VII ZONDAG VAN PASEN

 + Evangelie volgens Johannes 17, 1-11a

Vader, verheerlijk uw Zoon

   Glorifica tuo Figlio

      

In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en zei: “Vader, het uur is gekomen. Verheerlijk uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijken. Gij hebt Hem immers macht gegeven over alle mensen om eeuwig leven te schenken aan allen die Gij Hem gegeven hebt. En dit is het eeuwig leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus. Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen te doen. Gij, Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf en geeft Mij de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld bestond.

Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. U behoor­den ze toe; Mij hebt Gij ze gegeven en zij hebben uw woord onderhouden. Nu weten zij dat al wat Gij Mij gegeven hebt van U komt. Want de boodschap die Gij Mij hebt meegedeeld, heb Ik hun meegedeeld, en zij hebben ze aangenomen en naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd dat Gij Mij hebt gezonden.

Ik bid voor hen. Niet voor de wereld bid Ik, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt, omdat zij U toebehoren. Al het mijne is van U en het uwe is van Mij. Zo ben Ik in hen verheerlijkt. Ik blijf niet langer in de wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl Ik naar U toe kom”.

             

Bij onze zoektocht naar God, de oorsprong van onze heiligheid, kunnen we geen beter voorbeeld vinden dan Jezus Christus zelf. Maar zult u weldra zeggen, hoe kan Christus hierin ons voorbeeld zijn? Hoe kon Hij “God zoeken”, Hij was immers God zelf?

Het is waar dat Jezus God is, “ware God uit ware God, Licht uit ongeschapen Licht” (Credo van de mis), de Zoon van de levende God, gelijk aan de Vader. Maar Hij is ook mens; Hij is echt een van ons door zijn menselijke natuur. En wij zien Jezus Christus, als een held, zich werpen op zijn taak, in navolging van de heerlijkheid van zijn Vader. Dat is zijn oorspronkelijke aanleg. Laten we luisteren hoe Hij het in het evangelie zelf tegen ons zegt in eigen woorden: “Niet door mijn eigen wil laat Ik me leiden, maar alleen door de wil van Hem die Mij gezonden heeft” (Joh 5, 30). Hij bewijst de Joden dat Hij van God komt, dat zijn leer goddelijk is, omdat “Hij niet zijn eigen glorie zoekt, maar de eer van degene die Hem gezonden heeft” (vgl. Joh 7, 18). Hij zoekt dit zozeer dat “Hij geen zorgen om zichzelf heeft” (vgl. Joh 8, 50).

Altijd heeft Hij deze woorden op zijn lippen: “mijn Vader”; heel zijn leven was een magnifieke echo van deze uitroep: Abba, Vader. Voor Hem wordt alles terugbracht tot het zoeken van de wil en de glorie van zijn Vader. En hoe constant was deze zoektocht wel niet! Hij verklaart het zelf dat Hij daar nooit van afwijkt: “Ik altijd doe wat mijn Vader welgevallig is” (vgl. Joh 8, 29); op het uur van zijn laatste afscheid, op het moment dat Hij zich overgaf aan de dood, zegt Hij tegen ons dat Hij “het werk heeft volbracht dat zijn Vader Hem te doen heeft gegeven” (vgl. Joh 17, 4).

Als Jezus, als God, het doel van onze zoektocht is, was Hij als mens er het onuitspreekbare voorbeeld van, het enige voorbeeld waar we nooit onze blik van moeten losmaken.

(Z. Columba Marmion, God zoeken “Christus als ideaal van de monnik”)