Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Het geloof komt voort uit luisteren en luisteren gaat vooraf aan ons woord. Als er in het begin het Woord van God is, zoals de heilige Johannes in de proloog van zijn evangelie schrijft (“In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord
was God”), is in ons luisteren het begin. Het woord kan in ons alleen maar komen na het luisteren.
Vaak begint men een ontmoeting niet met de verkondiging en de uitleg van het woord – en dat is theologisch en pastoraal verkeerd –, maar met de pretentie dat degene die aanvankelijk geroepen is om te luisteren, zich uitdrukt.
Het is goed eraan te herinneren dat wij allen, niemand uitgezonderd, alvorens te spreken moeten luisteren naar het woord van God.
Het eerste waarvoor wij moeten zorgen, is wat wij de kunst van het luisteren kunnen noemen.
Daarom herneem ik een oud geschrift, gehaald uit de werken van de Griekse denker en geschiedschrijver Plutarchus.
Om het begrip ervan te vergemakkelijken verdeel ik mijn uiteenzetting in verschillende paragrafen.
-
Voor allen komt in het leven het ogenblik van de verandering van gezag waaraan men onderworpen moet zijn. Het is de verandering die de overgang van de jeugd naar de volwassenheid markeert: in de plaats van de uiterlijke meester, de toezichthouder die je controleert, komt de leiding van de rede. De verschillende dingen worden niet meer verwezenlijkt, omdat zij van buiten af worden opgewekt, maar omdat de rede van binnenuit leidt en ondersteunt. Goede opvoeders maken de oren van de kinderen gevoelig voor woorden door hun te leren niet teveel te praten, maar veel te luisteren. En de natuur heeft, zo zegt men, ieder van ons twee oren en maar één tong gegeven, omdat wij meer gehouden zijn te luisteren dan te spreken.
-
Een noodzakelijke voorwaarde om te luisteren is dat wij ons ontdoen van aanmatiging en hoogmoed, anders slagen wij er niet in iets op te nemen. Luisteren wil zeggen zich niet opwinden en geen lawaai te maken, ook als het betoog niet al te aangenaam zou zijn: de gesprekspartner wacht geduldig totdat degene die spreekt, is uitgesproken, zich ervoor hoedend onmiddellijk met zijn repliek over hem heen te vliegen.
-
Men moet vrij zijn van gevoelens van afgunst jegens degene die spreekt. Wie afgunstig is, is niet bereid te luisteren. In
plaats van te luisteren leidt hij zijn geest af door in degene die spreekt, redenen te zoeken om hem te weerleggen.
Afgunstige mensen luisteren niet. Hun geest blijft niet stilstaan bij de woorden die worden uitgesproken, maar bij de overtuiging over de verschillende getogen die ze hebben gehoord, te zegevieren.
-
Een andere verkeerde houding van luisteren vindt men bij degenen die geloof schenken aan alles wat tegen hen wordt gezegd. Plutarchus herinnert ons eraan dat wij behoedzaam moeten zijn bij het aannemen van hetgeen tegen ons wordt gezegd. Men moet op zijn hoede zijn om te vermijden dat, wanneer iemand tegen ons spreekt, zijn woorden ons kunnen schaden. Dat gebeurt, omdat er in ons een zekere bereidheid is om een redenering aan te nemen die, hoewel vals, ons rechtvaardigt en ons motiveringen geeft voor een handeling die, hoewel slecht, ons de moeite bespaart van de strijd om te moeten veranderen.
-
Voor Plutarchus heeft een betoog geen enkel nut, als het in ons niet de wil versterkt om beter te worden door ons enthousiaster te maken in het bestrijden van de ondeugden en het vorderen in de deugden en het goede.
-
Wanneer men naar iemand luistert, moet men niet oppervlakkig blijven stilstaan bij zijn wijze van zich uitdrukken of de toon van de stem. Wat telt, is de inhoud.
-
Wanneer degene die spreekt, de aanwezigen aanzet tot het stellen van vragen, moet hij dat altijd duidelijk doen en dat moeten vragen zijn over nuttige en noodzakelijke kwesties.
De vragen moeten gesteld worden over het behandelde thema zonder uit te weiden over andere onderwerpen. -
Men moet ook vermijden dat eenzelfde iemand teveel vragen stelt en herhaaldelijk iets inbrengt; deze houding is op de een of andere wijze eigen aan wie met zichzelf te koop wil lopen.
Rustig luisteren naar de bijdragen van een ander kenmerkt daarentegen een verlangen om te leren en het respect voor de naaste. -
Men moet naar een betoog luisteren, terwijl men in een correcte houding blijft zitten, en met de ogen gericht op degene die spreekt, met een bereidheid tot voortdurende aandacht en op het gezicht een uitdrukking die vrij is van andere gedachten en zorgen.
Bij een correcte luisterhouding horen niet kletsen met anderen, geeuwen, dat een duidelijk teken is van slaperigheid en onachtzaamheid, ongepaste lichaamshoudingen zoals het bewegen van het hoofd en iedere andere blijk van desinteresse en verveling. -
Wie luistert, moet plichten vervullen. Hij is geroepen samen te werken met wie spreekt, en hij moet zich betrokken voelen bij het betoog. Zoals wanneer men met een bal speelt, de bewegingen van wie deze ontvangt, in overeenstemming
moeten zijn met die van degene die hem gooit, zo is er in een betoog een overeenstemming tussen wie spreekt en wie luistert, als beiden wederzijds aandacht aan elkaar schenken. -
De laatste vermaning van Plutarchus is voor de luie mensen. Ten gevolge van hun sloomheid worden dezen onaangenaam en vervelend, omdat zij zich niet de moeite willen doen om zelf naar oplossingen voor de problemen te zoeken, maar deze voorleggen aan wie spreekt en daarbij vaak over dezelfde onderwerpen vragen stellen. Zo lijken zij op vogeltjes zonder veren die altijd hun snavel geopend hebben, altijd bereid om voedsel te nemen uit de snavel van iedere andere, en zij willen alles hapklaar en al door anderen bereid tot zich nemen.
Ik kom terug op hetgeen er aan het begin is gezegd: het geloof komt voort uit luisteren en alleen wie weet te luisteren, zal weten te spreken.
Ik vind niets beters om af te sluiten dan de woorden van de apostel Jacobus:
“Weet dit wel, geliefde broeders: ieder mens moet vlug zijn om te luisteren, maar langzaam om te spreken, langzaam ook om toornig te worden; want de toorn van een man leidt niet tot gerechtigheid voor God. Verwijdert daarom elke smet, elk restant van slechtheid, en neemt met zachtmoedigheid het woord van God aan, dat in u werd geplant en de kracht bezit uw zielen te redden. Weest uitvoerders van het woord, en niet alleen toehoorders; dan zoudt gij uzelf bedriegen. Wie het woord hoort maar niet volbrengt, lijkt op iemand die het gelaat waarmee hij geboren is, in een spiegel beschouwt. Nauwelijks heeft hij zich bekeken, of hij gaat heen en is vergeten hoe hij er uitzag. Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, de wet van de vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtig toehoorder, maar als een uitvoerder metterdaad, die zal zalig zijn door zijn doen” (Jak. 1, 19-25).
![]()
Ik verzeker al degenen die mij kennen en in de verschillende landen van de wereld met liefde en vriendschap volgen, dat ik u vandaag, 31 oktober 2021, op de 55ste verjaardag van mijn priesterwijding, in mijn hart draag en ik dank u met allerhartelijkst voor de zovele fijngevoeligheden en gebaren van genegenheid die u ten opzichte van mij hebt gehad en nog hebt.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
04/12/2021
