staat van 7 februari 1831, hoewel zonder het concordaat te ratificeren, de inhoud ervan opgenomen en is de basis gelegd voor de relatie staat-Kerk, die de Kerk verbonden heeft met het wisselende lot van de politiek, en zo is men tot de huidige situatie gekomen.
De artikelen 19, 20 en 21 van de op dit ogenblik van kracht zijnde grondwet sanctioneren immers de vrijheid van godsdienst en artikel 181 bepaalt dat de federale staat zich belast met de financiering van de bedienaars van de eredienst, zoals pastoors, imams en rabbijnen. De uitgaven voor de gebouwen voor de eredienst (zoals kerken, moskeeën en synagogen) komen daarentegen grotendeels ten koste van de regio’s en gemeenten (80% voor monumentale kerken en 30% voor andere kerken).
In het Vlaams parlement heeft men begin oktober 2021 de criteria besproken om het onttrekken aan de eredienst van kerken die niet meer worden gebruikt, te bespoedigen en het hergebruik ervan voor niet-kerkelijke doeleinden te plannen, waarbij de gemeentelijke autoriteiten werd gevraagd de kwestie ter hand te nemen. Het plan van hetzelfde parlement is immers de financiering van de kerken door de burgerlijke autoriteiten te reduceren, gegeven het bijgestelde maatschappelijke belang van de katholieke godsdienst; men had in de “Conceptnota Een toekomst voor de Vlaamse parochiekerk” van 2011 immers opgemerkt dat “aan de wekelijkse mis ongeveer 250.000 Vlamingen, of 5% van de bevolking van Vlaanderen, deelnemen”.
In een interview, dat in 2017 aan een Vlaams tijdschrift werd gegeven, onderstreepte kardinaal De Kesel, nadat hij eraan had herinnerd dat de kerken geen eigendom zijn van de Kerk, maar van de gemeenten of van de kerkfabriek (een overheidsinstantie die de goederen van de parochiekerk beheert), en dat “de infrastructuur van de Kerk moet worden aangepast aan haar reële positie in de maatschappij. Wij kunnen niet alle kerken behouden”.
Op grond hiervan hebben de Vlaamse bisschoppen Handreikingen als bijlage bij de tekst van 27 juni 2019 betreffende de visie van de bisschoppen van België “Het kerkgebouw. Betekenis en toekomst” uitgewerkt, nadat zij in 2012 een bewijs van hun bereidheid om samen te werken hadden gegeven en reeds Handreikingen hadden geschetst om de sluiting van overbodige kerken te plannen.
Steeds marginalere katholieken
De huidige situatie van de spanning tussen het Vlaams parlement en de Kerk van Vlaanderen doet niets anders dan de
werkelijke rol die de Kerk in de maatschappij speelt, blootleggen; een rol die met de groeiende secularisatie aan maatschappelijke relevantie verliest, zodat de Kerk ook steeds minder een stem in het kapittel heeft wat betreft het beslissingen nemen op haar specifiek terrein, zoals ten opzichte van het buiten gebruik stellen van kerken.
De meest recente officiële gegevens, die door de Belgische bisschoppenconferentie in 2018 in het Jaarrapport “De Katholieke Kerk in België” zijn gepubliceerd, geven ons een beeld van de situatie waarin slechts 9,42 %, overeenkomend met 1.071.853 personen, praktiserend is, terwijl 56,76% van de bevolking zich katholiek noemt. De periode van COVID-19 heeft dit percentage nog meer gereduceerd, gegeven dat de praktiserenden behoorden tot de oudste lagen van de bevolking, die het meest door het virus werden getroffen.
Op grond van het Jaarrapport van 2018 was het aantal functionerende kerken 1746 in Vlaanderen en 2550 in Wallonië, terwijl de kerken die van 2012 tot 2016 aan de eredienst werden onttrokken, 75 waren. Volgens het Jaarrapport van 2019 werden er in 2018 31 aan de eredienst onttrokken; het Jaarrapport van 2020 telt er in de loop van 2019 26. In het totaal zijn er van 2012 tot 2019 132 kerken in heel het Belgisch gebied aan de eredienst onttrokken.
De spanning tussen staat en Kerk betreft, hoe dan ook, niet de noodzaak van een keuze tussen feitelijk noodzakelijke en overbodige kerken, maar de tijd van verwezenlijking: de Kerk wordt onder druk gezet om de lijst binnen een jaar vast te stellen.
Om deze doelstellingen te bereiken heeft de Kerk echter een eigen wetgeving en andere criteria die zij in acht moet nemen, ook om te vermijden dat haast leidt tot conclusies “die niet kunnen worden teruggedraaid”, zoals de Vlaamse bisschoppen zich in de Handreiking van 2012 hadden uitgedrukt. Het episcopaat zal dus alleen beslissingen nemen na de verschillende betrokkenen, niet in het laatst de parochiegemeenschappen, erbij betrokken te hebben; dit proces vereist meer tijd dan door de staat wordt verlangd.
De bisschoppen hebben niet alleen pastorale criteria voor de beoordeling, maar ook voor het naleven van “Het buiten gebruik stellen en het kerkelijk hergebruiken van kerken. Richtlijnen” van de Pauselijke Raad voor de Cultuur van 17 december 2018 en van de canonieke wetgeving, in het bijzonder de canones 1212 en 1222 van het geldende Wetboek van Canoniek Recht, die onder andere voorzien in een “niet-onwaardig gebruik” van een kerk die niet langer voor de goddelijke eredienst gebruikt wordt (een clausule die overgenomen zou moeten worden in de verkoopovereenkomst van het gebouw), het horen van de priesterraad, de toestemming van hen die wettig rechten op de kerk laten gelden, en mits het zielenheil er geen schade door leidt.
Bovendien verduidelijken dezelfde bisschoppen dat men bij het opnieuw bepalen van de bestemming van een buiten gebruik gesteld gebouw de symbolische betekenis ervan moet bewaren, een probleem dat voor moeilijkheden zorgt bij het vinden van kopers.
Van het “rijke roomse leven” dat Vlaanderen met een aanzienlijk aantal missionarissen en roepingen kenmerkte, zouden ontelbare gebouwen, gebruikt als museum, bibliotheek, school, hotel en ook sportcentrum voor skateboard, kunnen blijven.
Bij het buiten gebruik stellen van kerken komt nog het inzakken van het bijwonen van de godsdienstige vieringen, de steeds hogere leeftijd van de weinige praktiserenden, de voortschrijdende en snelle sluiting van kloosters, de zeldzaamheid van roepingen.
Is de Kerk onverwoestbaar?
Dit alles leidt er onherroepelijk toe zich de vraag over het overleven van de Kerk in deze streken te stellen. De particuliere
Kerken kunnen ondergaan: de belofte van de onverwoestbaarheid die Christus de Kerk in haar geheel deed, betreft niet noodzakelijkerwijs de particuliere Kerken, waarvan er al veel verdwenen zijn.
Zelfs daar waar het christendom zich voor de wereld opende en de Kerk werkelijk katholiek, ofwel universeel werd, bijvoorbeeld in het gebied van het huidige Turkije, is de Kerk gereduceerd tot minuscule resten.
Van dat glorieuze verleden zijn met uitzondering van weinige tientallen duizenden christenen alleen de archeologische getuigenis en de teksten in de bibliotheken overgebleven, terwijl bijna het geheel aantal kerken veranderd is in een museum, moskee, school, bibliotheek of graanschuur.
Als dat met de Kerken van Klein-Azië is gebeurd, dan is geen enkele Kerk veilig.
Derhalve kan het aandachtig bestuderen van de evolutie van de Kerk in België, die in weinig decennia gegaan is van het organiseren van alle aspecten van het leven – politiek, vakbonden, studie, vrije tijd, pers, medische zorg... – naar de huidige toestand van marginaliteit, de Kerken van andere landen helpen, die denken, zich daarbij misschien gruwelijk vergissend, dat zij daardoor niet zullen worden getroffen.
Volgens verschillende geleerden is de gouden tijd van de Kerk in België – tot de zestiger jaren van de vorige eeuw – die van een “cultureel christen zijn” geweest, een uiterlijke traditie die de christelijke identiteit bepaalde en tot op zekere hoogte is aangezien voor een spiritualiteit, overtuiging, keuze. Het socio-culturele element overheerste met andere woorden het persoonlijke. Wanneer met een groeiende secularisatie de windvlaag van de verandering is gekomen, is er de enthousiaste, en ook rancuneuze, verwoesting geweest van alles wat met religie werd verward, terwijl het alleen maar een menselijke traditie zonder wortels was, omdat zij zonder motiveringen en overtuigingen was.
Ten opzichte van een maatschappij die steeds allergischer werd voor alles wat herinnerde aan het gezag van een nog machtige Kerk, besloten velen niet te tonen dat ze gelovigen en leden van de Kerk waren: het betrof een beleven van het geloof in het verborgene, te midden van een massa onverschilligen, die werden beschouwd als “anonieme christenen”, dat wil zeggen mensen die, hoewel zonder het geloof te belijden, de waarden van het Rijk beleefden en daarom christenen waren zonder het te weten.
Deze “strategie” liet zich inspireren door de evangelische beelden van de desem en het zout, verborgen in het deeg, en
rechtvaardigde zich als noodzakelijke vorm van respect voor de autonomie van ieders geweten. Vandaar de vormen van spiritualiteit en de missionaire methoden die erop gericht zijn om een “zwijgende tegenwoordigheid” te realiseren: christenen moesten meer luisteren dan spreken, meer ontvangen dan onderrichten, meer leren dan prediken. Meesters gingen er prat op dat ze veranderd waren in leerlingen.
Let op een gemakkelijke bloei
Meer dan een debat over de geschiktheid om deze of die methode te volgen is evangelisatie vóór alles een kwestie van het hart in Bijbelse zin, niet van methode: zowel van het hart van degene die verkondigt, als van degene die de boodschap ontvangt. Het is een persoonlijk zich aansluiten dat door de Heer van ons wordt gevraagd.
Het christendom moet in iedere generatie opnieuw geboren worden: er is geen mogelijkheid van een natuurlijke continuïteit. Een christelijke omgeving kan gezonde personen helpen vormen, maar ook niet, omdat christen zijn afhangt van een onvervangbare persoonlijke instemming, die de mens altijd kan verloochenen na deze tot uitdrukking te hebben gebracht.
Uit de berichten die ons bereiken, weerklinkt een oproep tot waakzaamheid, bekering, armoede. Voor allen, ook in de zogenaamde missielanden – waar de herders zich vaak laten misleiden door een schijnbare overvloed aan roepingen of door de deelname van grote menigten aan parades en optochten die herinneren aan wereldse gebeurtenissen – geldt de les dat de Kerk overal kan uitsterven. En er blijven enkele vragen over: was de bloei die in het verloop van weinig jaren voorbij is gegaan zonder sporen na te laten, werkelijk een bloei? Is het statistisch-sociologisch gegeven voldoende om het mysterie van de Kerk te verklaren? Staat een Kerk die in armoede en de diaspora leeft, bewust van haar minderheidssituatie, niet dichter bij de gekruisigde Christus?
Het geloof is niet aangeboren en de Kerk zal in alle landen alleen maar overleven, als zij in staat is de Heer te herkennen, die zich aan haar niet presenteert in de vormen van wijsheid en het wonder van de macht, maar in die van de aanstoot en de dwaasheid van het kruis.
Maria Cristina Forconi - Michele Chiappo
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
17/11/2021