Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Wij hebben verschillende keren herhaald dat wij deze pandemie moeten zien als een kairós, een gunstige tijd waarin God ons oproept tot een diepe persoonlijke en gemeenschappelijke bekering.
Niets zal weer zoals eerst zijn.
In zijn encycliek Fratelli tutti schrijft paus Franciscus:
“De pandemie van Covid-19 heeft onze valse en overbodige zekerheden aan het licht gebracht waarmee wij onze agenda’s, onze projecten, onze gewoonten en prioriteiten hebben geconstrueerd. Met de storm is de make-up weggevallen van de stereotypen waarmee wij onze ego’s die steeds bezorgd waren om het eigen beeld, maskeerden, en is er nogmaals die gezegende verbondenheid blootgelegd waaraan wij ons niet kunnen onttrekken: de verbondenheid broeders en zusters te zijn” (nrs. 7. 32).
Daarom moeten wij ook begrijpen dat de heilige Kerk ongetwijfeld de mooie Bruid van dezelfde Heer altijd zal zijn (Jezus vandaag, Jezus morgen, Jezus altijd) onder wezenlijkere vormen van leven, die gereinigd zijn van zoveel nutteloze ongerechtigheden die niets van doen hebben met het Woord van God en met de authentieke en grootse traditie van de Kerk.
De Kerk van morgen moet een Kerk zijn die de kracht van God opnieuw ontdekt in de zwakheid van de mens en ook in de eenvoud van haar structuren.
Het zal niet meer de Kerk zijn van de grote aantallen en de grote bijeenkomsten. Het zal geen Kerk zijn die met de wereld wedijvert met gebruik van dezelfde middelen, maar een Kerk die in het geloof, in de hoop en de liefde van de verrezen Heer haar reden om te leven zal vinden.
Wij moeten de Kerk beginnen te beschouwen als onze dochter, de jongste die geboren gaat worden. Het zal echter altijd dezelfde Kerk zijn: een oude en steeds nieuwe schoonheid, zoals de heilige Augustinus zou zeggen.
In de parochie die opnieuw geboren zal worden, zal de Caritas altijd in het middelpunt staan en de kern zijn van heel de pastoraal, opdat alle levende krachten van de parochiegemeenschap haar kunnen zien als referentiepunt van heel hun handelen: van de liturgie, de catechese, maatschappelijke en educatieve activiteiten enz.
Voor paus Franciscus “bestaat een Kerk zonder de liefde niet en is de Caritas de instelling van de liefde van de Kerk. De Caritas is de liefkozing door de Kerk van haar volk; de liefkozing door Moeder de Kerk van haar kinderen; tederheid,
nabijheid”.
De Caritas van de parochie wil het teken van de naastenliefde, de belangeloze liefde van God voor de armsten zijn en door haar werkzaamheid jegens hen herinnert zij alle christenen eraan dat zonder de liefde niets van hetgeen zij doen, zin heeft.
De zending van de Caritas in de parochie is derhalve fundamenteel. Zij maakt het mogelijk de meest intieme aard van de liefde van God, die bestaat in belangeloosheid, te ontdekken.
De Caritas beleeft en verkondigt de liefde van God door middel van concrete activiteiten zonder enige tegenprestatie te verwachten. De onbaatzuchtige, belangeloze liefde zoekt geen vergoeding. Dat betekent God liefhebben om hemzelf, niet om de goederen die Hij geeft.
De Caritas is daarom de theologische plaats bij uitstek, waaraan het leven van iedere christen moet worden afgemeten.
De verplichting van de Caritas is ook een verkondiging van bevrijding.
Deze bevrijding betekent bovendien alles zien wat de gemeenschap kan doen, niet alleen om het leed van de behoeftigen te verlichten, maar ook om de situaties te veranderen, te beginnen bij de wortels ervan.
En dat is het aspect dat liefde met gerechtigheid verbindt.
Er is een nauwe relatie tussen liefde en gerechtigheid. Daarom kan de liefde niet beoefend worden zonder de gerechtigheid.
De activiteit van de Caritas moet zich richten op de armsten onder de armen, op de zwaksten onder de zwaksten. Dan is het noodzakelijk te herkennen wie werkelijk arm is. Aan de leden van de Caritas komt de taak toe degenen
te onderscheiden die werkelijk behoefte hebben.
De Caritas is niet geroepen om wie kan werken en zichzelf kan onderhouden, te ondersteunen. Zij komt niet in de plaats van hen die zelfstandig kunnen zijn.
Wie niet alles heeft gedaan wat hij kon doen, heeft geen recht op hulp van de Caritas.
De heilige Paulus zegt dat wie niet wil werken, geen recht heeft om te eten (vgl. 2 Tess. 3, 10).
De leden van de Caritas moeten dus weten te onderscheiden wie arm is, wie werkelijk in de steek gelaten wordt: anders zouden luiheid en onverantwoordelijkheid moed kunnen vatten. Bovendien moeten zij de oorzaken van iedere situatie van behoeftigheid die zij vinden, aan de oppervlakte brengen.
Liefde en gerechtigheid moeten hand in hand gaan.
Zonder deze profetische activiteit is hulp geen echte liefde, maar “wrede goedheid”, omdat zij het geweten geruststelt van wie geeft, maar niet van nut is om het probleem op te lossen van wie lijdt en vraagt om bevrijd te worden, te beginnen bij een persoonlijke bevrijding die hem toebehoort.
Zoals de profeet Jesaja zegt, zijn wij alle tezamen geroepen “boosaardige boeien te slaken, de strengen van het juk los te maken, de geknechte de vrijheid te hergeven, en alle jukken door te breken” (Jes. 58, 6).
Enerzijds is de Caritas het hart van de Kerk, maar anderzijds mag zij niet veranderen in iets dat de ander ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid. Zij moet hem veeleer bewust maken van zijn eigen verantwoordelijkheid en van hem vragen zich in te zetten.
Daarom is het noodzakelijk de mechanismen te begrijpen van het recht en de gerechtigheid; de wetten te kennen, de oorzaken van armoede en ziekte te zoeken en te bestrijden.
Het is dus belangrijk, zoals het Concilie leert, “niet alleen de gevolgen van de ellende, maar ook de oorzaken ervan weg te nemen; de hulp moet zo worden georganiseerd dat degenen die haar ontvangen, zich langzamerhand van hun afhankelijkheid van de ander kunnen losmaken en tot zelfstandigheid kunnen komen” (Apostolicam actuositatem, 8).
De Caritas wordt bezield door een liefde die geen vergoeding vraagt; zij laat zien wat liefde is, en is het teken van deze liefde. Haar activiteit is volkomen belangeloos. Als zij een vergoeding zou vragen, zou de Caritas niets van doen hebben met de liefde van God. Daarom geeft zij aan de mensen die niet kunnen teruggeven.
De heilige Theresia van het Kind Jezus, kerklerares, geeft ons in haar autobiografische geschriften de zin van de centrale plaats van de liefde in het lichaam van de Kerk:
“De liefde bood mij de spil van mijn roeping. Ik begreep dat de Kerk een lichaam heeft dat uit verschillende ledematen bestaat, maar dat het in dit lichaam niet mag ontbreken aan het noodzakelijke en meest edele lidmaat. Ik begreep dat de Kerk een hart heeft, een hart dat wordt verteerd door de liefde. Ik begreep dat alleen de liefde de ledematen van de Kerk aanzet tot activiteit en dat, wanneer deze liefde gedoofd is, de apostelen het evangelie niet meer verkondigd zouden hebben, de martelaren hun bloed niet meer vergoten zouden hebben. Ik begreep en zag in dat de liefde in zich alle roepingen omvat, dat de liefde alles is, zich uitstrekt naar alle tijden en alle plaatsen, in één woord, dat de liefde eeuwig is”.
Moge dezelfde liefde ook in onze parochie heersen.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
05/12/2020
