Ik ga vaak terug naar wat ik in mijn vroegste jeugd het liefst heb gelezen. Bepaalde schrijvers zijn voor mij een leermeester en leidsman geweest die men met het verstrijken van de tijd nog beter begrijpt en met wie een ontmoeting verplicht en steeds vruchtbaarder is.

Wij beleven tegenwoordig roerige tijden in de Kerk en er zijn veel mensen die zich geschokt voelen in hun geloof.

Velen zeggen met het uiterste gemak en oppervlakkige onwetendheid dat de tijd, door Nietzsche voorspeld, is gekomen van de aankondiging van de dood van God en van de definitieve begrafenis van de Kerk.

Er zijn meer dan zestig jaar voorbijgegaan sinds Emmanuel Mounier schreef over dit thema in een verhelderend artikel. Ik geef hier het begin ervan:

De doodstrijd van het christendom: ... toen Unamuno vanuit Spanje deze kreet een nog gelukzalig onverschillige wereld inzond, wist hij dat hij provoceerde en wilde hij dat ook. Hij kon er niet aan twijfelen dat er weinigen zouden zijn die zich het Grieks voldoende herinnerden om te begrijpen dat hij een strijd aangaf en niet een einde, of die het dogma voldoende kenden om zich te herinneren dat Christus en zijn Kerk in doodstrijd zijn tot aan het einde van de wereld”.

Het slot van het betreffende artikel schoot mij weer te binnen, toen ik luisterde naar de woorden van Benedictus XVI, terwijl hij op 11 mei 2010 sprak tot de journalisten aan het begin van zijn pelgrimstocht naar Fatima.

Dit zijn de slotwoorden van het artikel van Mounier:

“Het christendom wordt niet bedreigd door ketterij: het brengt niet meer voldoende hartstochten in beweging dat dit kan gebeuren. Het wordt bedreigd door een soort stille afvalligheid, die wordt veroorzaakt door de onverschilligheid waardoor het wordt omringd, en door zijn eigen verstrooidheid”.

En zo analyseerde de Heilige Vader de huidige situatie van de Kerk:

“De grootste vervolging van de Kerk komt niet van de vijanden buiten haar, maar ontstaat uit de zonde in de Kerk. De Kerk heeft derhalve ten diepste behoefte eraan om opnieuw boetedoening te leren, loutering te aanvaarden, om enerzijds vergeving, anderzijds ook gerechtigheid te leren. ... Wij zijn realistisch genoeg om te verwachten dat het kwaad altijd aanvalt, van binnen en van buiten, maar dat ook de krachten van het goede aanwezig zijn en dat uiteindelijk de Heer sterker is dan het kwaad”.

God vraagt niet van ons om onszelf de ogen uit te steken

De ontdekking van onze persoonlijke zonde met maatschappelijke en structurele gevolgen zuivert ons geloof van zeer vele vormen van triomfalisme die steeds op de loer liggen, en stelt opnieuw de macht centraal van de Heer, die iedere vijandige kracht overwint, niet door middel van tekens en wijsheid, maar door middel van de dwaasheid en de aanstoot van het kruis (vgl. 1 Kor. 1, 22-25).

En hier heb ik opnieuw een schitterende bladzijde gelezen van een van de grote leermeesters uit mijn jeugd, Georges Bernanos:

“Ik voel mij thuis in de Kerk, ik heb geen angst om in één minuut de vrucht te verliezen van de moeite die ik heb gedaan om er binnen te treden, omdat ik in haar ben geboren. Dit maakt mij misschien onrechtvaardig ten opzichte van mensen die minder zeker zijn dan ik, en die tevergeefs proberen mij te bewijzen dat het huis goed is, de pastoors voortreffelijk zijn, de kloosters vol liefde, de katholieken oprecht. Voor mij is het voldoende te weten dat, als het zo is – overeenkomstig iedere menselijke waarschijnlijkheid en logica –, God het heeft gewild, die weet wat Hij doet, die niet van ons vraagt om onszelf de ogen uit te steken om niet meer te zien, evenals Hij niet van ons vraagt om onszelf te castreren om de zonde tegen het zesde gebod te vermijden. Het lijkt dat voor iedere katholiek er niet meer dan één volstrekt legitiem handelen bestaat zonder risico van excessen, de verdediging van het kerkelijk gezag en haar methodes, de fanatieke verheerlijking van haar kleinste successen, het verheimelijken van haar nederlagen, ook ten koste van schandalige leugens... U zult mij antwoorden dat deze onschuld van het geloof de eenvoudige zielen rust geeft. Maar tot wanneer? Met wat voor recht laat u het toe dat zij ervan overtuigd raken dat de Kerk op het ritme van voortdurende wonderen verder gaat zonder een pas op de plaats te maken of een stap terug te doen? Als op een dag in het ongunstigste geval het Vaticaan opengaat voor een onbekwaam of onwaardig figuur, dan verliezen deze ongelukkigen het geloof, omdat zij geloven dat zij door God zijn bedrogen!”.

Sinds die verre januari 1940, toen Bernanos deze striemende en profetische bladzijde schreef, is er tijd vergaan. De diepe waarheid van de noodzaak van een loutering van ons geloof blijft echter des te meer van kracht.

En in zijn eerste homilie in Portugal komt Benedictus XVI nog eens op de kern van het probleem terug, wanneer hij een wijze van ons zijn en handelen aanroert die als vanzelfsprekend beschouwt wat inmiddels nog moet worden aangetoond, en daarbij doet hij impliciet een duidelijk pastorale suggestie:

“Dikwijls maken wij ons – zo waarschuwde de Heilige Vader – wanhopig druk over de maatschappelijke, culturele en politieke gevolgen van het geloof en beschouwen het als vanzelfsprekend dat het geloof er is, en dat is helaas steeds minder realistisch. Men heeft misschien overdreven vertrouwen gesteld in de structuren en programma’s van de Kerk, in het verdelen van macht en functies; maar wat zal er gebeuren, als het zout smakeloos wordt?”.

Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs.H.M.G. Kretzers)

 

 

19/06/2023