Het nieuwe boek van Emilio Grasso
Het woord van God moet steeds meer de kern worden van iedere activiteit van de Kerk.
Aan deze zegswijze, zo oud als de Kerk, is door paus Franciscus herinnerd in de apostolische exhortatie Evangelii gaudium bij nr. 174.
Het woord van God vormt immers de Kerk, geeft haar leven en maakt haar missionair in de wereld.
De Zoon van God, zijn Woord, van eeuwigheid gericht op de Vader (vgl. Joh. 1, 1), is door vlees te worden binnengetreden in de tijd van de mensen. Hij heeft zijn Woord, het ware woord van God, doen weerklinken, opdat de mensen door ernaar te luisteren eeuwig leven zouden hebben (vgl. Joh. 5, 24).
Vol van het leven van God, trekken de leerlingen van Christus door de straten van de wereld, het heil aan alle mensen verkondigend. Het Woord dat hen heeft geroepen, is hetzelfde als dat hen zendt.
In deze dynamiek heeft Emilio Grasso ons dit boek, Aan de bron van Gods Woord in het leven en de zending van de Kerk, willen geven, als vertaling van het Cuaderno de pastoral ‘La Palabra de Dios en la Vida y en la Misión de la Iglesia,’ dat hij in 2007 had voltooid. Het Cuaderno is ontstaan als de vrucht van verschillende ontmoetingen die plaatsvonden over het thema met de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jésus van Ypacaraí, waarvan Emilio pastoor was, in Paraguay.
Gods woord ontmoeten wij vooral in de Heilige Schrift. Deze Schrift is als een brief die God aan de mens schrijft, opdat deze naar Hem luistert en leeft.
De auteur herinnert er echter aan dat het woord alvorens schrift te zijn woord is. En hier legt hij zijn vrienden van de parochie uit hoe de gewijde tekst is ontstaan zonder op academisch niveau te spreken.
Dan komt er een grote, verlichtende waarheid naar voren die in deze bladzijden tot uitdrukking wordt gebracht:
‘Jezus, de Zoon van God, de mens geworden God, heeft zijn leerlingen niets op schrift nagelaten. Wij hebben dus aanvankelijk geen geschrift, maar het woord. Dientengevolge hebben wij niet het lezen, maar het luisteren.’
Zo moet het lezen van de Heilige Schrift, en dat voeg ik toe, als Gods woord, altijd zijn karakter van verkondigd Woord behouden. Daarom wordt aangeraden, ook al wordt een bladzijde van de Bijbel in eenzaamheid en stilte gelezen, minstens alleen de lippen te bewegen, alsof zij wordt uitgesproken, en om het idee te geven dat men ernaar aan het luisteren is.
En de auteur verdiept dit:
‘Wij, moderne mensen, zijn gewend met de ogen te lezen. Wij lezen een hele bladzijde in een oogopslag. Wij lezen zeer snel en daarbij zoeken wij met de ogen de woorden die ons interesseren. Voor de ouden lag de kwestie anders. Zij lazen met een beweging van heel de mond, als waren zij koeien die voortdurend herkauwen. Het woord dat men in het Latijn gebruikte, was ruminatio, dat herkauwen betekent.’
Ons herinnerend aan enkele Kerkvaders, onderstreept Emilio Grasso een ander belangrijk punt betreffende het luisteren naar het woord van God: het belang van een ‘kerkelijk’ luisteren, omdat de Schrift, die ons naar dat Woord doet luisteren, tot de Kerk hoort.
‘Alleen met een juiste bijdrage van alle leden van de gemeenschap – zo stelt de auteur – kan men komen tot een begrip van de Schrift als een boek dat aan de Kerk en door middel van haar aan ieder van ons is gegeven.’
Vandaar de noodzaak het Woord, dat ons bevraagt, persoonlijk en als gemeenschap, in het middelpunt te plaatsen en niet onze wijze van denken over dat Woord, alsof Het zou moeten luisteren naar wat wij zeggen. Het is de crisis van de moderne tijd, zoals de auteur stelt, die gewend is te denken en te zeggen alvorens te luisteren: eens was het lezen belangrijker dan het overdenken dat tegenwoordig integendeel de overhand heeft gekregen ten nadele van het levend makende handelen van het Woord.
Het lezen van de Schrift moet in dezelfde Geest worden gedaan waarmee zij is geschreven, zoals de dogmatische constitutie van het Tweede Vaticaanse Concilie Dei Verbum onder nr. 12 zegt. Dat brengt een accurate studie van een bladzijde uit de Bijbel met zich mee, het begrip van de woorden die in zeer verre tijden werden gebruikt, en de kennis van wat de ‘literaire genres’ worden genoemd.
In dezelfde Geest om dieper in de tekst binnen te dringen.
Men kan de Geest alleen maar ontvangen met een nederig hart. Dat is overigens de ideale en noodzakelijke gesteldheid om het woord van God te benaderen. Met diepe nederigheid kunnen wij in ons de bekering van het hart doen rijpen, die ons meer ertoe brengt dat wij luisteren dan dat er naar ons wordt geluisterd, dat wij meer lezen om het Woord in praktijk te brengen dan erover na te denken om naar onze redenen te laten luisteren.
Hierbij wordt op Maria gewezen als model. De lectio divina is, eerder dan in de kloosters, ontstaan in het huis van Nazareth: zij bewaarde en overwoog deze dingen in haar hart, zegt ons het evangelie van Lucas (vgl. Luc. 2, 19).
Zij wijst ons de weg om te vorderen in het geloof. Alleen zo ontmoeten wij de Geest van de Heer, die ons alle, in de Schrift vervatte, mysteries onthult door haar als ‘levend’ Woord te laten weerklinken.
De Geest is de Geest van Jezus, een concrete persoon ‘van vlees en bloed die wij kennen.’ Wij kunnen de Geest van Jezus niet ontmoeten zonder langs Jezus te gaan die Hem tot ons zendt. Zo kunnen wij niet naar het Woord luisteren, als wij niet langs de letter gaan. Vandaar, zoals wij hebben gezegd, het belang van het bestuderen van de Schrift, dat in de logica van de traditionele lectio divina juist een voorwaarde is om heel het traject ervan te ontwikkelen: lectio (het lezen en het bestuderen van de tekst), meditatio (het reflecteren over de eeuwige waarden van de tekst voor een geactualiseerde lectuur), oratio (het eerste gebed dat ontstaat uit de meditatie), contemplatio (aanbidding, lof, stilzwijgen ten overstaan van Hem die het laatste onderwerp van het gebed is: Christus Jezus), evangelizatio (de verkondiging aan de volken).
Op dit punt is mooi dat de auteur Schrift en eucharistie naast elkaar plaatst. Zoals hij schrijft ‘zijn zowel de Schrift als de eucharistie het Lichaam van de Heer, en kan men de een niet ontmoeten zonder de ander.’
Tot slot herinneren wij aan dit principe dat de auteur in herinnering roept naar een bekende zin van de heilige Gregorius de Grote: ‘De Schrift groeit en gaat vooruit met wie haar leest.’
In deze dynamiek is immers heel het verlangen gelegen van de mens om aan het Woord gelijkvormig te worden. Zonder deze gelijkvormigheid blijft men erbuiten staan en lijdt men schipbreuk ver van het gelaat van God.
In laatste instantie kunnen wij zeggen dat als God heeft gesproken tot de mens en heeft gewild dat zijn woorden in een boek werden opgeschreven, de Heilige Schrift ervoor is, opdat de mens Hem kan ontmoeten. Heel zijn leven moet voortkomen uit het luisteren naar het Woord dat alleen zin heeft in de ontmoeting met Hem die dat Woord heeft uitgesproken. En de auteur merkt op: de ontmoeting is met God en niet met een boek.
‘Het christendom is niet een godsdienst van het boek – in de zin van de twee andere grote monotheïstische godsdiensten, jodendom en islam – maar de godsdienst van het vleesgeworden Woord.’
Daarom heeft Emilio Grasso, toen hij zijn vrienden van de parochie Sagrado Corazón de Jésus van Ypacaraí bijeenbracht, in avonden vol pathos hun de rijkdom van het woord van God willen geven, en vandaag ook aan ons, opdat wij het altijd kunnen zoeken, het ons leven kunnen laten worden, met de broeders en zusters delen en verkondigen aan hen die veraf zijn.
Emilio Grasso, Aan de bron van Gods Woord in het leven en de zending van de Kerk, Averbode|Erasme, 2020, 92 blz.
INHOUDSOPGAVE
|
Inleiding |
7 |
|
1. Kerk en Heilige Schrift |
15 |
|
Een kerkelijk lezen |
24 |
|
2. Hoe lezen en overwegen we de Heilige Schrift? |
33 |
|
Het begin van het moderne denken |
35 |
|
In dezelfde Geest lezen |
41 |
|
3. De bekering van het hart |
45 |
|
Er is geen Geest zonder letter |
49 |
|
4. Drinken uit eigen bron |
61 |
|
De vooruitgang in begrip |
64 |
|
De persoonlijke ontmoeting |
70 |
|
5. Slot |
87 |