De nacht loopt reeds ten einde en de dag breekt aan
Deel drie
Uit deze eenheid van liefde van jullie zal een steeds sterkere inzet voor alle mensen voortvloeien, een steeds attentere, intensievere inzet, die jullie in je hart zal doen dragen “de zorgen van alle volken, de noden van ziel en lichaam, het verdriet, de wensen, de hoop”[1].
Wanneer jullie in jullie vlees de stigma’s van de pijn van een geslagen mensheid dragen, dan zullen jullie
begrijpen dat “men niet heilig kan zijn en het evangelie kan beleven dat allen aanroepen, zonder zich in te spannen voor alle mensen voorwaarden (huisvesting, werk, voeding, rust, cultuur enz.) te waarborgen zonder welke er geen menselijk leven meer is”[2].
Dan zullen jullie begrijpen hoezeer een politieke inzet van kapitaal belang is. Een inzet om een stad te bouwen naar de maat van de mens, een stad die verschilt van die welke wij hebben geërfd, “een stad waarin plaats is voor allen: een plaats om te bidden (de kerk), een plaats om lief te hebben (het huis), een plaats om te werken (de werkplaats), een plaats om te genezen (het ziekenhuis), een plaats om te denken (de school)”[3], een plaats om een gesprek te voeren (het plein), een plaats om weer op krachten te komen (het groen).
Ik geloof niet dat jullie je aan bepaalde vormen van politieke inzet kunnen onttrekken. Maar bij dit engagement zullen jullie alleen jezelf op het spel moeten zetten en niet de Kerk. De Kerk is de getuige van het absolute, zij is een profetische gemeenschap die de geschiedenis leidt, zij is de verkondiging van een rijk dat reeds onder ons is maar ook nog moet komen, zij is het voortdurende oordeel over een wereld die geen “rijk” is.
Politiek is daarentegen een inzet om in de tijd waarden gestalte te geven die op zich iedere poging om dit gestalte te geven overstijgen. Het is het bouwen van de stad van mensen, een steeds onzekere, vergankelijke stad, steeds ontvankelijk voor vervolmaking en dus kritiek en oordeel. Het is het terrein waarop de wegen er niet altijd één zijn, niet altijd duidelijk, niet altijd geasfalteerd, niet altijd zeker. Het is de kunst van de bemiddeling en ook van de compromissen. In de politiek kan men niet interveniëren zonder een specifieke voorbereiding. Zonder kennis van de geschiedenis, de economie, de sociologie, van alles dat ons helpt de mens te begrijpen en hem in de tijd te dienen.
Jullie moeten een zekere “politieke actie” ondernemen. Niet als Kerk, maar als mensen die de boodschap van liefde hebben ontvangen en die weten dat zij hun broeders en zusters moeten dienen in het opbouwen van menselijkere structuren. Maar, en dat zal onze tegenstrijdigheid, ons dramatisch leven zijn, ook al weten wij
dat wij het moeten doen, wij weten ook dat de politiek ons niet zal redden en geen redding zal zijn.
Wie ons redt, is Christus en niet onze werken. Wee, als wij niet handelen en ook wee, als wij geloven dat deze werken ons redden. Een vooral wee, als wij ons onttrekken aan deze spanning tussen geloof en werken, tussen gebed en handelen, tussen eeuwigheid en tijd, tussen Kerk en wereld, tussen Rijk en Kerk. Wij moeten ons niet hieraan onttrekken, maar in ons zelf die spanning opnemen en daar voortdurend neerleggen waar alles onder één hoofd wordt gebracht, alles wordt genezen, alles begrepen, alles opnieuw geordend, alles verenigd, alles gered. In de kelk van het bloed van Christus, kelk van het nieuwe en definitieve verbond, bloed dat ons zuivert, ons vernieuwt, ons verlost, ons verbroedert, ons verenigt, ons verzoent, ons invoert in het leven zelf van God, ons vergoddelijkt.
Vrienden, beste broeders en zusters, jullie zo geschetste inzet, waarvan men een glimp opvangt aan de horizon van deze lente van hartstocht en enthousiasme die in jullie leven opengaat, is een voortdurende ontdekking, een avontuur van genade en liefde dat men met overvloedige edelmoedigheid moet worden beleefd...
“Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht” (Ef. 5, 8).
Voor ieder weerklinkt het woord van de Schrift als een dringende uitnodiging om onze plaats in te nemen: “Ontwaak, slaper, sta op uit de dood, en Christus’ licht zal over u stralen” (Ef. 5, 14). Ja, ontwaak. Immers, “de nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht” (Rom. 13, 12).
“Staat dan, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het harnas der gerechtigheid, de voeten geschoeid met ijver voor het evangelie van de vrede. Hanteert daarbij het grote schild van het geloof, waarmee gij alle brandende pijlen van de boze kunt doven. Neemt ook de helm van het heil en het zwaard van de geest, dat is, het woord Gods. Bidt en smeekt in de Geest bij elke gelegenheid en op allerlei wijze. Houdt daartoe nachtwaken, waarbij gij met volharding God smeekt voor alle heiligen. Bidt ook voor mij, dat mij het woord gegeven mag worden, als ik mijn mond open om vrijmoedig het mysterie openbaar te maken” (Ef. 6, 14-19).
Ik groet jullie, kinderen, broeders en zusters, zeer dierbare vrienden. Ik kus jullie allen, één voor één, zoals ik jullie één voor één in mijn hart draag, met de heilige kus van de liefde. Bemint elkander, blijft vastberaden, blijft verenigd.
Als wij elkaar hebben liefgehad en elkaar liefhebben, als wij bereid zijn om de wereld in vuur en vlam te zetten met het onblusbaar vuur dat Christus heeft gebracht, dan hebben wij dat alles te danken aan onze Heilige Moeder de Kerk.
Heb onze Kerk van Rome lief. Wees haar dankbaar. Druk je tegen haar aan als tegen Onze Allerliefste Moeder. Zie in haar het geliefde gelaat van de beminde Bruidegom, Christus Jezus, boven haar rimpels en smetten, haar zonden en ontrouw, die niets anders zijn dan onze rimpels en smetten, onze zonden en ontrouw.
Blijf niet stilstaan bij die misselijk makende vormen van prestige, macht, menselijke en heidense wereldse gezindheid, belachelijke aanhang, hellebaarden en folkloristische kleding, praal die meer een Byzantijns dan een christelijk hof waardig is, maar weet in onze Bisschoppen en in onze zeer geliefde Plaatsvervanger van
Christus die onverwoestbare draad te ontwaren die ons verbindt met en terugvoert naar de apostelen en de nederige visser van Galilea, door Christus aangesteld om zijn broeders te bevestigen, bouwsteen van de Heilige Kerk.
Ondanks de staat Vaticaanstad, ondanks de hangende tuinen, ondanks de pauselijke garde, de vorsten die de troon bijstaan, de folkloristische praal die hem gevangen houdt, de Banca del Santo Spirito, de acties van het Vaticaan en heel dat protserige, serviele en belachelijke apparaat dat hem omgeeft, blijft Paulus VI voor ons allen de Plaatsvervanger van Christus, de opvolger van de nederige visser uit Galilea, op wie Jezus zijn Kerk bouwde. Onze liefde en gehoorzaamheid aan onze Heilige Vader, een gehoorzaamheid uit liefde tot aan het vergieten van ons bloed toe, zal nooit onderwerp van discussie zijn, zoals ons radicaal afwijzen van iedere vorm van hypocriete en niet loyale gehoorzaamheid, de gehoorzaamheid die is gebaseerd op angst, vrees ontevreden te stellen en zo iets te verliezen van menselijke macht en menselijk prestige, nooit onderwerp van discussie zal zijn.
“Moge de God van de hoop u vervullen met alle vreugde en vrede in het geloven, zodat gij overvloeit van hoop, door de kracht van de Heilige Geest” (Rom. 15, 13).
In vereniging met heel de Kerk groet ik jullie.
“De genade van de Heer Jezus zij met u.
Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus” (1 Kor. 16, 23-24).

____________________
[1] Tweede Vaticaans Concilie, Boodschap aan de wereld bij de opening van het Concilie (20 oktober 1962).
[2] Vgl. E. Suhard, Agonia della Chiesa, Ed. Corsia dei Servi, Milano 1954, 87.
[3] Vgl. G. La Pira, Discorso al Convegno fiorentino dei sindaci delle capitali del 1955, ripubblicato in G. La Pira, Una città fra oriente e occidente, in “La badia. Quaderni della Fondazione Giorgio La Pira” nr. 3 (1979) 20.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)