Op 16 februari 2022 bracht het dagblad “La Stampa” van Turijn uit de Verenigde Staten het bericht over een priester die zijn ontslag had ingediend, omdat hij duizenden doopsels op de verkeerde wijze had toegediend. Hij had immers gedurende twintig jaar de gelovigen van zijn parochies gedoopt en daarbij een verkeerde formule gebruikt: “Wij dopen je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest”. Een bijna alledaagse fout, maar voldoende om het sacrament ongeldig te maken. “Het probleem met het gebruik van ‘wij’ – heeft de bisschop van het bisdom Phoenix uitgelegd – is dat het niet de gemeenschap is die iemand doopt, maar Christus, en Hij alleen, die bij alle sacramenten voorgaat en het derhalve Christus Jezus is die doopt”.

Het probleem van de vervanging van het persoonlijk voornaamwoord wij in de plaats van het persoonlijk voornaamwoord ik is een fundamenteel en onvermijdelijk probleem voor het geloof van de Katholieke Kerk en dientengevolge voor de pastorale praktijk.

Vanuit filosofisch standpunt bezien betreft het het probleem dat reeds door Heidegger wordt gesteld, wanneer hij een onderscheid maakt tussen authentiek taalgebruik en anoniem taalgebruik. Voor Heidegger drukt men zich in een authentieke taalgebruik, dat een onthulling van het wezen is, in de eerste persoon (ik) uit, terwijl men zich uitdrukt in een anoniem taalgebruik, dat de niet authentieke vorm is van een linguïstische uitdrukking die alleen maar onsamenhangende kletspraat met het onpersoonlijk voornaamwoord “men” wordt (men zegt, men doet...). Ook het algemene wij, waar het probleem om draait, wordt gereduceerd tot een onpersoonlijke vorm waarbij wij allen er zijn en er niemand is.

Onlangs heeft bij een interview met de nieuwe prior van het klooster van Bose, br. Sabino Chialà, de interviewer Daniele Rocchetti, gevraagd: Wat betekent als monnik af te rekenen met de broosheden die wij doormaken? Hoe moeten wij ons geestelijk en menselijk toerusten om ons niet eronder te laten krijgen?

“Precies dat wat het voor ieder menselijk wezen betekent – heeft de prior van het klooster van Bose geantwoord – . Vaak denkt men aan monniken als aan sterkere en beter uitgeruste wezens. Vervolgens komt om de een of andere reden onvermijdelijk het verbreken van de betovering. Een even pijnlijke als vruchtbare ervaring. Het is een beetje onze verantwoordelijkheid dat wij hebben doen geloven dat wij minder kwetsbaar dan de anderen zijn. Het is een beetje een beeld dat ons is opgeplakt door wie naïef in ons een vastigheid zoekt waaraan men zich kan vastklampen, waarin men onvoorwaardelijk kan geloven, een houding die soms grenst aan afgoderij. Ik zal nooit de reactie van een gast vergeten die, terwijl ik sprak over de broosheid die ook wij monniken ervaren, van zijn stoel opsprong en met een geweldig lijden uitriep: ‘Genoeg! Ik heb al genoeg aan mijn eigen broosheid! Van u verwacht ik kracht!”’.

Deze gesprekspartner had al zijn eigen problemen, zijn eigen broosheid. Hij zocht een steunpunt, een ik dat de moed had van een authentiek taalgebruik dat hem toestond te denken dat men uit de anonimiteit kan treden, uit onsamenhangende kletspraat die zich uitdrukt in een onpersoonlijke vorm.

Zeker, hij had het niet nodig om helemaal naar Bose te komen om weer geconfronteerd te worden met zijn eigen problemen.

Lucetta Scaraffia heeft in het commentaar op het interview van paus Franciscus dat hij gaf in de uitzending “Che tempo che fa” van het Italiaanse televisiekanaal RAI 3, geschreven:

“Bergoglio heeft zich gepresenteerd als iemand die heel veel lijkt op al de anderen, iemand als wij. Iemand die bang is voor de eenzaamheid, die als kind slager wilde worden om rijk te worden, die als kind de tango danste, die weinig naar de televisie kijkt en ervan overtuigd is dat een beetje humor ertoe helpt om beter te leven. ... Ook al stelt zijn gemaakte middelmatigheid ons gerust en komt zij sympathiek op ons over, dan kunnen wij niet ontkennen dat zij iedere hoop doet verdwijnen in hem een gids te vinden, iemand die beter is dan wij en ons langs de wegen van een geestelijk reveil weet te leiden, die ons helpt de angst voor de dood het hoofd te bieden en de zin van het leven te begrijpen. Als wij ons fragmenten zonder waarde voelen in de oneindigheid van ruimte en tijd, zouden wij iemand willen ontmoeten die ons uitlegt wie wij zijn, waar wij heen gaan, en niet iemand die ons min of meer zegt ‘ook ik ben even bang als jij!’”.

Maar waar is deze gids te vinden?

Wij mogen niet vergeten dat wij kinderen zijn van een tijd die ten diepste de lucht heeft geademd van degenen die Paul Ricoeur de meesters van de achterdocht heeft genoemd.

Marx heeft gezegd dat de godsdienst de opium van het volk is. Nietzsche heeft de dood van God verkondigd en Freud heeft geleerd de godsdienst te wantrouwen, omdat hij verwrongen gewetens en schuldgevoelens voortbrengt. Door zo te doen hebben zij de gelovigen vragen gesteld over de zin van hun geloof.

“Het geloof is een persoonlijke daad: het vrije antwoord van de mens op het initiatief van God, die zich openbaart. Maar het geloof is niet een op zichzelf staande daad. ... De gelovige heeft het geloof van anderen ontvangen, hij moet het aan anderen doorgeven” (Catechismus van de Katholieke Kerk, 166).

En het is deze persoonlijke daad van geloof die ons “ik” onvoorwaardelijk impliceert en op het spel zet, een “ik” dat in het “wij” van de Kerk wordt beleefd en dat het enige is dat de meesters van de achterdocht kan interesseren en hen niet van hun stoel doet springen en schreeuwen: “Genoeg! Ik heb al genoeg aan mijn eigen broosheid!”.

Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

26/03/2022