Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús in Ypacaraí (Paraguay)
Mijn dierbare vrienden,
Deze tijd die wij ten gevolge van het coronavirus beleven en die ons verhindert aan de traditionele vieringen van Palmzonda
g en het plechtige Paastriduüm deel te nemen, roept ons op een bijzondere wijze op om na te denken over de diepste kern van ons geloof: de Zoon van God, die voor ons mens is geworden, redt ons door middel van het mysterie van het kruis.
Zoals het volk van Corinthe naderen ook wij vandaag tot God om het wonder te vragen een einde te maken aan deze pandemie.
Wij vragen om een wonder en Paulus, de apostel van Jezus, antwoordt met ons het heil door de aanstoot en de dwaasheid van het kruis te verkondigen (vgl. 1 Kor. 1, 22-25).
Met de blik op de gekruisigde Jezus gericht, horen wij vandaag de lezing van het lijden van onze Heer Jezus Christus, een verhaal dat zonder het geloof ons voorkomt als aanstoot en dwaasheid.
Als wij er echter met geloof naar luisteren, begrijpen wij dat dat lijden de macht en de wijsheid van God is, die ons redt.
Het kruis vertegenwoordigt derhalve de liefde, omdat iemand die liefheeft, niet in de steek laat, maar in staat is weerstand te bieden aan alle verleidingen en trouw blijft. Wie het kruis niet liefheeft, zal nooit iemand liefhebben. Het is een illusie, een onwaarheid en een bedrog, als iemand zegt: “Wat heb ik jou lief!”, en vervolgens bij de eerste moeilijkheid zijn eigen weg gaat. Dat wil zeggen dat hij niet liefheeft, omdat, als hij werkelijk zou liefhebben, dag en nacht dicht bij de beminde persoon zou blijven, in lichtende en duistere tijden. Wie in de steek laat, weet niet lief te hebben.
Het evangelie volgens Johannes vertelt ons dat “bij Jezus kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas en Maria Magdalena stonden” (Joh. 19, 25).
Het kruis is het teken van een sterke en onbegrensde liefde. Wij kunnen ons rechtvaardigen, zoals we willen, en altijd anderen de schuld geven van ons in de steek laten, maar er is geen twijfel dat wie liefheeft, aan de voet van het kruis blijft.
In deze tijd van zwakte en broosheid zijn er velen die profiteren van deze toestand van angst en honger naar het heilige, van wat voor soort ook, om hun pseudo-religieuze handel te verkopen, die niets te maken heeft met het authentieke geloof.
Men verkoopt een gemakkelijke oplossing en bedriegt het volk en profiteert daarbij van de angst en ook de onwetendheid ervan.
Op dit ogenblik lijkt het mij belangrijk terug te keren naar een bladzijde van Dietrich Bonhoeffer, een Duitse Lutheraanse pastor en theoloog, die zich krachtig verzette tegen het nazisme en daarom ter dood werd veroordeeld, toen hij negen en dertig jaar was:
“God is geen noodhulp: men moet Hem niet alleen maar erkennen op het ogenblik dat wij aan het einde van onze middelen zijn, maar vol in het leven staan; in het leven en niet wanneer de dood nabij is, bij gezondheid en in de kracht,
niet in het lijden, wanneer wij actief zijn en niet alleen maar in de zonde. De openbaring van God in Jezus Christus is de reden hiervan. Hij is het middelpunt van het leven en helemaal niet expres gekomen om een antwoord te geven op onze onopgeloste vragen”.
Vandaag wordt ons geloof zwaar op de proef gesteld. Vandaag kunnen wij in volheid het Paasmysterie beleven, in vereniging met de gekruisigde Christus om vervolgens met de verrezen Christus te worden verenigd.
Wij kunnen de verrijzenis nooit beleven, als wij eerst niet langs het kruis zijn gegaan.
Een verlichte herder herhaalde altijd dat velen in hun eigen leven de schittering van de verrijzenis niet vinden, omdat zij, wanneer het ogenblik komt om aan de duisternis van het eigen kruis het hoofd te bieden, vluchten naar een haven waarvan ze denken dat die veilig is: ze kunnen niet verrijzen, omdat ze nooit weten te sterven.
Veel auteurs hebben aan de epidemieën van het verleden het hoofd geboden als hetzij een centraal element van een historische studie, hetzij als een scenografie van een fictie of als een centraal deel van een biografie. Behalve de altijd aangehaalde klassieker van Albert Camus – Nobelprijs voor de literatuur in 1957 –, De pest, waarvan de verkoop een aanzienlijke groei heeft gekend aan het begin van deze pandemie, zijn besmettelijke ziekten in talrijk titels aanwezig.
In het middelpunt van de roman De pest vinden wij het thema van de aanstoot van het lijden van de onschuldigen: dat lijden blijft het meest stekelige probleem van het kwaad. Op de vraag die de grote Franse schrijver stelt over de eeuwige kwestie van de almacht en de goedheid van God en over het probleem van het lijden van de onschuldigen, antwoordt de theoloog en schrijver Charles Moeller met te zeggen:
“Ik kan maar één antwoord geven. ... Of men laat het christelijke geloof toe of men wijst het af. Als men het toelaat, moeten wij het toelaten in zijn geheel en voor ogen houden dat in de christelijke openbaring het de rechtvaardigen, de heiligen, de onschuldigen zijn die voor de anderen betalen. ... Wij zijn hier in tegenwoordigheid van een centrale, de meest mysterieuze en meest wezenlijke, waarheid van het geloof, ofwel de mysterieuze solidariteit van de onschuldigen met het lijden van de anderen. Hun solidariteit is niets anders dan de mysterieuze eenwording met het lijden van Jezus. De onschuldigen die lijden, zijn de eerste getuigen van God, zij die de grootste genadegaven ontvangen, omdat zij meer dan de anderen hun broeders en zusters redden, omdat zij degene zijn die het meest met Christus zijn verenigd, die sterft en verrijst. ... Het is derhalve noodzakelijk te strijden tegen het lijden van de onschuldigen, maar ook te weten dat hun dood niet een definitieve tragedie is, maar de keerzijde van een mysterie van eenwording met het Kruis”.
Strijden tegen het lijden van de onschuldigen betekent het niet accepteren van, ons nee zeggen, koste wat het kost, ook al zou dat het kruis betekenen, tegen wat paus Franciscus “de wegwerpcultuur” noemt.
Paus Franciscus schrijft in de apostolische exhortatie Evangelii gaudium:
“Het gaat niet meer eenvoudigweg om het verschijnsel van uitbuiting en onderdrukking, maar om iets nieuws: met de uitsluiting wordt het behoren tot de maatschappij waarin men leeft, in de wortel zelf aangetast, aangezien men zich niet bevindt in de onderste lagen, of aan de rand ervan of zonder macht is, maar erbuiten staat. De uitgeslotenen zijn geen ‘mensen die worden uitgebuit’, maar vuilnis, ‘afval’” (nr. 53).
Dit jaar roept de coronavirus-pandemie ons op tot een diepgaande reflectie en een verandering van hart en verstand, tot een pastorale bekering om van een devotionele en magische vorm van christelijk leven – waarbij wij aan de noodhulp God alleen maar denken, wanneer wij iets nodig hebben en als eerlijke handelaren onze schuld voor een door onszelf bepaalde prijs betalen – over te gaan op een geloof dat zich meet met de gekruisigde God, een geloof, bovendien, dat alle gekruisigden en onderdrukten van de aarde, het afval van de maatschappij, in het middelpunt plaatst van iedere inzet die voortkomt uit liefde voor Jezus en voor wie met Hem aan de voet van het kruis stond, zonder Hem in de steek te laten op het hoogste ogenblik van de overwinning van het leven op de dood.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd met u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
11/04/2020
