Homilie ter gelegenheid van de 56ste verjaardag van de priesterwijding van don Emilio

 

Mijn beste vrienden,

Ik dank de Heer dat ik met u na eenendertig maanden weer het mysterie van de gestorven en verrezen Christus mag vieren.

Op 9 april 2022 heb ik een brief geschreven die gericht was aan alle gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí.

In deze brief zei ik, de woorden van paus Franciscus aanhalend, na de pandemie die ook te midden van het volk van Paraguay haar tragische gevolgen was begonnen te tonen:

“Wij zullen niet meer kunnen blijven doen wat wij aan het doen waren en hoe wij het aan het doen waren. Nee, het zal heel anders zijn. Wij zijn geroepen tot de apostolische moed leven te brengen en van ons christelijk leven geen museum van herinneringen te maken”.

En ik voegde hieraan toe:

“Ik laat niemand in de steek. Ik verlaat niemand. Ik vergeet niemand. Ik onttrek mij niet aan mijn verantwoordelijkheid. Maar het is precies het ogenblik gekomen dat, zoals Johannes de Doper zegt: ‘Hij groter moet worden, maar ik kleiner’ (Joh. 3, 30). En in dit ‘Hij’, u kunt er zeker van zijn, is heel het volk van Ypacaraí”.

Mijn afwezigheid/aanwezigheid op vele verschillende manieren te midden van u heeft allen, te beginnen bij de geliefde Michele en Emanuela-Mariangela-Mary, het mogelijk gemaakt hun persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen zonder deze verantwoordelijkheid altijd en alleen maar op mij af te wentelen.

Zij hebben weten te beantwoorden aan de oproep tot een kerkelijke groei, en met hen zijn er zoveel oude en nieuwe medewerkers gegroeid en hebben hun persoonlijke talenten ontwikkeld.

Het merendeel van u heeft goed begrepen dat de pandemie een nieuwe situatie heeft geschapen.

Zich richtend tot de bisschoppen van de bisschoppenconferenties van Latijns-Amerika, sprak ongeveer veertig jaar geleden de heilige Johannes Paulus II over de noodzaak van een “nieuwe evangelisatie. Nieuw in haar elan, in haar methoden en haar uitdrukkingsvormen”.

Deze nieuwe evangelisatie betekent ook dat wij niet erop moeten wachten dat alles wordt opgelost met een wonder van God.

Ik heb vaak benadrukt dat wij ons er bewust van moeten worden dat een herhaaldelijk aanroepen van de naam Jezus en van zijn heilige Moeder Maria nergens toe dient, als wij tegelijkertijd onze levenswijze persoonlijk en maatschappelijk niet veranderen en als wij ons er met ons verstand en onze wil niet voor inzetten dat het Rijk Gods, het Rijk van waarheid en rechtvaardigheid, te midden van ons komt.

Zonder deze inzet voor waarheid en rechtvaardigheid vermoeien al onze ketens van gebeden en devotionele praktijken God en zijn ze Hem niet welgevallig.

Het woord van God dat wij lezen bij de profeet Jesaja, wijst ons de ware weg van de bekering en wat moet voortkomen uit het authentieke gebed dat God wil: “Leert liever het goede te doen, betracht rechtvaardigheid, helpt de verdrukten, verschaft recht aan de wezen, verdedigt de weduwen” (Jes. 1, 17).

Wij mogen nooit het christelijk gebed scheiden van de inzet voor waarheid, rechtvaardigheid en vrede.

Daarom heb ik zeer de nadruk gelegd op het feit dat ieder niet op zichzelf, maar alleen allen samen, komt uit zoveel ongerechtigheden en gemis aan een doeltreffende publieke dienstverlening, die je een tijd van bijbelse dimensie laat wachten om de zorg die je nodig hebt, te kunnen krijgen.

Ik heb vaak de woorden van de Mexicaanse schrijver Juan Rulfo herhaald: “Wij worden samen gered of verdrinken gescheiden”.

Naar aanleiding hiervan herinner ik eraan dat Aristoteles het had over de mens als een “politiek dier” dat als burger niet opgevat kan worden buiten zijn relatie met de staat.

Don Lorenzo Milani heeft deze uitermate eenvoudige definitie van politiek gegeven: “Ik heb geleerd dat het probleem van anderen gelijk is aan dat van mij. Er samen met allen uitkomen is politiek”.

Daarom heb ik in deze periode van pandemie met mijn gebed en mijn woorden van bemoediging en respect de autoriteiten van onze geliefde stad Ypacaraí altijd begeleid zonder enig onderscheid te maken tussen de kleur van hun shirt of hun toebehoren tot een partij.

Ik heb altijd het verschil tussen het handelen van de Kerk en het politieke handelen gerespecteerd.

Het komt mij niet toe een politiek oordeel te vellen, en evenmin een oordeel over de verschillende persoonlijke gedragingen.

Maar ik moet zeker allen eraan herinneren dat politiek geen cliëntelisme, favoritisme, persoonlijke verrijking en verrijking van vrienden die hun eigen belangen zoeken, is, maar het zoeken naar het gemeenschappelijke welzijn, het welzijn van alle burgers, te beginnen bij de meest behoeftigen, opdat het leven op het ogenblik van de behoefte niet wordt gereduceerd tot het overal bedelen om wat dient om te leven: een beademingsapparaat, een bed op de intensive care, artikelen voor de gezondheidszorg enz.

Daarom keer ik terug tot de gedachte van Aristoteles, wanneer hij het heeft over de mens als een “politiek dier”.

Dat wil zeggen, en ik herhaal het, dat de mens niet begrepen mag worden buiten zijn relatie met de staat: ik kan niet denken aan mijn kleine of grote belangen en geen belangstelling hebben voor de problemen van de polis, de stad, de plaats waar ieder samen met anderen bewerker is van zijn eigen werkelijkheid. Ik mag ook niet mijn persoonlijke verantwoordelijkheid voor welk individu dan ook op de dag van de verkiezingen, voor heel de tijd die ons scheidt van de volgende electorale consultaties, delegeren.

In deze tijd van stilte en eenzaamheid heb ik de gelegenheid gehad voor Jezus te staan, die aanwezig is in de eucharistie. Ik heb, zoals in de tijd van mijn eerste jeugd, de persoonlijke relatie met de Heer opnieuw ontdekt.

Het lijkt mij gepast op de goedheid van Hem jegens mij de woorden van de profeet Hosea toe te passen, waar God spreekt tot de beminde van zijn hart: “En daarom ... zorg Ik dat zij naar de woestijn gaat en spreek Ik tot haar hart” (Hos. 2, 16).

En daar, in die woestijn waar God spreekt in de stilte van het hart, liet ik als in een film de gezichten van zoveel mensen die met mij hadden gesproken en hun leed aan mijn gebed hadden toevertrouwd, voorbijkomen.

Ik weet goed dat God genadiger en intelligenter dan wij is.

Daarom heb ik altijd gevraagd dat iedere persoon die mij voor ogen kwam en van wie de stem en het leed mij ter ore waren gekomen, de wil van God kon doen.

Het gebed dat Jezus ons heeft geleerd, is het Onze Vader. Wij kunnen vragen wat wij nodig hebben en bij het “dagelijks brood” is ook ingesloten de gezondheid van het lichaam. Maar wat wezenlijk is, is dat alles aan de wil van de Vader onderworpen is.

Wat moeilijk is om te vragen, wat wezenlijk is voor ons heil en dat van de meest dierbare personen, is dat men de wil van God doet op aarde zoals in de hemel.

Het gebed, dat geen sentimentalisme en zoeken naar wat wij willen, is, is het belangrijkste en fundamentele deel van iedere pastorale activiteit.

Zonder gebed verliest alles zijn reden van bestaan.

Ik sluit af en ik groet u met een stevige omhelzing en met de genegenheid van altijd.

In deze omhelzing zijn de zovele geliefde personen niet afwezig die in deze tijd hun aardse reis hebben beëindigd. Zij zijn, ook al is dat op een onzichtbare wijze, aanwezig, zoals ik in mijn telefoongesprekken herhaal, omdat God, zoals wij in onze geloofsbelijdenis uitspreken, de Schepper is van al het zichtbare en onzichtbare.

Daarom zal ik op 2 november deze dierbare vrienden gaan groeten in de viering van de Heilige Mis op het kerkhof van Ypacaraí, van Pedrozo en in onze parochiekerk.

In een van mijn homilieën heb ik u, dierbare vrienden gegroet met de kreet: “¡Hasta la victoria! Siempre”.

Met deze groet richt ik mij niet alleen tot hen die verder reizen op deze aarde, maar ook des te meer hen die de reis hebben beëindigd en die in het hart van de verrezen Christus reeds de volheid van het leven beleven.

Met de genegenheid van altijd, een stevige omhelzing voor ieder van u.

 

Emilio firma

Don Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

 

 

04/11/2022