Een van de eerste sleutels voor een interpretatie van hetgeen het pontificaat van paus Leo XIV zal zijn, vinden wij in de lijfspreuk die in zijn bisschopswapen geschreven is: “In Illo uno unum”. Het betreft de woorden die de heilige Augustinus in een preek, Uiteenzetting over psalm 127, uitsprak om uit te leggen dat wij christenen, hoewel wij met velen zijn, één in de enige Christus zijn.

In zijn allereerste toespraak, onmiddellijk na zijn verkiezing uitgesproken vanaf de centrale loggia van de Sint-Pietersbasiliek, heeft Leo XIV zijn geestelijke en theologisch-pastorale wortels in het feit dat hij een augustijner monnik is, opgeëist: “Ik ben een zoon van de heilige Augustinus, een augustijn, die heeft gezegd: ‘Met u ben ik christen en voor u bisschop’”.

De heilige Augustinus (354-430) begon in Afrika een klooster van lekenmonniken te stichten. Het wezenlijke van de spiritualiteit die in die huizen heerste, wordt voor ons door zijn vriend Possidius, die ook zijn eerste biograaf was, als volgt beschreven:

“De eerste voorwaarde was niets als eigendom te bezitten, dat alles gemeenschappelijk was en onder ieder werd verdeeld naar zijn behoeften overeenkomstig het principe dat door de heilige apostelen was vastgesteld”.

De verwijzing naar het leven van de oorspronkelijke gemeenschap van Jeruzalem, zoals de Handelingen van de Apostelen ons vertellen, is duidelijk:

“De menigte die het geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk” (Hand. 4, 32).

Voor de heilige Augustinus is onder al de praktijken van het kloosterleven het afzien van persoonlijke goederen de belangrijkste. Door middel van deze praktijk hebben de antieke rijken geen enkele reden meer om de antieke armen te verachten en de antieke armen hebben geen reden meer om de antieke rijken te vleien: er zijn geen rijken of armen meer tegen hun wil. Het wezenlijke dat hieruit voortvloeit, is dat allen nu dezelfde roeping hebben om ieder Tempel van God te zijn.

In de beschrijving van de oorspronkelijke gemeenschap van Jeruzalem vindt de heilige Augustinus het ideaal van de heilige maatschappij waarvan hij droomt. En deze heilige maatschappij wordt verwezenlijkt in de innige vereniging van de twee aspecten van de caritas, liefde: de gemeenschap van goederen en de vereniging van de harten. De heilige Augustinus weet heel goed dat het handhaven van een echt gemeenschappelijk gebruik van goederen heel weinig nut zou hebben, als de innerlijke gesteldheid in strijd zou zijn met de uiterlijke toestand van het gemeenschappelijke leven. Om de monastieke armoede haar waarheid van teken en haar vervulling in de liefde te verzekeren, voegt hij een waarschuwing toe, namelijk dat de rijken zonder terughoudendheid en zonder verdriet hun rijkdommen delen en dat de armen niet de verleiding hebben te geloven dat zij er al zijn.

Hier hebben wij de sleutel tot begrip om een authentiek discours onder ogen te zien over religieuze armoede, die beleefd moet worden in het noorden en het zuiden van de wereld. Deze sleutel vindt men in de bekering van elkaar tot een authentieke ontlediging om een nieuw volk te scheppen dat in een voortdurende bekering tot een hoogste samenvattend Centrum dat zowel het noorden als het zuiden van de wereld overstijgt, de diepe reden van het samen zijn en het samen op weg zijn vindt.

Een gemeenschappelijk leven zou niet voldoende zijn, als trots de betekenis ervan zou aantasten. Dat is de diepe reden van de oproep tot nederigheid.

Voor de heilige Augustinus vindt de diepe betekenis van wederzijds respect, eensgezindheid en eer die wij geroepen zijn de ander te betonen, haar fundament niet in menselijke beweegredenen (anders zouden deze het voorafgaande onderscheid tussen rijken-armen, priesters-leken, mannen-vrouwen, intellectuelen-boeren-arbeiders, noord-zuid enz. opnieuw terugbrengen), maar in het feit dat wij Tempel van God zijn geworden. Arm aan alles, maar rijk aan een oneindige rijkdom, omdat onze Bruidegom de mooiste is onder mensenkinderen (vgl. Brief van de heilige Augustinus 211, 5-6).

Het bovennatuurlijke fundament van de broederschap wordt bevestigd in de wereld van genade en geloof die ons de ander doet zien als Tempel van God.

In de Stad van God zal de heilige Augustinus deze geloofswaarheid met een uitdrukking van immense rijkdom bevestigen:

“Wij zijn allen samen tempels en ieder van ons is zijn tempel, omdat God zich verwaardigt tegenwoordig te zijn in de gemeenschappelijke eenheid van allen en in ieder, niet groter in allen dan in ieder, omdat men niet groeit in uitbreiding en niet minder wordt door deelbaarheid” (X, 3, 2).

Alles lijkt zich te baseren op de gemeenschap van goederen, die met nederigheid en oprechtheid van hart wordt beleefd. Deze gemeenschap van goederen maakt het mogelijk “eensgezind in het gemeenschappelijke huis te leven en één hart en één ziel, gericht op God, te vormen”.

In Illo uno unum”: hoewel wij christenen met velen zijn, zijn wij één in de enige Christus.

Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

14/05/2025