Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Als iemand van een bepaalde leeftijd sterft, kan men nadenken over wat hij heeft verwezenlijkt, en ook over zijn eventuele verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn leven. Maar wanneer een kind sterft, hebben wij geen woorden om dit feit, dat een mysterie blijft, te verklaren: het mysterie van het verdriet en de dood van een onschuldige.
Paus Benedictus XVI spreekt juist over de dood van onschuldigen in zijn Paasboodschap 2007:
“Stellen het verdriet, het kwaad, de ongerechtigheden, de dood, vooral wanneer ze onschuldigen treffen – bijvoorbeeld kinderen die het slachtoffer zijn van oorlog en terrorisme, ziekte en honger – ons geloof misschien niet zwaar op de proef?”.
Waarom staat God het lijden van onschuldigen toe?
Het enige antwoord op het probleem van het verdriet van onschuldigen is dat van de gekruisigde God. In het verdriet van onschuldigen weerspiegelt zich het lijden van de Zoon van God.
Elie Wiesel, een Roemeense schrijver, die de nazi-concentratiekampen overleefde, wijdde heel zijn leven aan het schrijven en spreken over de verschrikkingen van de vernietiging van de Joden. Met 16 jaar werd hij door de Duitsers gevangengenomen, zoals de andere Joden van zijn dorp. Als auteur van drie romans over zijn leven tijdens die jaren van onderdrukking en dood heeft hij de Nobelprijs voor de Vrede 1986 gewonnen.
De roman Nacht bevat een uiterst schokkende bladzijde over het thema van het verdriet van onschuldigen.
Wij lezen bewogen deze pagina:
“De drie ter dood veroordeelden stapten gelijk op hun stoelen. De drie nekken werden tegelijk in de stroppen gestoken.
‘Leve de vrijheid’ riep de twee volwassenen.
Het kind zei niets.
‘Waar is de barmhartige God, waar is Hij?’ vroeg iemand achter mij.
Op een teken van de Lagerälteste werden de drie stoelen omgeduwd. Doodse stilte in het hele kamp. Aan de horizon ging de zon onder.
‘Mutsen af’ schreeuwde de Lagerälteste.
Zijn stem klonk schor. En wij, wij huilden.
‘Mutsen op!’
Daarna begon het defilé. De twee volwassenen leefden niet meer. Hun tong hing dik en blauw uit hun mond. Maar het derde koord bewoog nog: het kind, dat te licht was, leefde nog.
Meer dan een halfuur bleef hij hangen tussen leven en dood, kronkelend voor onze ogen. En wij moesten hem recht in het gezicht kijken. Toen ik langs hem liep leefde hij nog. Zijn tong was nog rood, zijn ogen waren nog niet gebroken.
Achter mij hoorde ik dezelfde man vragen:
‘waar is God toch?’
En in me hoorde ik een stem die antwoordde:
‘waar Hij is? Daar hangt hij, aan de galg…’”.
God aanvaart de kreet van het verdriet, in zekere zin een kreet van opstandigheid, omdat Hij weet dat niemand wil scheiden van zijn geliefde persoon. Hij kent deze kreet: het is dezelfde kreet als die van Christus en de Maagd, de Moeder van Smarten. Maria heeft het lijden gekend, maar heeft niet gewanhoopt; zij heeft Jezus niet in de steek gelaten op het ogenblik van de dood. Lijden betekent niet dat alles afgelopen is, maar dat een nieuwe vorm van leven begint.
Wanneer iemand vragen stelt aan God, laat hij zien een ware mens te zijn, omdat hij niet alleen het vermogen heeft zich tot Hem te richten om Hem vragen te stellen, maar ook om toe te geven dat hij er niet in slaagt te begrijpen wat er gebeurt. Ten overstaan van tragische gebeurtenissen bestaat er een klaagzang, een gezang van verdriet, een gezang dat schreeuwt. Ten overstaan van deze verschillende vormen van lijden die de mens treffen, is het antwoord van God zwijgen. Het is goed in stilte te wachten op het heil van de Heer.
In het boek Klaagliederen staat geschreven:
“Goed is Jahwe voor wie hoopt, voor iedereen die Hem zoekt. Goed is het, in stilte, op redding van Jahwe te wachten” (Klaagl. 3, 25-26).
De ware hoop gaat door de woestijn en uiteindelijk komt het leven, de verrijzenis.
Dietrich Bonhoeffer heeft hiervan op een voorbeeldige wijze getuigenis afgelegd op de laatste dag van zijn aardse leven alvorens door de nazi’s te worden vermoord. Het was 8 april 1945 – het was de zondag na Pasen – en hij werd meegenomen uit de cel van het concentratiekamp Flossenbürg om ter dood te worden gebracht. Alvorens naakt aan een paal te worden opgehangen zei Bonhoeffer tegen de Britse kapitein Payne Best, een medegevangene: “Het is het einde: maar voor mij is het het begin van het leven”.
Voor hem wordt de dood, evenals voor iedere christen, een Pasen, een overgang naar het rijk der levenden. Dit geeft niet de bevoegdheid te zeggen dat de dood – vooral de gewelddadige dood – passief en berustend moet worden aanvaard als de wil van God.
Het voorbeeld van Bonhoeffer is nog steeds welsprekend. In een brief uit 1941 om zijn studenten, die door de nazi-vervolging verspreid waren en de gewelddadige dood van enkele vrienden hadden vernomen, een hart onder de riem te steken schreef hij: “Ten overstaan van de dood mogen wij fatalistisch niet zeggen: het is Gods wil. Wij moeten er onmiddellijk het tegengestelde aan toevoegen: het is niet Gods wil. De dood laat zien dat de wereld niet is wat zij zou moeten zijn, maar dat zij behoefte heeft aan verlossing. Alleen Christus overwint de dood. In zijn dood bereiken de twee uitdrukkingen het is Gods wil en het is niet Gods wil het toppunt van de paradox en het evenwicht.
God accepteert het dat Hij zich laat betrekken bij iets dat niet zijn wil is, en van dat ogenblik af moet de dood ondanks alles God dienen... Alleen in het kruis en de verrijzenis van Jezus Christus is de dood onder de macht van God teruggedrongen en gedwongen Gods plan te dienen. Het is niet een fatalistische overgave, maar een levend geloof in Jezus Christus, die voor ons is gestorven en opnieuw is verrezen, kan ons werkelijk ontdoen van de dood” (vgl. V. Paglia, Sorella morte. La dignità del vivere e del morire).
Bij zijn bezoek aan het concentratiekamp Auschwitz sprak Benedictus XVI de volgende woorden die het verdriet van onschuldigen een christelijke zin geven:
“Wij kunnen het geheim van God niet doorgronden – wij zien alleen maar fragmenten en wij maken een fout, als wij ons tot rechters van God en van de geschiedenis willen maken. In dat geval zouden wij niet de mens verdedigen, maar alleen maar bijdragen aan zijn vernietiging. Nee – uiteindelijk moeten wij blijven bij de nederige, maar aanhoudende kreet tot God: ‘Word wakker! Vergeet uw schepsel, de mens, niet!’ En onze kreet tot God moet tegelijkertijd een kreet zijn die doordringt tot ons eigen hart, opdat in ons de verborgen aanwezigheid van God wakker wordt – opdat de macht van Hem die Hij heeft neergelegd in onze harten, niet bedekt en verstikt wordt door de modder van het egoïsme, van de angst van de mensen, van de onverschilligheid en het opportunisme”.
Moge ook uit onze geliefde parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí een kreet verrijzen die wij op laten stijgen naar God en die tegelijkertijd doordringt tot de diepste diepte van onze harten, opdat het verdriet en het lijden van iedere mens ons verdriet en ons lijden worden.
Alleen door zo te doen omarmen liefde en hoop elkaar en brengen ons tot de Rijk van de schoonheid en het eeuwige feest dat nooit een einde heeft.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
14/07/2021


