Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
In een interview in “Europa Press” heeft paus Franciscus gewaarschuwd voor de verleiding een terugkeer naar het
verleden als normaal te beschouwen. Hij heeft, zoals bij andere gelegenheden, verklaard dat “men niet hetzelfde uit een crisis te voorschijn komt”. En hij heeft hieraan toegevoegd:
“Wij kunnen er beter of slechter uitkomen, maar nooit hetzelfde. Crises zijn in staat de bestaande ongerechtigheden waaraan wij gewend waren geraakt en die wij onbewust konden rechtvaardigen, groter te maken, evenals de beste praktijken en reacties onder ons te versterken”.
In deze dagen heeft mgr. Mario Grech, die pas geleden door paus Franciscus tot kardinaal is benoemd, verklaard dat “het zelfmoord zou zijn, als wij na de pandemie tot dezelfde pastorale modellen die wij tot nu toe in praktijk hebben gebracht, zouden terugkeren”.
In hetzelfde interview is kardinaal Grech als volgt verder gegaan:
“Ik vind het merkwaardig dat velen zich hebben beklaagd over het feit dat zij de communie niet kunnen ontvangen en een begrafenis niet in de kerk kunnen vieren, maar dat evenvelen zich niet erom bekommerd hebben hoe zij zich met God en met de naaste kunnen verzoenen, hoe zij kunnen luisteren naar het Woord van God en het kunnen vieren en hoe zij de dienstbaarheid kunnen beleven. Wat vervolgens het Woord betreft, moeten wij wensen dat deze crisis, waarvan de effecten ons nog lang zullen vergezellen, voor ons als Kerk een gunstig moment kan zijn om het evangelie weer in het middelpunt van ons leven en ons ambt te plaatsen. Velen zijn nog ‘evangelie-analfabeten’”.
Het is zeker dat het woord van God allen oproept tot een voortdurende groei. Het Woord staat het niet toe dat men zich verbergt en in het verborgene blijft zonder ooit te beantwoorden aan zijn oproep.
Dit Woord openbaart wie wij zijn, en roept op tot een nieuw project waarvan het de inhoud bepaalt. Het Woord maakt het
mogelijk dat wij elkaar leren kennen en niet blijven steken in de oppervlakkigheid van anonieme, herhaalde en uit sleur bestaande relaties zonder inhoud en zonder iets nieuws.
Volgens paus Gregorius de Grote groeit het woord van God met de lezer ervan. Immers, hoe meer men in het mysterie van het Woord graaft, des te meer is men in staat de betekenis ervan uit te diepen.
Bij Gregorius is autoriteit altijd een autoriteit in nederigheid, een autoriteit in dienstbaarheid, een autoriteit in zoeken en armoede, een autoriteit in de Geest. Hij bevestigt zijn autoriteit in de gemeenschap niet als een natuurlijk en juridisch gegeven. Zijn autoriteit is een ware charismatische autoriteit, omdat hij in het aandachtig luisteren naar het Woord aandachtig naar allen luistert.
Voor Gregorius zijn allen tegelijkertijd geroepen om leraar en leerling te zijn. Hoe ver is de mentaliteit van Gregorius verwijderd van het idee van een internaat-college-kazerne!... De mentaliteit van, om een in ons Paraguay zeer bekende uitdrukking te gebruiken, pa’íma he’i (de priester heeft het gezegd).
Wil aan de voorwaarde worden voldaan dat hetgeen Gregorius heeft geleerd, moet men uitgaan van het beginsel dat door dezelfde Gregorius wordt onderstreept: “Vervuld van het geloof, spannen wij ons in God te doen weerklinken”. Het is dus niet het luisteren naar welk woord dan ook, het is niet het leerling worden van wie niet de krachtsinspanning heeft laten zien om God te doen weerklinken. Het gaat er niet om ruimte te maken voor oneindige vergaderingen, waar ieder zich gemachtigd voelt om het woord te vragen en om stilte te verzoeken om inhoudsloze geluiden te doen weerklinken. Gregorius kent allen het recht-de plicht toe om leraar te zijn en te spreken. Maar spreken..., woorden met de mond en het hart uit te spreken. Niet de plicht een aaneenschakelijking van geluiden te volgen die door een lichaam worden geproduceerd dat met luiheid en onverantwoordelijkheid is besmet.
Er is een verantwoordelijkheid van ieder van de leden van de gemeenschap voor de vooruit- en achteruitgang in de kennis van het Woord.
Dit idee van Gregorius staat zeer ver af van een intimistische, individualistische en klerikale lezing van de Heilige Schrift. Integendeel, de heiligheid of de zonde van de ander beïnvloedt onze kennis van de Heilige Schrift en dientengevolge onze groei of achteruitgang.
Gregorius geeft in de relatie Heilige Schrift - gemeenschap een sleutel voor de lectuur en het begrip waardoor hij, terwijl hij als
herder en leidsman de kennis vermeerdert van de waarheid die hij zijn kinderen moet geven, beschermd is tegen de trots die zou kunnen voortkomen uit een dergelijk doordringen in het mysterie van God.
Volgens het onderricht van Gregorius verheffen wij ons tot de rol van leraar, telkens als wij het woord nemen, en daarom moeten heel de vergadering en de gemeenschap aandacht schenken aan wie spreekt, wie het ook zij.
Een leraar krijgt echter inzicht in de Heilige Schrift niet alleen door zijn eigen heiligheid, maar ook door die van zijn leerlingen.
Een leraar wordt zo op zijn beurt leerling van degenen die hij moet onderrichten, omdat de wijsheid van de Heilige Schrift hem vanwege hen is medegedeeld.
Laten wij nog eens naar Gregorius luisteren:
“Ik weet immers dat meestal veel dingen in de Heilige Schrift, die ik alleen niet heb kunnen begrijpen, heb begrepen door voor mijn broeders en zusters te gaan staan. Door deze ontdekking heb ik getracht ook dit te onderzoeken om mij te realiseren door wie ik dit vermogen tot begrip kreeg. Het is immers duidelijk dat dat mij is gegeven ten dienste van degenen die mij nabij zijn. Daaruit volgt door Gods gave dat de betekenis groeit en de trots vermindert, wanneer ik omwille van u leer wat ik te midden van u onderricht; want - en dat is de waarheid - ik luister meestal samen met u naar hetgeen ik zeg. Derhalve is alles wat ik bij deze profeet minder goed zal begrijpen, te wijten aan mijn blindheid; als ik er daarentegen in zal slagen iets op de juiste wijze te begrijpen, dan is dat door een gave van God te danken aan uw diepe gevoeligheid”.
Ieder van ons is geroepen, en ik hecht eraan dat nogmaals te onderstrepen, in de Geest van de Heer zijn eigen bijdrage te leveren voor de opbouw van het gemeenschappelijke plan.
Laten wij bidden dat wij in het nederig luisteren naar de Heilige Schrift, de ontvangen talenten weten vrucht te laten dragen.
Wat een droevige geschiedenis van de luie dienaar die, verlamd door angst en de God van de verantwoordelijkheid de rug
toekerend, het ontvangen talent ging begraven! Hij wist dat zijn heer oogstte waar hij niet had gezaaid, en oogstte waar hij niet had gezaaid. Het evangelie zegt ons dat die dienaar buiten in de duisternis, waar geween en tandengeknars is, werd geworpen, omdat hij een luilak was (vgl. Mat. 25, 14-30).
Hiermee sluit ik af, van harte al degenen dankend die mij iedere week verrijken en mij met hun woorden, hun brieven en hun commentaar helpen beter de wil van God te begrijpen.
U schrijft met mij deze homilieën en maakt het mij mogelijk, zoals paus Gregorius de Grote zou zeggen, dat het woord van God groeit met de lezer ervan.
Daarom zeg ik: “Dank aan u allen, mijn beste vrienden”.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
08/01/2021
