Er bestaat een “geliefd gelaat” dat athematisch ons handelen leidt en de wereld modelleert naar de figuur van het “geliefde gelaat”

 

De dood van Stalin veroorzaakte het einde van de eenheid van de communistische wereld en het begin van een nieuwe fase daarbinnen. De openbaringen van de Stalinistische misdaden in het Chroesjtsjov rapport, de schuchtere zinspelingen naar een ontdooiing, die ook te danken was aan de internationale politiek van ontspanning, het zoeken naar nationale wegen naar socialisme, de poging om een “socialisme met een menselijk gezicht”, een poging die in de Praagse lente van 1968 haar meest opwindende en bevrijdende ogenblik kende, brachten de communistische internationale beweging ertoe zich, weliswaar binnen zijn eigen traditie, een nieuwe theoretische basis te verschaffen.

Zo trachtte men te komen tot een herinterpretatie van Marx die de mens weer in het centrum van zijn programma zou stellen. Zo was men getuige van een heroverweging van problemen die verband hielden met de menselijke persoon (liefde, verdriet, uniciteit, dood...), die aanvankelijk op zich werden beschouwd als vervreemdend. In deze lijn van heroverweging van het “persoonlijke” en herwaardering van het subjectieve ogenblik was de bijdrage van de Italiaanse beweging belangrijk. Dat is ook grotendeels te danken aan de herontdekking – na een oorspronkelijke marginalisering – van het denken van degene die wordt beschouwd als de grootste en meest originele Italiaanse marxistische denker: Antonio Gramsci. Mijn beschouwing betreft hier niet een onderzoek van het denken van Gramsci. Mij interesseert alleen de aandacht te vestigen op drie uitdrukkingen die te vinden zijn in enkele brieven aan Julia, de vrouw waarmee hij een hartstochtelijke en veelbewogen verhouding had.

“Ik heb je nodig. Ik kan niet zonder jou... Ik voel mij, als hang ik in de lucht, ver van de werkelijkheid”[1]. “Jouw liefde heeft mij gesterkt, heeft werkelijk van mij een man gemaakt, of heeft mij minstens doen begrijpen wat een man en het hebben van een persoonlijkheid is”[2].

“Hoe vaak – zo zal hij aan Julia schrijven – heb ik mij afgevraagd of het mogelijk was zich aan een massa te binden, wanneer men nooit iemand had liefgehad, zelfs niet zijn eigen verwanten, of het mogelijk was een collectiviteit lief te hebben, als men niet diep afzonderlijke menselijke schepselen had bemind”[3].

Een uitvoerige en diepgaande analyse van het “verborgen leven” van Gramsci zou ons ertoe kunnen brengen de zeer vele, zo oorspronkelijke aspecten te belichten van zijn denken die “het gelaat” de voorkeur geven boven het “systeem”.

Het lijkt mij – en hierin brengt mijn ervaring mij ertoe de stelling van Gramsci volledig te delen – dat men zich alleen, boven zichzelf uitstijgend, geheel kan openen door uit te gaan van een gelaat: voor een massa, wat Gramsci betreft, voor het Gelaat dat alles omvat, dat verwezenlijkt en ieder gelaat te boven gaat, wat ons christenen betreft.

Het wezenlijk criterium ligt daarom tussen een wijze van denken die uitgaat van een geheel van waarheden (het is van weinig belang of die zijn geopenbaard, beredeneerd of eenvoudig aanvaard) en een wijze van denken die verband houdt men een individueel gelaat dat echter alleen ten volle gestalte krijgt door zich, boven zichzelf staande, te openen.

Wanneer men uitgaat van de ontmoeting met een gelaat, ontstaat er een cultuur die in relatie wil treden, communiceren, bewaren, ontwikkelen, verdedigen, vereeuwigen, tot volheid brengen.

Een “cultuur van het gelaat” is niet dogmatisch, niet schematisch. Zij is dynamisch, doordringbaar voor het nieuwe, niet triomfalistisch in zichzelf opgesloten. Zij staat open voor Hem die “het punt” is “waarnaar alle verlangens van de geschiedenis en de beschaving convergeren, het centrum van de mensheid, de vreugde van alle harten en de vervulling van hun verlangens”[4].

Als wij eraan willen werken om in een concrete culturele omgeving niet een abstracte boodschap te introduceren, maar de heilzame dynamiek van het Enige Gelaat dat alles in vervulling doet gaan, dan is het nodig dat wij een “theologie van het gelaat” ontwikkelen.

Een “cultuur van het gelaat” opent zich alleen maar voor een Gelaat.

Als wij in ons lichaam drager zijn van de glans van het Gelaat en dit Gelaat trekt allen naar zich toe op het ogenblik dat het wordt veranderd in de gave van het kruis, zullen wij, aangetrokken en bewogen door die blik, niet anders kunnen doen dan de zwakken, de armen, de onderdrukten, de lijdenden, de kleinen te bevoorrechten. Dat zijn zij die het innigst, alhoewel nog niet bewust en als offergave, het meest aan Hem gelijkvormig zijn geworden.

De weg van de inculturatie is niet de weg van een nieuwe veroveringstechniek, niet de weg van onderwerping van anderen voor kortstondige triomfalismen, maar een weg die vraagt om onze verandering door de enige weg die de leerling moet volgen.

“Wij moeten op Jezus willen lijken, op Jezus wiens gelaat verborgen was”[5].

En als wij op Jezus zullen lijken, “wiens gelaat verborgen was”, als wij in Hem, met Hem en door Hem zullen weten te lijden en te sterven, dan zullen wij in Hem, met Hem, door Hem verrijzen en zal men van ons zeggen, die trekken langs de wegen van de wereld, “terwijl wij overal leven als reizigers, altijd als pelgrims, nederig en blij onze culturele armoede erkennen en aanvaarden”[6]:

“Bevalligheid verspreidend

In duizendvoud, sneld’Hij door deze dreven,

En gaandeweg ze aanziende,

Alleen al door zijn aanblik

Liet Hij ze achter Zich bekleed met schoonheid”[7].

Emilio Grasso

 

 

____________________

[1] G. Fiori, Vita di Antonio Gramsci, Laterza, Bari 1966, 192.

[2] G. Fiori, Vita di Antonio Gramsci…, 193.

[3] G. Fiori, Vita di Antonio Gramsci..., 184.

[4] Gaudium et spes, 45.

[5] Teresia van Lisieux, Brieven. Verzord en ingeleid door J. Devadder, Carmelitana, Gent 1983, 329.

[6] Vgl. A. Roest Crollius, Per una teologia pratica dell’inculturazione, in Inculturazione. Concetti, problemi, orientamenti, Centrum Ignatianum Spiritualitatis, Roma 1979, 43.

[7] Sint Jan van het Kruis, Geestelijk Hooglied (De Jaén redactie), 5e strofe, in G. Brenan, Sint-Jan van het Kruis. Leven en poësie, Gooi & Sticht bv, Hilversum 1988, 231.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

10/09/2022