DRIE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR

 + Evangelie volgens Matteüs 18, 15-20

Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen

   Cuore mite e umile

         

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen. Maar luistert hij niet, haal er dan nog een of twee personen bij, opdat alles beruste op de verklaring van twee of drie getuigen. Als hij naar hen niet wil luisteren, leg het dan voor aan de Kerk. Wil hij ook naar de Kerk niet luisteren, beschouw hem dan als een heiden of tollenaar.

Voorwaar, Ik zeg u: wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat gij zult ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn.

Eveneens zeg ik u: wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen ‒ het moge zijn van het wil ‒ zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden”.

                

Waar christenen samenleven moet het er op een gegeven ogenblik en op een of andere manier toe komen, dat de een persoonlijk tegenover de ander spreekt over het Woord en de wil van God. Het is ondenkbaar, dat over de dingen, die voor ieder persoonlijk de belangrijkste zijn, ook niet broederlijk zou worden gesproken. Het is onchristelijk als de een welbewust tegenover de ander deze belangrijkste dienst niet bewijst. Wil het woord niet over onze lippen komen, dan moeten wij toch onszelf onderzoeken, of wij onze broeder niet inderdaad alleen zien in zijn menselijke waardigheid, die wij niet durven aantasten, en daardoor het belangrijkste vergeten, namelijk, dat ook hij, hoe oud hij ook mag zijn, hoe hoog zijn positie ook is en hoe belangrijk hij ook is, toch een mens is net als wij, die als zondaar om de genade van God roept, die zijn grote noden heeft evenals wij en die hulp, troost en vergeving nodig heeft net als wijzelf.

Het uitgangspunt, waardoor christenen met elkander kunnen spreken is, dat de een weet, dat ook de ander een zondaar is, die in al zijn menselijke grootheid verlaten en verloren is, als hij niet wordt geholpen. Dat betekent niet een kleinering van de ander of het hem ontnemen van zijn eer; veeleer wordt hier aan de ander de enige werkelijke eer bewezen, die de mens heeft, namelijk, dat hij als zondaar deel mag hebben aan de genade en de heerlijkheid van God, dat hij een kind van God is. Dit inzicht geeft aan het broederlijk woord de nodige vrijheid en openheid. Wij spreken elkaar aan vanuit de hulp, die wij beide nodig hebben. Wij vermanen elkander om de weg te gaan, die Christus ons wijst te gaan. Wij waarschuwen elkaar voor de ongehoorzaamheid die ons verderf is. We zijn zachtmoedig en we zijn hard jegens elkaar, omdat we weten van de goedheid en de ernst van God.

Hoe meer wij leren ons zelf het Woord door de ander te laten zeggen en ook scherpe verwijten en vermaningen ootmoedig en dankbaar te aanvaarden, des te vrijer en zakelijker komen wij te staan tegenover ons eigen woord.

De lichtgeraakte wordt altijd een vleier, en daarmee al gauw een kleineerder en kwaad-spreker van zijn broer. Maar de ootmoedige houdt zich bij de waarheid en bij de liefde. Hij blijft bij het Woord van God en laat zich daardoor tot de broeder brengen. Omdat hij niets voor zichzelf zoekt en vreest, kan hij door het Woord de ander helpen. Als de broeder in openlijke zonde valt, wordt de terechtwijzing onvermijdelijk, omdat ze door het Woord van God geboden is. De tuchtoefening in de gemeente begint in de kleinste kring. Waar de afval van het Woord van God in leer en leven de gemeenschap in het gezin en daarmee de gehele gemeente bedreigt, moet men het vermanende en straffende woord durven spreken. Niets kan wreder zijn dan die ‘zachtheid’, die de ander overlaat aan zijn zonde. Niets kan barmhartiger zijn dan de harde terechtwijzing, die de broeder van de weg van de zonde terugroept. Het is een dienst van de barmhartigheid, een laatste aanbod van echte gemeenschap, als wij alleen het Woord van God tussen ons laten staan, oordelend en helpend.

(D. Bonhoeffer, Leven met elkander)