Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Ten overstaan van de zovele initiatieven die worden ondernomen om het de gelovigen mogelijk te maken aan de mis deel te nemen (het laatste is de “automis”, dat wil zeggen in de auto bij de mis aanwezig zijn...) moet ik mijn onvermogen bekennen mij aan te sluiten bij dit soort vieringen en vooral mij te voegen in de mentaliteit die daar heerst.
Ik blijf bij de visie van een paus, iets ouder dan ik, die alleen op een leeg en in een irreële stilte gedompeld Sint Pieters-plein voor de Gekruisigde bad onder een kletterende regen die zijn lichaam doorweekte. Die gekruisigde Christus is midden in de lege ruimte de stille en weerloze hoofdrolspeler geweest.
Dit aandringen op de openbare viering van de mis, waarbij men de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de publieke gezondheid, ervan beschuldigt dat zij de godsdienstvrijheid bedreigen en de Kerk onderworpen met misbruik en vernederingen, lijkt mij een vorm van klerikalisme die de christelijke leken beledigt.
Ik deel in dezen ten volle de opstelling van p. Martín Lasarte, lid van de ploeg voor de mondiale missionaire animatie van de Congregatie van de salesianen, die verantwoordelijk is voor de missionaire animatie in Afrika en Amerika. Hij spreekt in een recent interview over de zonde van het klerikalisme. Er is een Kerk ontstaan waarin de leken weinig of geen verlangen hebben een hoofdrol te spelen en niet voelen dat zij ertoe behoren, een Kerk die niet functioneert, als er geen “priester” is. Soms – zo schrijft p. Lasarte – heb ik de indruk dat men de leken wil klerikaliseren. Men heeft de indruk dat het in verschillende delen van ons Amerika gesacramentaliseerd, maar niet ge-evangeliseerd werd.
Ik herhaal nog eens dat wij met COVID-19 niet te maken hebben met een simpele griep, maar met een pandemie, die met de komst van de kou om verschillende redenen, die wij allen kennen, in ons land steeds gevaarlijker wordt.
Wij mogen om geen enkele reden ons leven en vooral dat van onze broeders en zusters op het spel zetten door gebrek aan discipline of met het onvermogen te begrijpen hoe gevaarlijk dit virus is.
Maar dat staat ons niet toe de rijkdom van de liturgie van de Heilige Moeder de Kerk te parodiëren, een liturgie die bron en hoogtepunt is van het christelijk leven.
Als ik iets niet kan doen, doe ik het eenvoudigweg niet om te vermijden dat dit langzaam verandert in een genetisch andere werkelijkheid.
Op dit ogenblik denk ik aan alle protocollen van regering en Kerk waaraan men zich te houden heeft om de heilige eucharistie te vieren voor een uiterst beperkt aantal personen.
Als wij al die protocollen in acht willen nemen, en wij moeten die in acht nemen, zullen de parochies zich met onmogelijke uitgaven belasten die op de schouders van het volk dat al zoveel opgeofferd heeft, zullen neerkomen of zal dit ons dwingen afhankelijk te zijn van wie alles wat dient om zich te conformeren aan de vastgestelde protocollen, in onze dienst zal stellen, waarbij wij onze vrijheid bij het verkondigen van het evangelie verliezen. Vervolgens zullen wij echter geloofwaardigheid verliezen, wanneer wij spreken.
Er is echter een oplossing die typisch is voor ons, Latijns-Amerikanen.
Het is een oplossing die van ver komt: in de koloniale periode heeft zich in alle, door Spanje veroverde gebieden van Amerika het verschijnsel voorgedaan van “men respecteert, maar voert niet uit”, waarmee men bedoelde dat men de door de kroon gedicteerde verordeningen en wetten respecteerde, maar niet uitvoerde, daar zij niet te doen waren voor de belanghebbenden.
Wij hebben zo vaak herhaald dat er een nauwe relatie bestaat tussen eucharistie en Kerk, die wij op geen enkele wijze mogen vergeten: de Kerk behoort in wezen allen toe, maar met een voorkeurskeuze behoort zij de armen toe.
Wij mogen geen vieringen zoals de “automis” organiseren die in feite de armen uitsluiten, die geen auto, zelfs geen illegaal verworven auto hebben.
Op dit ogenblik denk ik aan hetgeen paus Franciscus in zijn homilie van paaszaterdag, op 15 april 2017, zei:
Het evangelie spreekt over “twee vrouwen die in staat zijn niet te vluchten, in staat zijn weerstand te bieden, het leven onder ogen te zien zoals het zich voordoet, en de bittere smaak van de ongerechtigheden te verdragen. En kijk, daar zijn zij, vóór het graf, met het verdriet en het onvermogen te berusten, te aanvaarden dat alles altijd zo moet eindigen. En als wij met onze fantasie een krachtsinspanning doen, kunnen wij in het gezicht van deze vrouwen de gezichten van zovele moeders en grootmoeders vinden, het gezicht van kinderen en jongeren die de last en het verdriet van zowel onmenselijke ongerechtigheid verdragen. Wij zien in hen de gezichten weerspiegeld van allen die door de steden lopen, het verdriet van de ellende voelen, het verdriet om uitbuiting en mensenhandel. In hen zien wij ook de gezichten van hen die verachting ervaren, omdat zij immigranten zijn, geen vaderland, huis, gezin meer hebben; de gezichten van hen van wie de blik eenzaamheid en verlatenheid laat zien, omdat zij handen hebben die te gerimpeld zijn. Die handen weerspiegelen het gezicht van vrouwen, van moeders die huilen, wanneer zij zien dat het leven van hun kinderen begraven blijft onder de last van de corruptie, die rechten afhandig maakt en een inbreuk is op zoveel
aspiraties, onder het dagelijkse egoïsme dat de hoop van velen kruisigt en begraaft, onder de verlammende en onvruchtbare bureaucratie die het niet mogelijk maakt dat de dingen veranderen. In hun verdriet hebben zij het gezicht van al degenen die, lopend door de stad, de waardigheid gekruisigd zien”.
In zijn apostolische exhortatie Evangelii gaudium zegt paus Franciscus dat
“In de heersende cultuur de eerste plaats wordt ingenomen door hetgeen uiterlijk is, direct, zichtbaar, snel, oppervlakkig, voorlopig. De werkelijkheid maakt plaats voor de schijn. Bovendien is het noodzakelijk dat wij erkennen dat, als een deel van onze gedoopte mensen niet ervaart dat ze tot de Kerk behoren, dat ook te wijten is aan een bureaucratische houding in het reageren op eenvoudige of ingewikkelde problemen in het leven van onze volken. In veel delen overheerst het bestuursmatige aspect boven het pastorale, evenals een sacramentalisering zonder andere vormen van evangelisatie” (nr. 62-63).
Als wij niet willen dat een verlammende en onvruchtbare bureaucratie van protocollen verhindert dat de dingen veranderen, dat het bestuursmatige aspect het pastorale overheerst en een sacramentalisering zonder andere vormen van evangelisatie werkelijkheid wordt, moeten wij begrijpen dat deze pandemie van het coronavirus ons oproept tot een diepgaande pastorale bekering, wat een theologische ommekeer betekent die een diepgaande pastorale verandering met zich meebrengt – die niet een herhaling met kleine veranderingen en aanpassingen van het gieten van nieuwe wijn in oude zakken mag zijn –, zonder welke alles sterft.
Laten wij om deze theologisch-pastorale ommekeer waardig te zijn in de continuïteit van de unieke oude en altijd nieuwe schoonheid die wordt gevormd door de authentieke traditie van de Kerk, de Heer om zijn hulp en zegen vragen, omdat “als de Heer de woning niet bouwt, de bouwers tevergeefs werken. Als de Heer de stad niet beschermt, de wachter tevergeefs waakt” (Ps. 127).
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
18/07/2020

