is er Maria, de vrouw die de Zoon van God de mogelijkheid heeft gegeven in de wereld binnen te treden

 

Wij lezen in het evangelie dat “de engel Gabriël van Godswege werd gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was Maria” (Luc. 1, 26-27).

In het begin is er niet de mens met zijn plannen, aanroepingen en gebeden, zijn gevoelens, zijn gevoeligheid en zijn wijze van denken.

In het begin is er God met zijn vrij initiatief.

Het geloof is niet het zoeken naar God door de mens, maar het antwoord van de mens aan God die hem roept.

In het begin is er het Woord; daarom is het noodzakelijk een hart te hebben dat openstaat voor het luisteren, zuiver, nederig, eenvoudig, arm, leeg van alle dingen is, opdat God het vult. Wij kunnen het Woord niet ontvangen, als wij al onze plannen hebben, onze ideeën, onze intussen gevormde en onveranderlijke mentaliteit, waartussen God dan ruimte zou moeten zoeken.

Maria is de vrouw die de Zoon van God de mogelijkheid heeft gegeven om in de wereld binnen te treden en zo de menswording mogelijk te maken; zij is de stilte die het het Woord mogelijk heeft gemaakt te weerklinken.

In de schoot van Maria ontmoet God de aarde waar de hemel geboren kan worden, waar het zaad zijn vrucht kan geven. God, die hemel en aarde niet kunnen bevatten, wordt kind in de schoot van dit meisje. Dit is een mysterie waarin men alleen maar kan doordringen dankzij het geloof en dat onbegrijpelijk blijft voor het verstand van de mens.

De boodschap van de engel aan Maria betreft de toekomst. Zoals dat was gebeurd voor de aartsvader Abraham, tot wie God zich met een bevel had gericht (“Trek weg uit uw land”) en een toekomst (“dat Ik u aan zal wijzen”), (vgl. Gen. 12, 1), zo gebeurt het ook voor Maria: de boodschap van Godsplan plaatst haar voor het duister van een onbekende toekomst. Er is geen visioen, er is alleen het woord van de Heer. Dat is het geloof: als het ware zweven in de leegte, tussen het niets en het Woord.

Wanneer het geloof sterk is, gaat men verder; wanneer het er echter niet is of teruggebracht is tot een walmende lampenpit, dan treedt men binnen in het rijk van de verlamming en de ondergang. Het is niet gemakkelijk verder te gaan alleen maar omdat men oudtijds het woord heeft gehoord, zonder het daarna ooit in praktijk te brengen. Het geloof is de grote beproeving van de mens. Het is werkelijk moeilijk te leven met de ogen van het geloof!

Maria is verrast en de engel zegt tot haar: “Vrees niet Maria” (Luc, 1, 30). Wanneer God zich presenteert, direct of door middel van zijn tussenpersonen, ontstaat er in de mens een gevoel van angst en beven.

De mens is bang voor God, omdat Hij zijn leven verandert. Daarom, als in het leven van de mens niets verandert en alles gaat verder zoals altijd, betekent het dat er geen enkele ontmoeting is geweest ofwel dat de Heer is afgewezen.

“Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?” (Luc. 1, 34): dat is de reactie van Maria op de boodschap van de engel, die haar angst inboezemt. Het buitengewone is echter niet dat een maagd baart zonder gemeenschap met een man te hebben, maar het serieuze geval van het geloof is dat God bestaat. Als Hij immers bestaat, “is voor God niets onmogelijk” (Luc. 1, 37). God, die de Almachtige is, heeft Maria van Zich vervuld, die door zich aan Hem te presenteren als een totale innerlijke leegte Hem heeft kunnen ontvangen en antwoordde: “Mij geschiede naar uw woord” (Luc. 1, 38).

Dat is het geloof: zich met totaal vertrouwen overgeven aan God, die verwezenlijkt wat onmogelijk is, en aanvaarden nooit te weten wat het beste is voor ons: of het goed of niet goed maken, veracht of geprezen worden, leven of sterven.

Soms lijkt het gebed de voortdurende herhaling te zijn van de smeekbede “mijn wil geschiede”, waarop God zou moeten antwoorden door uit te voeren wat de mens wil, op straffe van ontmaskerd te worden en tot niets meer te dienen. Het geloof bestaat integendeel als antwoord aan God die de mens roept, eruit te zeggen: “Mij geschiede naar uw woord”, daarbij erkennend dat wij niet kunnen weten of wat het nuttigst voor ons is, werkelijk onze wil is. Wij moeten er zeker van zijn dat God ons meer liefheeft dan wij onszelf, dat zijn liefde verder dan de dood gaat en leidt tot het ware geluk: alleen door zijn wil te vervullen treden wij in een relatie van authentieke liefde die geen grenzen kent en waar de dood niet het laatste woord heeft, maar het leven.

Ten overstaan van onze zorgen de wil van God zoeken geeft ons zekerheid, maakt ons vrij om te spreken en doet ons onszelf zijn zonder de grillen van anderen te volgen. Wie liefheeft, moet vrij zijn, omdat de vrijheid de fundamentele voorwaarde is om lief te hebben. Wanneer er geen vrijheid is, is er geen liefde en is alles chantage, leugen en haat.

“De volmaakte liefde drijft de vrees uit, want vrees duidt op straf en wie vreest is niet volgroeid in de liefde” (1 Joh. 4, 18).

Emilio Grasso

 

 

 

19/05/2026