Paliano “adopteert” een missionaris

 

Beste vrienden van Paliano,

Tot mijn grote vreugde heb ik opnieuw de eucharistie te midden van jullie kunnen vieren.

Na een lange reis, die begon, toen ik op zesjarige leeftijd van Paliano, waar ik ben geboren, vertrok om mij met mijn gezin te vestigen in Rome, ben ik teruggekeerd.

Na de lagere school ging ik naar het Seminarie van Rome. Ik deed het eerste jaar theologie aan de Università Lateranense, toen ik het seminarie verliet om te verhuizen naar een zone met barakken van de buitenwijk Alessandrino, waar don Emilio Grasso leefde en werkte. Zijn prediking, die opriep tot een evangelische inzet voor de armen, sloot onze dag af, die in beslag werd genomen met les te geven aan kinderen die om verschillende redenen niet aan de onderwijsverplichting voldeden (of die werden geparkeerd in de zogenaamde “differentiële klassen”), en met het tegemoet komen aan de duizenden noden van de gezinnen in de Borgata.

Het was einde jaren ‘60. Een tijd waarin de horizon van de Kerk er een was van een christendom als civitas fortificata (versterkte stad). De keuze voor de Borgata was de vrucht van het idee dat er aan de erfenis van het geloof uit het verleden intussen een einde gekomen was, dat het noodzakelijk was opnieuw te evangeliseren, “de bastions neer te halen” en daarheen te gaan waar de conflictsituatie, het verzet tegen of de onverschilligheid jegens de Kerk het grootst was, om een liefde voor de Heer in zijn zwakste en meest onterfde leden opnieuw te bevestigen.

Ik verliet de Borgata, toen de gemeente Rome die zone van barakken sloopte. Ik verhuisde met de kleine Gemeenschap, die zich intussen rond don Emilio had gevormd, naar twee verlaten kloosters in Umbrië om vervolgens samen met andere vrienden naar Nederland te vertrekken.

De missie

Het was het ogenblik van de missie, van het de open zee opgaan, in een geheel nieuwe situatie van volledige polarisatie, van openlijk protest tegen de institutionele Kerk van Rome door een steeds meer ontkerstende maatschappij en cultuur.

Ik werkte als arbeider aan een lopende band en vervolgens als timmerman. In de tussentijd beëindigde ik mijn studie theologie aan de Università Lateranense met een proefschrift over Hans Urs von Balthasar die de hoogste erkenning kreeg: summa cum laude. Vervolgens zat ik in Nederland gedurende een jaar op het seminarie van Rolduc, waar ik priester werd gewijd. Na een periode als onderpastoor werd ik tot pastoor benoemd in de stad Heerlen en vervolgens in die van Roermond.

“De breuk tussen evangelie en cultuur is ongetwijfeld het drama van onze tijd”[1]. Het ging erom de kracht van het evangelie in het hart van de culturen te brengen, het evangelie hierin zich te laten belichamen en daarbij de culturele elementen ervan welke onverenigbaar zijn met het geloof en het christelijke leven te overwinnen en de waarden ervan op te heffen tot het mysterie van het heil dat van Christus komt[2].

In de confrontatie tussen evangelie en cultuur brachten wij onze ervaring in. Vooral in een situatie van polarisatie en sterk cultureel contrast was het noodzakelijk dynamisch het diepe idee van de Borgata te incultureren.

Wij voegden aan de pastoraal initiatieven op het gebied van uitgaven toe: het blad “De Sprong”, vervolgens het blad “1%” en het tijdschrift “Reflecties”. Het proces van de ontkerstening ging verder, daarbij vergemakkelijkt door gewaagde vernieuwingen, die door de liturgie, nog voordat het Concilie zijn hervormingen ten einde bracht, begonnen waren, en dit overviel ieder aspect van het kerkelijk leven. Het was de geboorte van de pastorale werkers, die geheel onafhankelijk waren van de bisschoppen; de protestbeweging “Acht Mei”, die als een parallelle Kerk die tegenover de institutionele Kerk van de door Rome gekozen bisschoppen stond, en was ontstaan aan de vooravond van de reis van de heilige Johannes Paulus II naar Nederland; een liberale, onafhankelijke theologische school, die veel punten van de leer van de Kerk bekritiseerde, vooral de seksuele moraal betwistte. Dit alles ging gepaard met hetgeen von Balthasar “het anti-Romeinse complex” noemde, dat alles wat van Rome kwam, verwierp.

De grote welvaart die was begonnen, stelde toen iemand in staat op een vrij onafhankelijke manier van de anderen te leven, en dit bracht een sterk individualisme voort, dat gepaard ging met een praktisch, antropocentrisch atheïsme, een ostentatieve religieuze onverschilligheid en een opdringerig hedonistisch materialisme, die het geloof marginaliseerden als iets wazigs, zonder consistentie of culturele relevantie. In de context van een op grote schaal ontkerstende cultuur deden de criteria van oordeel en keuze die werden aangenomen door een aanzienlijk deel van de katholieken, zich vaak voor als vreemd of zelfs tegengesteld aan die van het evangelie.

De tijd van de zekerheden van een gevestigd christendom, een gewoon beheer van een erfenis uit het verleden was voorbij. Wij bevonden ons in het hart zelf van de missie.

De diepste religieuze crisis van dat ogenblik bestond niet in het voortschrijden van een ontkerstening, van een laïciteit zonder of tegen God, van een afgewezen en een bestreden christendom, van de dictatuur van het relativisme, die niets als definitief erkende; maar uit een diepe geloofscrisis die de belangrijkste beginselen van ons credo: de Drie-eenheid, de menswording, de verlossing, het eeuwige leven betrof. En wanneer het geloof minder wordt, wordt de Kerk gereduceerd tot een NGO, een filantropische instelling, een folkloristische vereniging. Deze situatie is van jaar tot jaar steeds erger geworden.

De Kerk – zo heeft onlangs de primaat van Nederland, kardinaal Willem Jakobus Eijk verklaard – “is terechtgekomen in een van de diepste geloofscrises van haar geschiedenis en bevindt zich vandaag niet in de beste positie om het geloof aan de maatschappij door te geven”[3]. “In een niet verre toekomst zal de Kerk in Nederland zeer klein zijn. ... Ik ben veel kerken aan het sluiten, misschien een derde van de kerken in het aartsbisdom Utrecht zal vóór 2020 worden gesloten en twee derde vóór 2025. Wij zullen misschien in staat zijn twintig parochies te handhaven, met ieder misschien één of twee kerken, terwijl er in de jaren zestig er bijna vierhonderd waren: een enorme vermindering”[4].

In 1994 verliet ik Nederland om naar mijn vrienden van de in Borgata ontstane Gemeenschap te gaan die zich in Kameroen bevonden.

De ondersteunigsgroep

Vóór mijn vertrek kwam ik in Paliano langs om jullie te begroeten.

Ik wist dat de pastoor, don Franco Proietto, net begonnen was op afstand de kinderen van Eritrea te adopteren. Toen stelde ik hem voor: “Waarom adopteren jullie mij ook niet?”.

Don Franco accepteerde onmiddellijk samen met zijn parochie De heilige Apostel Andreas het voorstel en verplichtte zich mij te adopteren. Mario Romani organiseerde de ondersteuningsgroep en een twintigtal mensen stortte iedere maand een vast bedrag, dat Mario mij deed toekomen.

Dankzij jullie edelmoedigheid, jullie trouw aan de verplichting die jullie op je hebben genomen, heb ik maand na maand al die jaren in Kameroen kunnen leven.

Jullie hebben het missionaire karakter dat iedere christen moet beleven, begrepen en concreet beleefd. Jullie zijn verder dan jullie kleine wereld, jullie familie gegaan en via mij hebben jullie de verste dorpen van Afrika bereikt!

Het was het ogenblik waarop de Italiaanse Kerk op het Congres van Palermo in 1995 ontdekte dat een simpel behoud van het bestaande niet meer voldoende was, maar dat het middelpunt en het hart van de pastoraal de missie was. “Onze tijd is er niet een van het simpel behoud van het bestaande, maar van de missie. Het is tijd opnieuw en vóór alles Jezus Christus, het middelpunt van het evangelie, voor te houden”[5].

Het was niet voldoende beschermd binnen het christendom te leven: het was noodzakelijk het geloof te incultureren, dat niet alleen iets intiems en persoonlijks was, maar ook iets sociaals, historisch en gemeenschappelijks.

Niet meer een pastoraal van het behoud, maar een pastoraal van de verkondiging en het getuigenis van het geloof. De missie “vernieuwt de Kerk, versterkt het geloof en de christelijke identiteit, geeft nieuwe geestdrift en nieuwe motivatie. Het geloof wordt krachtiger, als het aan anderen gegeven wordt”[6].

Afrika werd vergeleken met de man die van Jeruzalem naar Jericho afdaalde, die in de handen van rovers viel die hem plunderden, hem mishandelden en aftrokken, hem halfdood achterlatend. Afrika is een continent waar talloze menselijke wezens – mannen en vrouwen, kinderen en jongeren – op de een of andere wijze uitgestrekt liggen aan de rand van de weg, ziek, gewond, machteloos, gemarginaliseerd en in de steek gelaten[7]. Men kon niet voorbijgaan en hen negeren.

Door middel van de brieven die ik regelmatig stuurde en die in de kerk aan de gelovigen van de parochie werden voorgelezen, hielden wij niet alleen contact met elkaar en bracht ik jullie op de hoogte van het leven van de missie, maar wij hielpen elkaar ook in een reflectie van verdieping over en zoeken naar de diepe en theologische redenen van de missie. Een reflectie die altijd uitging van concrete gezichten, van personen die men ontmoette.

De missie van de Kerk is Christus verkondigen, de gewetens vormen, een beroep doen op de persoonlijke en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om de culturele aspecten te veranderen die tegengesteld of vreemd zijn aan de christelijke waarden. De missie is er niet om zichzelf te verwezenlijken of omdat men er behoefte aan heeft goede werken te doen om zich goed te voelen.

De bron van de missie is gelegen in de overvloedige, belangeloze, vrije, niet vereiste liefde binnen de Drie-eenheid, die zich ad extra openbaart in de ervaring van het om niet bemind te zijn, toen wij het niet verdienden. Om deze immense liefde van God voor ons te vergelden hebben we behoefte aan de ander met dezelfde liefde lief te hebben.

De gemeenschap en de solidariteit in de Kerk hebben het opheffen van iedere afstand en ieder verschil mogelijk gemaakt om aanwezig te zijn en met jullie edelmoedigheid degenen te bereiken die er het meest behoefte aan hadden, die jullie in hun persoon de lijdende en behoeftige Christus hebben laten ontmoeten. Ik was en werkte niet als een individu op mijzelf. Ik was lid van een Gemeenschap, een zoon van Paliano, door jullie inzet verbonden met jullie.

Achille Romani

(Wordt vervolgd)

 

 

_________________________

[1] Paulus VI, apostolische exhortatie Evangelii nuntiandi, 20.

[2] Vgl. Johannes Paulus II, postsynodale apostolische exhortatie Pastores dabo vobis, 55.

[3] https://www.tempi.it/olanda-chiesa-eijk-dio-vive-in-olanda/?refresh_ce

[4] W.J. Eijk, Dio è morto in Olanda (ma non per i giovani e gli adulti convertiti), https://www.tempi.it/dio-e-morto-in-olanda-ma non-per-i-giovani-e-gli-adulti-convertiti/?refresh_ce

[5] Johannes Paulus II, Toespraak tot de Italiaanse Kerk ter gelegenheid van de viering van het Kerkcongres (23 november 1995), 2.

[6] Johannes Paulus II, encycliek Redemptoris missio, 2.

[7] Vgl. Johannes Paulus II, postsynodale apostolische exhortatie Ecclesia in Africa, 41.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs.H.M.G. Kretzers)

 

 

15/01/2022