Zoals de Kerk door haar overweging heeft begrepen dat de unieke band die er bestaat tussen Jezus en Maria niet door de dood teniet is gedaan, zo heeft zij ook de voorrechten van deze eenheid uitgebreid tot de ontvangenis van Maria, die bewaard is voor de erfzonde. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft immers – herinnerend aan het mysterie van de tenhemelopneming (vgl. Lumen gentium, 59) – de nadruk gelegd op het voorrecht van de Onbevlekte Ontvangenis: juist omdat zij gevrijwaard is gebleven van iedere smet van erfschuld, kon Maria niet, zoals de andere mensen, tot het einde van de wereld in de toestand van de dood blijven. Het afwezig zijn van de erfzonde en de volmaakte heiligheid vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan brachten voor de Moeder van God noodzakelijk de volle verheerlijking met zich mee van haar ziel en haar lichaam.

“Het hoogfeest van de Onbevlekte Ontvangenis wordt op 8 december gevierd. Het belicht het geloofsdogma, door Pius IX op 8 december 1854 bepaald met de encycliek Ineffabilis Deus, volgens hetwelk ‘de allerheiligste Maagd al bij het eerste ogenblik van haar ontvangenis door de bijzondere genade en het bijzondere voorrecht, haar verleend door de almachtige God, met het oog op de verdiensten van Jezus Christus, verlosser van het menselijk geslacht, werd gevrijwaard van iedere smet van de erfzonde’. De Kerk is altijd overtuigd geweest van de waarheid van de Onbevlekte Ontvangenis: vanaf de eerste eeuwen hebben de heilige Justinus, de heilige Ireneüs en Tertullianus zich in deze zin uitgedrukt; bij hen voegden zich de heilige Ambrosius, de heilige Augustinus en de heilige Sophronius”[1].

Daar God niet onderworpen is aan het schema van de tijd, heeft Hij haar vóór haar geboorte zijn genade geschonken met het oog op de toekomstige verdiensten van haar Zoon. Dit maakt van Maria echter geen godin of geen vierde persoon van de Allerheiligste Drie-eenheid. Maria is een menselijk schepsel dat Gods genade nodig heeft gehad, zonder welke zelfs zij niet gered had kunnen worden. Zij hoort tot haar volk en is op weg. Het verschil tussen ons en Maria is dat wij de genade krijgen door het doopsel na onze geboorte (de erop volgende genade), terwijl Maria deze gekregen heeft voordat zij werd geboren (de voorafgaande genade).

Toen de Concilievaders nadachten over de rol van Maria, vroegen zij zich af of het gepast was een apart document over haar te schrijven. Het conciliedebat leidde tot de beslissing Maria te behandelen binnen de dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium in te voegen. Zo werd duidelijk dat Maria in de Kerk staat en niet erbuiten. Nadat er over het mysterie van de Kerk is gesproken, gaat men in deze constitutie over tot de beschrijving van de eigen aard van het volk van God, om vervolgens de hiërarchische opbouw ervan na te gaan, en te wijzen op de specifieke functie van bisschoppen, priesters en diakens. Vervolgens wordt gesproken over de zending van de leken, over de universele roeping tot heiligheid, over de eigen roeping van de religieuzen en de eschatologische aard van de pelgrimerende Kerk. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de Maagd Maria, als hoogtepunt van heel de Kerk, de ster die de weg wijst, het voorbeeld waarnaar wij allen moeten streven.

“Alles in de Kerk, iedere instelling en ieder ambt, ook dat van Petrus en zijn opvolgers, is inbegrepen onder de mantel van de Maagd, in de ruimte vol van genade van haar ja tegen de wil van God. Het betreft een band die in ons allen van nature een sterke affectieve weerklank heeft, maar vóór alles een objectieve waarde. Tussen Maria en de Kerk is er immers een verwantschap die het Tweede Vaticaans Concilie krachtig heeft onderstreept met de gelukkige keuze om het behandelen van de Heilige Maagd aan het einde te plaatsen van de constitutie over de Kerk Lumen gentium[2].

Maria staat daarom te midden van het volk en is samen daarmee onderweg. Dientengevolge zijn de vreugden, de smarten en het lijden van het volk de vreugden, de smarten en het lijden van Maria.

Dit is belangrijk, omdat het wil zeggen dat wij niet voor Maria moeten gaan staan, maar, evenals Maria, voor God. Maria is op weg naar God en wij zijn naast haar op weg; en wanneer wij weigeren de wil van God te doen en ophouden Hem te volgen, blijft zij toch met ons meegaan en wacht ze op ons. Wij kunnen niet plannen ons te bekeren, wanneer wij dat willen, alsof wij de baas waren over de tijd en de geschiedenis, en God in het kader van onze planning konden inpassen. God is geen stuk speelgoed in onze handen. Integendeel, God openbaart zich wanneer, zoals en waar Hij wil. Hij is de Schepper en wij zijn zijn schepselen. De Heer is goed, geduldig, barmhartig en Hij gaat op zoek naar de mens; maar ons leven plannen zonder tot aan de dag van de dood ooit een relatie met Hem aan te willen gaan, betekent: een grenzeloze hoogmoed bevorderen.

Maria integreren in het volk van God nodigt ertoe uit een verkeerde mentaliteit te corrigeren die alle hulp van Onze-Lieve-Vrouw verwacht zonder dat de mens zou delen in de inspanning om de schepping om te vormen en om de komst van het Rijk van God voor te bereiden.

Deze verhelderingen over Maria’s rol binnen het volk van God hebben belangrijke consequenties voor sommige uitingen van de volksreligiositeit.

Emilio Grasso, Maria. Dochter, Bruid en Moeder van het Woord
Averbode|Erasme, 2016, 53-55.

 

 

_________________

[1] P. Petrosillo, Il Cristianesimo dalla A alla Z. Lessico della fede cristiana, San Paolo, Cinisello Balsamo [MI] 1995, 180.

[2] Benedictus XVI, Eucharistische concelebratie met de nieuwe kardinalen en overhandiging van de kardinaalsring, 25 maart 2006.

 

 

 

08/12/2024