De Heilige Vader Franciscus heeft ons in de mis voor de opening van de Bisschoppensynode de weg van een authentieke synodaliteit gewezen.

In onze pastorale activiteit gaan wij meestal uit van een idee van christen zijn dat wij hebben, om vervolgens te zien hoe wij de anderen tot dit idee kunnen laten komen.

Deze gewoonte moet worden omgekeerd.

Een gewoonte omkeren wil zeggen dat wij als weg die wij moeten gaan, de concrete mens die wij ontmoeten, de reële en historische mens die wij tegenkomen, werkelijk accepteren, en niet een abstracte mens die wij ons voorstellen.

Wat dit betreft, herinneren wij aan de woorden van de heilige Johannes Paulus II in zijn eerste encycliek:

“De mens is de eerste weg die de Kerk moet gaan bij de vervulling van haar zending. Hij is de eerste en fundamentele weg van de Kerk, een weg die door Christus zelf werd aangegeven, een weg die onveranderlijk loopt via het mysterie van de menswording en de verlossing” (Redemptor hominis, 14).

Deze acceptatie brengt ons tot een weg van ontlediging, waarbij wij langzaam al onze zekerheden verliezen en waarbij wij vóór alles onze religieuze en culturele armoede ontdekken. Armoede wil zeggen dat wij geen van tevoren bedachte oplossingen meer hebben, interpretatieschema’s die wij alleen maar hoeven toe te passen.

Een verhelderende tekst van de heilige Gregorius de Grote wijst ons erop hoe de Geest, die tot ieder lid van het volk van God spreekt, ervoor kan zorgen dat de leermeester op zijn beurt leerling wordt van zijn leerlingen die het meest verlicht zijn door de Geest.

Toen de heilige Gregorius de Grote bij het becommentariëren van het boek Job het woord van God las, zei hij:

“Ik laat het aan het oordeel van de lezer over om voor de interpretatie te kiezen waaraan hij de voorkeur geeft. Als vervolgens geen van de twee interpretaties die ik voorstel, mijn lezer bevredigt, zal ik heel graag hem volgen, als hij erin slaagt een te vinden die meer overeenkomt met de tekst en dieper gaat; ik zal hem volgen, zoals een leerling zijn meester volgt, omdat ik van mening ben dat wat hij beter dan ik verstaat, aan mij persoonlijk wordt gegeven. Wij allen die vol van geloof durven spreken over God, zijn immers instrumenten van de Waarheid. En de Waarheid kan zowel de ander door middel van mij, als mij door middel van een ander haar stem laten horen. Zij bevindt zich te midden van ons en behandelt ons allen billijk, ook al gedragen wij ons niet altijd billijk. Vaak komt het iemand toe goed te luisteren naar hetgeen zij door middel van een ander hem laat horen, vaak komt het ook iemand toe goed te laten horen waarnaar anderen moeten luisteren” (Moreel Commentaar op Job, XXX, 27, 81).

Toen de heilige Johannes Paulus II tot de jongeren van Ecuador sprak, zei hij dat “het leven de realisatie van een jeugddroom is”.

Ons vermogen om de jongeren te begeleiden bestaat erin dat wij hen deze droom kunnen laten ontdekken, hen zich ervan bewust laten worden dat er in het binnenste van hun hart “een wit steentje” bestaat dat verborgen is en “waarop een nieuwe naam is gegrift die niemand kent dan hij die hem ontvangt” (Apok. 2, 17).

Het is de ontdekking van die witte steentjes, van die nieuwe namen die de evangelisatie gestalte geeft en die de jongeren evangeliseert.

Deze ontdekking is onmogelijk zonder het gebed.

Het gebed is een ontmoeting, een relatie. Het is de ontmoeting tussen God en de mens.

De menswording van de Zoon van God, de God die mens wordt, geeft ons de mogelijkheid om te bidden, omdat Jezus God is die in de schepping zich het eerst tot de mens richt en de mens de gelegenheid geeft zich tot Hem te richten.

Het woord van God, de Bijbel, is dus als een brief die gericht is aan heel het volk van God, die Hij tot mij persoonlijk richt, maar die Hij ook aan ieder van ons schrijft, aan alle volken van alle tijden, van alle landen. God schrijft deze brief; ik, arme mens, begrijp enkele dingen, ik begrijp een zekere diepgang, een zekere betekenis van deze brief, maar heb niet het vermogen om heel de diepgang ervan te begrijpen.

Er is iets dat ik niet begrijp, maar jij begrijpt; er is iets dat jij niet begrijpt en ik ook niet, maar er is iemand anders die het begrijpt en het ons kan uitleggen. Het woord van God is een Woord dat gericht is tot heel het volk van God en niet buiten het volk van God begrepen kan worden.

Ik kan niet alleen, geïsoleerd van de anderen, naar een begrip van het Woord zoeken. Ik kan het alleen begrijpen te midden van het volk: als ik leef, lijd, strijd, droom, hoop, maar nooit buiten het volk.

Het is belangrijk te midden van het volk te staan, altijd! Alleen daar kunnen wij naar het Woord luisteren en alleen daar kunnen wij op het Woord antwoorden. Het grootste gebed, het ware gebed, het diepste gebed is daar waar het luisteren en het antwoord van het volk van God zich bevinden.

Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs.H.M.G. Kretzers)

 

 

01/01/2022