De figuur van don Giulio Facibeni

 

Een van uitspraken die de figuur van don Giulio Facibeni het best definiëren, is die welke wordt toegeschreven aan de Italiaanse schilder van sacrale kunst en grote portretschilder Pietro Annigoni, die met de priester persoonlijk bevriend was: “Na de ogen van don Giulio Facibeni gezien te hebben kan men niet twijfelen aan het bestaan van God”[1].

Zeer levendige ogen in een heel klein lichaam dat, moe en ziek, meer jaren tonend dan hij had, de figuur van een reus bewaarde die op een onverwoestbare wijze de geschiedenis van Florence had gemarkeerd en zo een wezenlijk personage van de locale Kerk werd en dat niet alleen.

Don Giulio Facibeni werd in Galeata (toen provincie Florence en vandaag provincie Forlì-Cesena) geboren op 29 juli 1884; de enerlaatste van 11 kinderen van een vader die schoenmaker en een moeder die huisvrouw was, liet hij zijn roeping tot rijping komen in de omgeving van een gezin waar hij de liefde leerde om nooit de deur voor een behoeftige te sluiten, de belangstelling voor de maatschappelijke problemen, de liefde voor de studie, het geloof dat wordt geboren en zich vooral vormt in harde inspanning en verdriet.

Hij stichtte in Rifredi, de wijk van Florence waar zijn parochie zich bevond, het Werk van de Goddelijke Voorzienigheid kleine Madonna van de Grappa, aanvankelijk om oorlogswezen op te nemen van wie hij de vaders als aalmoezenier had bijgestaan op de Monte Grappa gedurende de Eerste Wereldoorlog, met een toewijding die hem de Zilveren Medaille met Militaire Waarde en het Oostenrijkse Erekruis verschafte “als dank voor het christelijk mededogen, betoond aan de soldaten van de vijand”.

Met het verstrijken van de tijd groeide het Werk en werd een referentiepunt voor kinderen en volwassenen in moeilijkheden door hun bijstand te verlenen op het terrein van opvoeding en gezondheid en op maatschappelijk gebied en breidde het zich uit door zijn huizen in andere gebieden te vermenigvuldigen.

In 2024 is het Werk 100 jaar geworden en vandaag is het nog een charitatieve en sociale instelling ten dienste van de armsten, de laatsten, de nieuwe haarden van armoede. Het is ook aanwezig in Brazilië en Albanië met de taak om te evangeliseren door de liefde en het hart van de mens te bereiken.

Het mens-zijn van Facibeni of van de Pievano (rector), zoals ze hem noemden, die zich in zijn leven tot het uiterste gaf en tot uitdrukking kwam tot aan een langzame en voortschrijdende uitputting, in de laatste 14 jaar gekenmerkt door de ziekte van Parkinson die zijn krachten tot het uiterste beperkte en hem dwong tot een totale afhankelijkheid.

Zijn ontelbare brieven, de tochten in zijn leven, dat door hemzelf werd beschreven of verteld, de getuigenissen van wie hem heeft gekend of diepgaand heeft bestudeerd door zich te storten in het enorme minutieus gearchiveerde materiaal, brengen de zeer talrijke, gevarieerde en zeer persoonlijke relaties naar voren die hij had in de wereld van de cultuur, de aristocratie en het volk, met de priesters, de religieuzen en de arbeiders. Men staat werkelijk verbijsterd over zoveel energie in deze “arme kruier van de Goddelijke Voorzienigheid”, zoals hij zich placht te definiëren, gegrepen als hij was door een duizelingwekkend, jachtig leven met als enig doel lief te hebben. Dat is immers de enige sleutel voor een interpretatie die wat menselijk onverklaarbaar zou zijn, verheldert.

Men vraagt zich af wanneer don Giulio erin slaagde “af te schakelen”, wanneer hij zijn tengere lichaam rust gunde. Ondanks zijn onvermoeibare werkzaamheid was hij een man van een uitzonderlijke spiritualiteit, een contemplatief iemand in actie die zei: “Waartoe doen alle woorden van de mensen in vergelijking met één minuut stilte met Jezus? Als wij ons maar altijd een schaduw van Hem zouden kunnen voelen!”.

Hij was een mysticus zonder ooit bijzondere genaden te hebben ontvangen. Hij had niet de ongerustheid, noch het hyperactivisme van degene die alles op alleen maar zijn krachten zet; integendeel, hij had een onwankelbaar geloof in de Goddelijke Voorzienigheid, ten volle ervan overtuigd als hij was dat hij werkelijk van God afhankelijk was, maar hij spande zich tot het uiterste van zijn krachten in, alsof alles van hem afhing.

De armen, de laatsten, de door allen in de steek gelatenen, vonden een veilige plek in zijn hart, een immens hart dat steeds wijder werd en waar allen binnenkwamen in een oneindige ruimte: kinderen, jongeren, ouderen, arbeiders, gevangenen..., hoe meer hij van hen ontmoette, des te meer offerde hij zich op om hen te ontvangen, en de kritiek werd steeds groter: “Hij heeft teveel potjes op het vuur, het is een dwaasheid, men moet ook met beide benen op de grond staan...”. Zijn pastorale horizon is immers enorm in elke sector ervan zou men een heel leven kunnen steken.

Don Giulio was een moedig man, die niet bang was om de waarheid te verkondigen, hij had geen angst, hield zich niet stil, voerde zijn precieze keuzes altijd ten gunste van de armen en de laatsten in alle openheid uit.

Onlusten, arrestaties, strijd tussen vijandige politieke partijen, invallen, schietpartijen, werkeloosheid, de in de huizen aanwezige ellende, de nieuwe relaties tussen kapitaal en arbeid waaruit een nieuw bewustzijn in de maatschappij ontkiemde, beantwoorde don Giulio door de verantwoordelijkheden aan te klagen van wie na retorische stromen verhalen over een sterk en moedig volk dat was afgeslacht in de oorlog, de zeer veel gedane beloften vergat en alleen maar het eigen persoonlijke gewin in het vizier had[2].

Hij had de moed om de macht het hoofd te bieden door zijn zending te blijven uitoefenen boven alle politieke krachten om het Don Giuglio Facibeni 3bevolk te verdedigen dat werd “bedwelmd, met woorden verheerlijkt, bedrogen en verraden”, in plaats van bemind en gediend. In zeer veel van zijn ontelbare, van het front geschreven brieven reflecteerde hij over de verschillende bewegingen en de interventies op het gebied van de oorlog, waarin hij duidelijk de bijbedoelingen zag: de kleingeestige strijd van partijen en personen die geen afstand deden van hun egoïsme en rancunes zonder te denken aan wie alles, ook het leven, opofferde.

Voor het drama van de twee wereldoorlogen wilde hij nooit alleen een politieke uitleg geven, en hij kon nooit tevreden zijn met academische verklaringen van een militaire orde; hij las er veeleer het mysterie in van de mens die verwikkeld is in de zonde en die behoefte heeft aan heil en bekering. Daarom oefende hij in zijn zwarte toog zijn ambt uit als aalmoezenier: “Zolang als alle mensen niet het goddelijk woord van het evangelie zullen beleven, zal de vrede een utopie of een leugen zijn”.

Het Werk van don Giulio

Er is de oorlog – waarin hij zich behalve in het verzet inzet voor de vervolgde joden, waarvoor hij zelfs wordt erkend als “Rechtvaardige onder de Volkeren” –, er is de periode na de oorlog, waarin men niet minder heeft geleden, maar zijn enige vlag blijft de Gekruisigde. Met deze vlag slaagt hij erin, zoals don Silvano Nistri in zijn Vita di don Giulio Facibeni (Leven van don Giulio Facibeni) getuigt, in de donkerste uren van Getsemane zijn mooiste en meest grandioze Werken te scheppen[3].

Wanneer de eerste wezen het huis van het Werk van de Goddelijke Voorzienigheid binnenkomen, heeft don Giulio steeds duidelijker voor ogen dat de inzet van het Werk de inzet van heel het volk, van de kleinste tot de oudste, moet worden; het Werk alleen moet leven van de edelmoedigheid van de mensen die deelnemen, zelfs ook “met een kleinigheid”. Iedereen zal kunnen zeggen: “Ook ik heb mijn steentje bijgedragen”. Het is een volk dat een bedelaar wordt voor het Werk. Boven iedere partijstrijd slaagt Don Giulio erin de arme die bemind moet worden, in het middelpunt te plaatsen door heel de parochie te bewegen die steeds meer missionair wordt en daarbij ook de grenzen van Rifredi overschrijdt.

En de wezen nemen toe in aantal: 500, 800, 1200 en het hele Werk groeit. Hoe dat te besturen?

Hij had een heel duidelijk verhaal over de integrale vorming van de wezen, over het weeshuis dat niet een college moest zijn. Hij had altijd met een gevoel van afkeer gedacht aan het concept van een college. Het probleem van de opvoeding is samen met een menselijke, culturele, beroepsmatige en godsdienstige vorming voor don Giulio altijd centraal blijven staan: de jongeren hun waardigheid en verantwoordelijkheid laten voelen, hen laten begrijpen dat “de wereld bij uiterlijkheden stopt, tracht na te apen, maar de werken van de wereld zonder ziel zijn: arme papieren kastelen die de eerste stoot vernielt”. Hij had de moed om van ieder te vragen aan God terug te geven wat hij had ontvangen: gaven van natuur en genade, armoede en rijkdom, ziel en lichaam, en hij beloofde dat God ze zou gebruiken voor zijn plannen en daarbij de volle vreugde zou doen smaken met Hem samen te werken.

Wij zijn niet geroepen tot middelmatigheid en de liefde voedt zich niet met dromen, maar met volbrachte offers. Don Giulio heeft nooit de jongeren bedrogen door hun eer, troost, bevrediging te beloven, maar veeleer vernedering en offers.

Hij liet duidelijk begrijpen dat hij geen enkele bedoeling had om beschouwd te worden als de directeur van een pensionaat waar men leefde zonder te betalen; hij wilde een gemeenschap-familie vormen en om dat te doen was hij in staat om ook zeer hard te worden, vooral tegen wie ondankbaar was na al hetgeen hij had ontvangen. Hij wist, indien noodzakelijk, het wapen van de verwijdering met vastberadenheid, waardigheid en correctheid te gebruiken, zodat de verwijderde persoon geen enkele claim kon indienen[4].

“Laten degenen die een vlucht beramen, niet denken toegeeflijkheid te vinden. Het is tijd dat ze begrijpen dat men van anderen heel het offer vraagt om vervolgens te doen wat hun goed uitkomt. Als ze niet willen meedoen of geen zin hebben om te studeren, laten ze dat dan eerlijk zeggen en zij worden onmiddellijk naar huis teruggestuurd”[5].

In een tijd waarin wij regelmatig worden geconfronteerd met voorbeelden van ouders die hun kinderen te vuur en te zwaard verdedigen en zich verwijderen van ieder meest elementair principe van opvoeding, is het onderricht van don Giulio meer dan actueel.

Hij was in staat voor een jongere die het nodige had geflikt, die meerdere keren was vergeven en hem om hulp vroeg om aan de politie te ontsnappen, de deur te sluiten om hem te confronteren met zijn verantwoordelijkheden. Nadat hij werkelijk alles voor allen was geworden was hij ook in staat vastberaden, met een diep respect, nooit met geweld het hart van de ander binnen te dringen, te komen tot definitieve conclusies: “Ik weet niet meer wat ik je nog moet zeggen”.

Hij keek naar het verleden met het bewustzijn dat hij zonder voorbehoud en zonder uitzonderingen alles had gegeven, en daarbij nam hij ten volle de verantwoordelijkheden op zich en betaalde persoonlijk een zeer hoge prijs. “Liefde en gerechtigheid. Hoe moeilijk is het deze te combineren! Zachtmoedigheid zonder kracht wordt zwakte: kracht zonder zachtmoedigheid wordt tirannie. Alleen de genade kan de twee woorden op een wonderbaarlijke wijze combineren”, schreef hij aan een van zijn meest dierbare kinderen.

Een authentieke man

Ten overstaan van de figuur don Giulio vraagt men zich af, wanneer men vandaag bijna zeventig jaar na zijn dood opnieuw ernaar kijkt, wat de actualiteit van zijn leven is, wat de contactpunten zijn van zijn pastorale inzet met onze huidige problemen, die van de Kerk en van de parochies die steeds meer leeglopen.

Wat verbindt hem met een wereld die vandaag veranderd met een waanzinnige snelheid, terwijl de afstand tussen de generaties steeds breder wordt door de conflicten en het onbegrip ervan te beklemtonen?

De moderne mens is een in de geschiedenis ongekende “wees”, omdat na de dood van God de dood van de naaste daarvoor in de plaats is gekomen. Dat heeft geleid tot het verdwijnen van de tweede voor de mens onmisbare relatie – de ander – door hem te doen vallen in een substantiële eenzaamheid ondanks de grote hoeveelheid virtuele relaties[6]. Zoals een Duitse band zingt: “Ik post berichten, dus ben ik..., maar van de meer dan duizend vrienden van facebook heb ik er nooit één gezien”[7].

Ook don Giulio beleefde zoals velen van ons, in contact met de moeilijke problemen van zijn jongeren de nostalgie naar zijn tijd en vertrouwde in 1934 een vriend van hem toe:

“Het doet mij verdriet te zien dat de jongeren zich niet meer interesseren voor sociale kwesties: ik denk aan mijn jonge jaren... te ver gedreven enthousiasme, geen precieze ideeën, maar men voelde eigenlijk dat het hart brandde voor een zaak van gerechtigheid, voor een grotere gelijkheid in de sociale relaties”[8].

De generatiekloof en de socio-culturele verandering bestonden ook in zijn tijd, zoals er het zoeken bestond naar pastorale methodes die erin slaagde de kreet van een lijdende mensheid te bereiken en een apostolaat van ziel tot ziel te ontwikkelen. Op zijn parochieblaadje “Vita Parrocchiale” (Parochieleven), dat hij voortzette met een moordende krachtsinspanning en onzekere middelen en dat het weekblad van het bisdom Florence zou worden, schreef hij:

“Wij priesters moeten onze oude methodes van apostolaat enigszins bij de tijd brengen, wij moeten uit onze sacristieën komen om daarheen te gaan waar men strijdt, lijdt, werkt. Wee, als de priester zou fossiliseren in bepaalde vormen van apostolaat die intussen niet meer beantwoorden aan de nieuwe zindering van het leven”.

Deze woorden herinneren aan de oproep van paus Franciscus die ons heeft gewezen op de fysieke en geestelijke randgebieden van de wereld van vandaag.

Hoezeer de aandacht van don Giulio Facibeni ook waakzaam bleef bij het zoeken van opnieuw geactualiseerde wegen van apostolaat, hij wist echter goed dat ieder programma van pastorale vernieuwing gedoemd is te mislukken, als men niet bereid is in primis het evangelie dat men aan anderen verkondigt, te beleven. Een apostolaat zeker niet als techniek, maar als levenshouding.

Rosalba Cipollone

(Wordt vervolgd)

 

 

________________________

[1] M. Bertini, Fui anch’io uno dei suoi figliuoli, in S. Piovanelli, Don Giulio Facibeni “Il povero facchino della Divina Provvidenza, Società Editrice Fiorentina, Firenze 2008, 132.

[2] Vgl. S. Piovanelli, Don Giulio Facibeni..., 47.

[3] Vgl. S. Nistri, Vita di don Giulio Facibeni, Libreria Editrice Fiorentina, Firenze 1979, 194.

[4] Vgl. Lettere di don Giulio Facibeni. A cura di S. Nistri - F. Righini, I, Libreria Editrice Fiorentina, Firenze 1979, 60.

[5] Lettere..., 81.

[6] Vgl. O. De Bertolis, La solitudine dei giovani, in “La Civiltà Cattolica” 175/I (2024) 530.

[7] Vgl. O. De Bertolis, La solitudine..., 528.

[8] Lettere di don Giulio Facibeni. A cura di S. Nistri - F. Righini, II, Libreria Editrice Fiorentina, Firenze 1979, 560.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs.H.M.G. Kretzers)

 

 

18/01/2026