Aan de gelovigen van de parochie capilla Rosa Mistica van Ypacaraí (Paraguay)

 

Mijn beste vrienden van de capilla Rosa Mistica (kapel de Mystieke Roos),

Het woord mystiek betekent het schouwen van, het binnendringen in het mysterie van ons geloof, een mysterie dat de eeuwigeHomilia 23 07 07 2020 3 liefde van God is, aan ons geopenbaard in de menswording van de Zoon van God.

Deze menswording is in vervulling gegaan, omdat een jonge vrouw uit het volk Israël met haar leven, haar diepste innerlijk, geantwoord heeft op de boodschap van de engel:

“Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven” (Luc. 1, 30-31).

De roos betekent het diepe verlangen naar schoonheid, geluk, leven dat aanwezig is in het hart van iedere mens.

In het boek Wijsheid van Jezus Sirach wijst ons de Heer de weg, opdat ons leven een rozentuin wordt: “Luistert naar mij, vrome zonen, en rijst op als rozen die groeien aan een waterstroom” (Sir. 39, 13). Het wordt “als de zon die schittert op een koningspaleis, als de regenboog die glanst in luisterrijke wolken, als een roos in het nieuwe seizoen, als lelies bij een waterbron, als een jonge twijg op de Libanon in de zomer” (Sir. 50, 7-8).

De goddelozen trekken daarentegen, uitgaande van onjuiste redeneringen, de volgende conclusies:

“Zij redeneerden onjuist, toen zij onder elkaar zeiden: ‘Kort is ons leven en vol verdriet; er is geen remedie als de mens doodgaat en het is nooit vertoond, dat iemand uit de onderwereld terugkwam. Wij zijn immers maar toevallig ontstaan en later zullen wij zijn als waren wij er nooit geweest, want damp is de adem in onze neus en het denken is een vonk die springt bij het kloppen van ons hart. Is zij uitgedoofd, dan vergaat het lichaam tot as en de geest vervliegt als ijle lucht. Onze naam wordt op den duur vergeten en niemand denkt dan nog aan wat wij gedaan hebben. Ons leven gaat voorbij als de laatste sporen van een wolk, het lost zich op als een nevel, die verdreven wordt door de stralen van de zon en bezwijkt voor haar gloed. Een vluchtige schaduw zijn onze dagen en ons einde is onherroepelijk, want het is bezegeld en niemand keert terug. Vooruit dan, laten wij genieten van het goede dat wij hebben en maar meteen van het geschapene profiteren, nu wij nog jong genoeg zijn. Laten wij ons te goed doen aan kostelijke wijn en aan parfums en laat geen lentebloesem ons ontgaan. Laten wij ons bekransen met rozeknoppen, voordat ze verwelken’” (Wijsh. 2, 1-8).

De goddelozen willen dat hun rozen niet verwelken en daarom steken ze die in hun krans.

Van rozen houden is een goed iets. Wij moeten ervan houden. Maar de logica van het evangelie is tegengesteld aan die van de goddelozen.

Jezus zegt ons: “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden” (Mar. 8, 35).Homilia 23 07 07 2020 1

Om een geurige rozentuin te worden moet men derhalve een onverdeeld hart hebben, waarin geen scheiding is tussen het diepste ik en hetgeen men doet. In een gemeenschap, in een parochie, in een capilla slagen de activiteiten, wanneer iedereen afstemt op het verkondigde woord en het beleefde woord, en wat men zegt, ten volle wordt beleefd. Er verandert integendeel niets, wanneer er iets wordt gezegd en vervolgens wordt vergeten wat er gezegd is. Het is derhalve een ongedeeld hart dat opbouwt.

Daarom moet de besnijdenis van het hart geestelijk zijn. Het is noodzakelijk over te gaan van een godsdienst die gebonden is aan materiële manieren, naar een meer geestelijke eredienst. Verder weten te gaan dan wat onder de zintuigen valt om hetgeen in het diepst van het hart is, goed te beleven.

De eerste verandering die tot stand moet komen, is derhalve de bekering van het hart, daar waar niemand kan binnendringen en waarin niemand kan kijken. Vanuit dit perspectief is het gebed authentiek en echt, wanneer het niet wordt gedaan om door de mensen te worden gezien en geprezen, maar in het geheim van het hart, waar alleen de Vader binnenkomt die in de hemel is.

Deze tijd van het coronavirus is voor ons een kairós: een sterke tijd van genade, een gunstige tijd waarvan wij moeten profiteren. Ons patroonsfeest valt in deze geschikte tijd, een ware sterke tijd van God, die voor ons de tijd van de genade vertegenwoordigt om te ontdekken wie wij werkelijk zijn.

Het is wezenlijk het hart op te voeden, zodat het ons kan leiden naar de waarheid en niet naar de slavernij, omdat daar waar geen waarheid is, zich de slavernij van de dwaling bevindt.

“Gaat binnen door de nauwe poort; want de weg die naar de ondergang voert is wijd en breed, en velen zijn er die hem inslaan. Hoe nauw toch is de poort en hoe smal de weg die voert naar het leven, en weinigen zijn er die hem vinden” (Mat. 7, 13-14).

Men gaat binnen in het Hart van Jezus door de nauwe poort: een weg die moeite kost en opoffering vraagt. Er zijn echter velen die door de wijde poort gaan die van God verwijdert.

In de dialoog van De kleine prins herinnert Antoine de Saint-Exupéry op de poëtische wijze die hem eigen is, ons aan de diepe waarheid over het hart:Homilia 23 07 07 2020 2

“Bij jou kweken de mensen – zei de kleine prins – vijfduizend rozen in één tuin… en ze vinden daarin niet wat ze zoeken. Nee, dat vinden ze niet, antwoordde ik. En toch zouden ze kunnen vinden wat ze zoeken in één enkele roos of in een beetje water. Ja dat is zo, antwoordde ik. En het prinsje voegde eraan toe: Maar ogen zijn blind. Met het hart moet men zoeken” (A. de Saint-Exupéry, De kleine prins. Met tekeningen van de schrijver, AD. Donker, Rotterdam 2012, 58).

Als een parochie als patroon het Heilig Hart van Jezus heeft en de capilla onder de bescherming van de Mystieke Roos Maria staat, moeten wij nog meer met een onverdeeld hart leven, waar er geen scheiding is tussen innerlijkheid en uiterlijkheid. In deze zin moet het patroonsfeest van binnenuit het leven van de gelovigen vernieuwen, zodat zij steeds meer kunnen veranderen.

Daartoe hebben wij - zoals de heilige Augustinus schrijft - een hart nodig dat naar de bron van het eeuwig vaderland hunkert.

“Geef mij een hart dat liefheeft en het zal begrijpen wat ik zeg. Geef mij een hart dat smacht, een hart dat hongert, dat zich pelgrim voelt en dorstig in deze woestijn, een hart dat naar de bron van het eeuwig vaderland hunkert, en het zal begrijpen wat ik zeg. Zeker, als ik spreek tegen een dor hart, zal het niet begrijpen”.

En laten wij, opdat ons hart onrustig is tot het in God rust, de zegen van de Heer nederig:

En moge de zegen van de almachtige God,

Vader en Zoon en Heilige Geest,

Over u neerdalen en altijd bij u blijven.

Amen.

 

Emilio firmaDon Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

25/07/2020