Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús in Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Ik heb van een jongen in Paraguay een brief gekregen die geschreven is in woorden vol van wijsheid. Het zijn woorden waarin geloof gepaard gaat met intelligentie en rationaliteit, woorden die zeer ver afstaan van het fideïsme dat voortdurend te midden van ons geliefde volk opduikt, en tegelijkertijd woorden die niets te maken hebben met het rationalisme, dat totaal iets anders is dan rationaliteit.
Ik heb vier woorden gebruikt waarvan ik in het kort de betekenis wil uitleggen.
Geloof is gehoorzaamheid van de mens aan het woord van God.
Woord van God betekent niet dat wij over God spreken, maar dat de persoon die tot ons spreekt, God zelf is.
In de eerste verzen van de Brief aan de Hebreeën staat geschreven:
“Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot onze vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde der tijden, tot ons gesproken door de Zoon, die Hij erfgenaam gemaakt heeft van al wat bestaat en door wie Hij het heelal heeft geschapen” (Heb. 1, 1-2).
Dit Woord, dat in het begin bij God was en God was (vgl. Joh. 1, 1), is mens geworden en onder ons komen wonen (vgl. Joh. 1, 14).
Welnu, door middel van dit mensgeworden Woord, dat Jezus Christus heet, komen wij tot de Vader van Jezus, tot God zelf.
Hoe kunnen wij vandaag, tweeduizend jaar na de komst van Jezus onder ons, Jezus en zijn Vader kennen?
De heilige Cyprianus van Carthago, een van de eerste grote kerkvaders, zei dat ”niemand God als Vader kan hebben, als hij de Kerk niet als Moeder heeft”.
Daarom is geloof niet de krachtsinspanning van de mens om tot God te komen en evenmin hetgeen de mens over God denkt of de uitdrukking van zijn gevoelens jegens Hem.
Geloof is waarachtig, wanneer het het geloof van de Kerk is, die een, heilig, katholiek en apostolisch is.
Alleen in gemeenschap met de Kerk is ons geloof gehoorzaamheid aan het woord van God.
In het eerste boek van de Bijbel wordt gezegd dat God de mens heeft geschapen naar zijn beeld en gelijkenis (vgl. Gen. 1, 26-27).
Het beeld en de gelijkenis tussen God en zijn schepsel zijn te vinden in de sporen die door de Heilige Drie-eenheid in de mens zijn achtergelaten, dat wil zeggen de drie geestelijke vermogens die van hem een uniek wezen maken in heel de schepping: geheugen, intelligentie en wil.
Als wij dit goed begrijpen, dan slagen wij erin te begrijpen dat het woord van God zich richt tot de mens in zijn geheel.
De ketterij van het fideïsme bestaat in de door de Kerk veroordeelde dwaling van de onmogelijkheid voor de menselijke rede waarheid en geloof te kennen.
Het is de dwaling volgens welke men van mening is dat God alles doet en de mens dientengevolge volslagen passief met de armen over elkaar en de blik naar de hemel niet geroepen is, in tegenstelling met wat het boek Genesis aangeeft (vgl. Gen. 2, 15), de tuin waarin God hem heeft geplaatst, te verzorgen en te onderhouden; bij dit onderhoud en deze verzorging van de schepping de eerste intelligente medewerker van God te zijn.
Anderzijds sluit echter, in tegenstelling tot het fideïsme, het rationalisme de genade en de tegenwoordigheid van God uit het leven van de mens uit, die niet degene wordt die de wereld onderhoudt en verzorgt, maar denkt de schepper ervan te zijn, die alles kan doen wat hij wil, of, zoals wij gewoonlijk zeggen, alles wat hem bevalt van het universum, dat hem is toevertrouwd, een universum dat zijn wetten heeft, die wij geroepen zijn te ontdekken en te respecteren.
Daarom moeten wij nu juist ten overstaan van de pandemie van het coronavirus twee verkeerde standpunten vermijden:
-
Het eerste is het fideïsme, dat een neiging is om de rol van de rede te minimaliseren bij het onderzoeken van de fundamentele religieuze waarheden en de vrije geloofsbeslissing te overschatten. Het fideïsme presenteert het geloof als een blinde sprong in het luchtledige.
-
Het tweede is het rationalisme, dat de tegenwoordigheid van God bij deze gebeurtenis uitsluit en hierin niet een oproep van God weet te ontdekken om ons te bekeren, naar Hem terug te keren in de liefde voor Hem en onze naaste.
Wij moeten deze tijd van het coronavirus zien als een grote persoonlijke en gemeenschappelijke beproeving, vol offers, die ons oproept, zoals paus Pius XII zei, de wereld te veranderen “van wild in menselijk, van menselijk in goddelijk, dat wil zeggen naar Gods hart”.
Als wij dit alles hebben begrepen, dan hebben wij begrepen dat wij in deze tijd van het coronavirus niet moeten verwachten dat aan alles met een wonder van God een einde komt.
Ik heb al gezegd dat ook wij ons aandeel moeten bijdragen.
Wij moeten het coronavirus niet zien als een grote vloek van God, maar als een kairos, dat wil zeggen een tijd die voor de mens gunstig is om te veranderen en zich ervan bewust te worden dat het volkomen nutteloos is voortdurend de naam van Jezus en zijn heilige Moeder Maria aan te roepen, als wij tegelijkertijd niet onze wijze van individueel en maatschappelijk leven veranderen en ons met onze intelligentie en wil niet ervoor inzetten dat onder ons het Rijk Gods komt: een Rijk van waarheid en gerechtigheid.
Zonder deze inzet voor waarheid en gerechtigheid vermoeien al onze gebedsketens en devotionele praktijken God en zijn ze Hem niet welgevallig.
Het woord van God dat wij in Jesaja lezen, geeft ons de ware weg van bekering aan en hetgeen uit een authentiek geb
ed dat God wil, moet voortkomen.
“Wast u, reinigt u! Uit mijn ogen met uw misdaden! Houdt op met kwaad doen. Leert liever het goede te doen, betracht de rechtvaardigheid, helpt de verdrukten, verschaft recht aan de wezen, verdedigt de weduwen” (Jes. 1, 16-17).
Wij mogen het christelijk gebed nooit scheiden van de inzet voor waarheid, gerechtigheid en vrede.
Wij Paraguayanen zijn een in wezen mariaal volk.
Daarom wil ik graag afsluiten met de woorden van een grote paus en een grote heilige van onze tijd: de heilige Paulus VI.
Sprekend over Maria, zei de heilige Paulus VI:
“Ook al had Maria van Nazareth zich volledig overgegeven aan de wil van God, zij was in het geheel niet een passief onderdanige vrouw of van een vervreemdende religiositeit, maar een vrouw die niet aarzelde te verkondigen dat God de wreker is van de nederigen en de onderdrukten en de machtigen van de wereld van hun troon stoot. Maria munt onder de nederigen en armen van de Heer uit als een sterke vrouw, die armoede en lijden, vlucht en verbanning kende: situaties die niet mogen ontsnappen aan de aandacht van wie met een evangelische geest de bevrijdende energie van de mens en de maatschappij wil steunen. Moge de figuur van de Maagd sommige diepe verwachtingen van de mensen van onze tijd niet teleurstellen en hun het volmaakte model aanreiken van een leerling van de Heer: die bouwt aan de aardse en tijdelijke stad, maar is een naarstige pelgrim op weg naar de hemelse en eeuwige stad; hij bevordert de gerechtigheid, die de onderdrukten bevrijdt, en de naastenliefde, die de behoeftigen te hulp komt, maar hij is vooral een nijvere getuige van de liefde waaraan Christus bouwt in de harten” (vgl. Marialis cultus, 37).
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
02/05/2020