Een overweging betreffende de Kerk in Nederland
Wij willen u deze overweging, door Emilio Grasso in 2014 op papier gezet, voorhouden, daar zij heel haar actualiteit ten opzichte van de uitdagingen laat zien die de Kerk tegenkomt in de moeilijke wereldwijde context van de secularisatie.
![]()
Het Ad Limina Apostolorum-bezoek van de Nederlandse bisschoppen in het Vaticaan, met als hoogtepunt de audiëntie van de
Heilige Vader op 2 december 2013, heeft een dramatisch beeld laten zien van de situatie van het geloof van het land. Tot op vandaag heeft het percentage sluitingen van gebouwen voor de eredienst geschommeld tussen één en twee per week. Maar de Nederlandse bisschoppen hebben paus Franciscus aangekondigd dat in de komende twaalf jaar tweederde van de katholieke kerken zal worden gesloten of verkocht. Volgens het Nationaal Bureau voor de Statistiek heeft in 2010 bijna 16% van de Nederlandse bevolking verklaard katholiek te zijn en schat men dat in 2020 dit cijfer tot rond de 10% zal afnemen. In Nederland zou het aantal verklaarde atheïsten rond de 50% van de bevolking liggen. Meer dan 23 duizend katholieken hebben de Kerk verlaten in 2010, dat het slechtste jaar is geweest. Het jaarlijks gemiddelde van kerkverlatingen van 2006 tot vandaag is ongeveer achttienduizend per jaar.
Een verschijnsel dat was voorzien
In een voorwoord van een aanzienlijk belang op een boek, kwam mgr. Bačkis, de toenmalige apostolische pronuntius in Nederland, tot bepaalde conclusies:
“Onderzoeken van sociologen, statistische gegevens en vooruitzichten dragen slechts bij tot een groter pessimisme ten opzichte van de toekomst van de Kerk in onze streken. Men verliest zich in talloze vergaderingen en besprekingen over hoe men de uitdagingen van de hedendaagse geseculariseerde maatschappij tegemoet moet treden en men heeft de indruk dat men ‘in een kringetje blijft ronddraaien’ zonder tot de essentie te geraken”[1].
Niet veel eerder had pater Chappin van de Pontificia Università Gregoriana, in een artikel dat was verschenen in “La Civiltà Cattolica”, de aandacht gevestigd op het dramatisch karakter van de daling van de roepingen.
Pater Chappin schreef dat in het geval dat men geen maatregelen neemt om de huidige tendens te corrigeren, het aantal priesters in 2050 op een totaal van 5.100.000 katholieken 450 zal zijn. Een verhouding dus van één priester op iedere 11.000 katholieken[2].
Voor de geschiedenis van de Kerk in Nederland in de huidige tijd stelt prof. Jan Bots een onderverdeling voor die twee momenten voorziet: een eerste dat gaat van 1919 tot 1960 en dat de bloeiperiode wordt genoemd, en een tweede dat van 1960 tot 1970 gaat en dat de periode van de desintegratie wordt genoemd[3].
Het christendom van de verzuiling
De stellingen zijn vrij bekend: in de bloeiperiode had men de grootste ontwikkeling van alle organisaties die werkten op puur confessionele basis. Op katholieke basis werden achtereenvolgens georganiseerd: de charitatieve instellingen, de zorg in de ziekenhuizen en voor de geesteszieken, de pers, de school, de politiek, het maatschappelijk leven, de vakbonden, heel het terrein van de vrije tijd, de radiocommunicatie. Dit hele systeem, dat de naam heeft van verzuiling, is sinds de jaren ’60 letterlijk
gedesintegreerd.
Deze desintegratie stelt diepgaande vragen, waaraan men niet kan ontkomen, over de validiteit van de bloeiperiode.
Is een bloei die in een tijdsbestek van weinig jaren desintegreert, een werkelijke bloei? Wat voor een diepgang van vrije en persoonlijke gehechtheid hadden die vormen van katholicisme? Is het statistisch-sociologisch gegeven voldoende om het mysterie van de Kerk te verklaren? Staat een Kerk van de grote organisaties, van de triomfalistische parades, van de grote middelen van maatschappelijke druk dichter bij het mysterie van Christus dan een Kerk die in armoede en diaspora de wegen zoekt van trouw aan de Heer, die zich aan ons presenteert en die moet worden verkondigd niet in de vormen van de wijsheid en het wonder van de macht, maar in die van de dwaasheid en de waanzin van het kruis?
Een punt lijkt ons belangrijk om te onderstrepen, en wel het kruispunt waar de geschiedenis van de Kerk in Nederland met haar bloei en desintegratie de theologie van de openbaring ontmoet.
De tijd van de verzuiling lijkt ons nog een oudtestamentische tijd. Zoals in de tijden van Israël God zijn verbond sloot met een volk dat een uitverkoren volk bleef, zo had men in het christendom van de verzuiling de indruk dat het voldoende was verzuild te zijn om een goed christen te zijn. Het maatschappelijk-culturele element overheerste het persoonlijke.
De dood van het christendom van de verzuiling moet worden bezien met de blik van het geloof en als een diepgaande oproep tot een hernieuwd lezen van Gods plan in Christus.
Men wordt christen, niet als christen geboren
Als wij wat wij van nature, door geboorte, door cultuur, door te behoren tot een bepaalde maatschappelijke kring zijn, vereenzelvigen met ons christen zijn, betekent dat dat wij onze trouw aan Christus zelf op het spel zetten. De Kerk zelf kan haar trouw aan Christus op het spel zetten, wanneer zij christen zijn en cultuur, Christus en maatschappelijke instellingen en politieke structuren lijkt te willen vereenzelvigen. Israël vereenzelvigde zich met een beschaving, een natie, een ras. Voor het christendom is dat niet meer zo. De christenen blijven als in het luchtledige hangen. Voor iedere generatie, met iedere generatie moet het christendom opnieuw geboren worden, er is geen mogelijkheid van een natuurlijke continuïteit. Ons christen zijn is afhankelijk van een persoonlijke instemming, die de mens altijd kan weigeren en waarop hij kan terugkomen, als hij die eens heeft gegeven. Het is mijn persoonlijke aansluiting die de Heer vraagt. Het is de Ik-Jij-dialoog die de basis legt voor de maatschappelijke verhouding, het netwerk van relaties die de gemeenschap vormen.
Een christelijke omgeving, een christelijke cultuur kan helpen, maar kan ons ook het karakter doen verliezen van een onvervangbaar persoonlijk antwoord dat de Heer van ons vraagt. Niet altijd vormt een beschermde omgeving heilige personen.
De uitdaging van de nieuwe evangelisatie bestaat niet in het vormen van een nieuwe christenheid, maar van nieuwe mensen, die in staat zijn op open zee te reizen, onder allerlei stormen en moeilijkheden, die in staat zijn de oceanen te doorklieven
zonder angst te landen in nieuwe gebieden.
Onze tijd is een tijd waarin een geloof sterft zonder vrucht te dragen, als het niet een wereld waardoor het ogenschijnlijk wordt afgewezen, het hoofd biedt.
Deze wereld niet het hoofd bieden of haar alleen maar met banvloeken en kruistochten het hoofd bieden wil zeggen dat ons geloof zich baseert op ons en niet op Hem die de macht van de duisternis al heeft overwonnen.
Deze rustige, wijze, nederige, niet drieste inzet, echter zonder minderwaardigheidscomplexen, vereist een edelmoedig hart, dat het avontuur op open zee niet vreest, omdat de hand van Hem die ons liefheeft, daar is om ons te ondersteunen en ons te bevrijden van ieder uiterlijk en innerlijk slaaf zijn van onszelf.
Kierkegaard herinnert ons eraan dat men een mens niet tot een bepaald standpunt kan brengen zonder moeite te doen hem te ontmoeten waar hij zich bevindt. De ander juist daar ontmoeten waar hij zich bevindt, en daar beginnen, niet om hem te verplichten een mening, een overtuiging, een geloof te accepteren (daar de keuze voor zijn vrijheid niet tot onze vrijheid behoort), maar om hem te plaatsen voor een vrije beslissing.
Onze gesprekspartner ontmoeten niet vanuit ons vertrekpunt, maar “vanaf de plaats waar hij staat”, zal voor ons betekenen het avontuur van het geloof beleven. En om geloof te hebben is een situatie nodig die met een existentiële keuze tot stand is gebracht door met elan de gewone middelmatige sleur te overwinnen. Dat zal betekenen “de hoge zee op gaan, daar waar de diepte 70.000 vadem is: dit is de situatie. Nu gaat het erom geloof te hebben of te wanhopen”[4].
En als wij geloof hebben, als wij weten “de hoge zee op te gaan”, dan moet dit geloof worden voorgehouden, daar de “menigten recht hebben om de rijkdom te kennen van het mysterie van Christus, waarin wij geloven dat heel de mensheid in een onvermoede volheid al datgene kan vinden wat zij tastend zoekt over God, over de mens en zijn bestemming, over het leven en de dood, en over de waarheid” (Evangelii nuntiandi, 53).
_______________________
[1] A.J. Bačkis, Voorwoord, in Nu daagt het in het Oosten. Impressies van recente ontwikkelingen van de Kerk in het Oosten. Onder leiding van J. Hermans e.a., Stichting R.K. Voorlichting (Katholieke Informatie 15), Oegstgeest z.j. [1990], 1.
[2] Vgl. M. Chappin, Il numero dei sacerdoti nei Paesi Bassi: oggi e domani, in “La Civiltà Cattolica” 138/IV (1987) 363-364.
[3] Vgl. J. Bots, La Chiesa nei Paesi del Benelux, in Storia della Chiesa. Diretta da H. Jedin, X/2. La Chiesa nei vari paesi ai nostri giorni, Jaca Book, Milano 1984, 513-523.
[4] Vgl. S. Kierkegaard, Diario 1850-1851, VIII. A cura di C. Fabro, Morcelliana, Brescia 1948-1982, X4 A 114, 223.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
26/11/2022