De opbouw van een “Kerk die erop uitgaat”
Meer dan een lijst te maken van verschillende activiteiten die de diverse (lichamelijke en geestelijke) werken van barmhartigheid betreffen, spreek ik over een ervan die wij als hoeksteen of bouwkundig principe hebben genomen van waaruit men moet uitgaan, om ervoor te zorgen dat onze parochie Sagrado Corazón de Jesús steeds meer een “missionaire parochie” wordt, een Kerk die erop uitgaat – zoals men tegenwoordig gewoon is te zeggen – om een terminologie te gebruiken die dierbaar is aan paus Franciscus.
Over dit aspect moet men zeer duidelijk zijn, omdat, als men niet uitgaat van en men weer teruggaat om vervolgens weer uit te gaan... van de bron van de zending, die – zoals het Tweede Vaticaans Concilie heeft geleerd – niets anders is dan trinitaire zendingen, loopt men het gevaar dat “het erop uitgaan” verandert in een tochtje extra moenia (buiten de stad), weinig meer dan een uitstapje onder vrienden, waarbij wij geleidelijk smakeloos zout worden.
“Een Kerk die erop uitgaat” wil – zoals paus Franciscus ons vraagt te worden – zeggen aanwezig te zijn in alle situaties, door alle uitdagingen die zich voordoen, aan te gaan, arm aan onze menselijke zekerheden en alleen rekenend op Hem die ons kracht geeft.
De doden begraven: een gedevalueerd werk van barmhartigheid
Deze premisse verklaart waarom wij vanaf het begin, de maatschappelijke-culturele-religieuze context voor ogen houdend waarin wij geroepen zijn getuigenis af te leggen van de lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid, als eerste ervan een gekozen hebben dat men in het geheel negeert en gedevalueerd is, maar dat daarentegen van buitengewoon belang is bij het present stellen van de Kerk en haar evangeliserende activiteit in de randgebieden.
Ik heb het over het werk van lichamelijke barmhartigheid dat bekend is onder de algemene uitdrukking “de doden begraven”.
Men dient er rekening mee te houden dat er op het Latijns-Amerikaanse continent nog een gemeenschappelijke verwijzing naar een cultuur met christelijke wortels bestaat.
Dat is gemakkelijk vast te stellen ter gelegenheid van grote persoonlijke gebeurtenissen, zoals de dood van een geliefde persoon dat is.
Deze gebeurtenissen en de responso (begrafenis) in het bijzonder met een geheel van riten die haar begeleiden, bevinden zich op de grens tussen volksreligiositeit en de praktijken met een magisch-sacraal karakter.
Wat zeker is, is dat wij allen sterven en dat aan de responso, evenals aan het einde van een noveen of van het triduüm van missen dat erop volgt, zeer veel mensen deelnemen die op geen enkele andere manier bereikbaar zouden zijn.
Dit is een bevoorrecht ogenblik van evangelisatie, als men de responso doet met een hart dat in het licht van de barmhartigheid van God zich weer ter discussie weet te stellen en iedere keer een proces van bekering ingaat.
Ik schets nu schematisch een reeks fases die onze wijze van “het begraven van de doden” kenmerken.
Ik heb het vooral over mensen die ver van de Kerk af staan en niet zozeer over bekende personen die wij hebben begeleid in hun ziekte of van wie wij familieleden en vrienden kennen.
Er vallen muren. Er ontstaan bruggen
-
Het eerste ding zonder hetwelk heel de rest zijn betekenis verliest, is een concentratie in gebed die aan de
viering van de responso voorafgaat.
Men moet voor dit onbeweeglijke lichaam gaan staan, waarbij men zich de beroemde woorden die een van de meesterwerken van Hemingway hebben doen ontstaan, herinnert en goed in de geest en het hart prent: “Stuur nooit iemand om te vragen voor wie de klok luidt. Zij luidt voor jou”.
De dood van de ander is een herinnering aan onze dood en als daar vandaag op de baar die persoon ligt, moet ik mij er bewust van zijn dat ik daar morgen kan liggen.
-
De personen die om een responso komen vragen, worden met een authentieke en niet bureaucratische deelname ontvangen. Het is belangrijk aspecten van hun leven te kennen die een op de persoon gerichte en geen standaardhomilie mogelijk maken.
-
In onze parochie bestaan er geen verschillen die de armsten kunnen marginaliseren. Zoals voor de viering van de eerste communie en het vormsel, waar de jongeren allen in schooluniform verschijnen, zo komt bij de responso de baar kaal, zonder vlaggen, bloemen of andere symbolen de kerk binnen.
-
Het waarom van het kaal zijn van de baar wordt goed uitgelegd en in Ypacaraí begrijpen allen intussen de betekenis ervan.
Wie de overledene ook is, hij is naakt zoals Job: “Naakt kom ik uit de schoot van moeder aarde, naakt keer ik daar terug”.
Men laat altijd goed uitkomen dat de persoon die daar ligt tegenover het altaar, is de kleinste en zwakste onder ons allen: het is een pas geboren kind dat slaapt in de barmhartige armen van God de Vader en Moeder de Kerk. En dat zoete slapen dient door allen gerespecteerd te worden.
-
De Kerk viert de dood niet, maar altijd het leven. De Kerk spreekt niet tot iemand die niet meer kan antwoorden, zich verdedigen, beschuldigen, vergeving vragen of vergeven. Die tijd is voor deze persoon voorbij. De Kerk spreekt tot ons allen aanwezig en als eerste richt zij zich tot de familieleden en de vrienden van de overledene.
-
Wij allen aanwezig hebben de gave van het geloof: dit geloof kan sterk of zwak zijn, zeer zwak of het is aan het uitdoven. Maar er brandt nog een lichtje, anders zouden zij niet naar de tempel van de Heer zijn gekomen om de geliefde persoon de laatste groet te brengen.
En het is in naam van dit gemeenschappelijke geloof dat ik de kracht vind om te spreken. Als een mens te midden van andere mensen heb ik ten overstaan van de
dood niets te zeggen. En elk woord van troost is vervelend. Ten overstaan van de dood is er alleen maar stilte.
Maar in naam van dat gemeenschappelijk geloof kan ik zeggen dat, indien verdriet, pijn, geween recht hebben om te bestaan, wanhoop dat niet heeft. Wij geloven in de verrijzenis van het lichaam en in het eeuwige leven.
-
Na het lichaam van de overledene besprenkeld te hebben, waarbij ik herinner aan de eerste keer dat hij werd besprenkeld met het doopwater, roep ik dicht bij mij en rond de baar de naaste familieleden. Ieder maakt samen met mij op het lichaam van het kind dat vandaag tot het leven in de hemel wordt geboren, het kruisteken en geeft het een tedere kus.
Hierna, en alleen hierna, legt ieder een bloem op dat lichaam, niet als een teken van rouw, maar als “een blijde boodschap van vreugde”, omdat een nieuw kind van God teruggekeerd is naar het huis van de Vader.
-
Ik begeleid vervolgens die “pasgeborene” in processie naar de deur van de kerk, waarbij ik allen met een omarming begroet, enkele woorden fluister tot de intimi, met mijn hand tranen afwis.
-
Zoals ik aan het begin heb gezegd, heeft er de volgende dagen altijd een triduüm van missen of een noveen plaats met het bidden van de rozenkrans in het huis van de overledene. Het triduüm of de noveen eindigt altijd met de zegening van het kruis dat op het graf van de overledene geplaatst zal worden.
Dat is de gelegenheid om met zeer veel mensen te blijven praten en daarbij een “Kerk die erop uitgaat” te presenteren, een Kerk die – naar het voorbeeld van Christus – mens wordt om te verlossen en het evangelie van het leven te verkondigen.
Het zijn kostbare ogenblikken om te luisteren en na te denken. Het is het ogenblik waarop in de oneindige hemel van God een klein raam opengaat en die man, die vrouw, die persoon die lichamelijke niet meer onder ons is, zich vertoont en zegt: “Als jullie werkelijk van mij houden, doet dan nog meer en dit beter dan wat ik aan goeds heb gedaan; en doet niet wat ik aan kwaads heb bedreven. Bekeert u allen, want ik verzeker u dat de hemel mooi is. En het meest authentieke teken van deze verandering van leven is de liefde voor uw broeders en zusters, vooral voor de armsten”.
-
Wanneer ik verkondig dat God een God van het leven en niet van de dood is, herinner ik allen eraan dat de poorten van het hart van God en zijn Kerk altijd openstaan en dat het niet noodzakelijk is te wachten totdat een andere persoon sterft om ons te ontmoeten.
Er vallen muren. Er ontstaan bruggen.
-
En zo is er vanuit dit werk van lichamelijke, zo aan de kant gezette of werelds geworden werk van barmhartigheid, bij ons in Ypacaraí aan de opbouw begonnen van een “Kerk die erop uitgaat”.
Alle homilieën, ontmoetingen, retraites die ik in Paraguay houd, worden vervolgens bewerkt en aan een theologische reflectie onderworpen die een reeks publicaties heeft voortgebracht die “Cuadernos de Pastoral” worden genoemd. Wij zijn al gekomen tot de publicatie van 37 “Cuadernos”, met een goede verspreiding.
Een sympathieke episode: “Cuaderno de pastoral” nr. 18 heeft als ondertitel: Reflexiones sobre la visión cristiana de la muerte (Reflexies over de christelijke visie op de dood). Maar de titel is de volgende: El Esposo llega de repente (De Bruidegom komt onverwachts).
Deze “Cuaderno” heeft een geweldig succes gekend onder de meisjes die op zoek zijn naar een echtgenoot. Zij hebben het misschien alleen maar gekocht, omdat... zij bij de titel zijn blijven steken.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
29/11/2023