Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay) 

 

Mijn beste vrienden,

Wanneer wij de Bijbel lezen, vinden wij veel, werkelijk harde uitspraken die ons diep raken. Een ervan, die mij altijd heeft getroffen en indruk op mij heeft gemaakt, is degene die ik in het boek Openbaring vind:Homilia 38 23 10 2020 1 bel

“Ik ken uw daden: gij zijt noch koud noch heet. Waart gij maar koud of heet! Omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, daarom zal Ik u uitbraken uit mijn mond (Apok. 3, 15-16).

De boodschap aan de Kerk van Laodicea is de strengste van alle. Zij berispt de geestelijke staat van de christenen die in hun zelfgenoegzaamheid zijn ingeslapen en verblind zijn door hun rijkdom.

Lauwheid wordt veroorzaakt door onverschilligheid en deze onverschilligheid is een staat die God in de hoogste mate tegenstaat. “Vervloekt, wie deze opdracht van de Heer nalatig volvoert” (Jer. 48, 10).

Lauwheid is de geestelijke toestand van wie zich op een middelmatige wijze in het leven van genade inzet. Het is een staat die zowel de haat tegen God met de zonde, als het vuur van de persoonlijke inzet met de edelmoedigheid uitsluit. Het is een soort geestelijke lethargie, waarbij wij om de genade niet te doven zonder een te grote krachtsinspanning en zonder teveel inzet ons tevredenstellen met het minst noodzakelijke.

De lauwen behoren door het feit dat zij noch koud noch warm zijn tot de groep personen die alleen maar leven dankzij het risico dat anderen nemen. Zij scharen zich nooit aan de een of andere zijde. Zij wachten altijd, totdat anderen zich blootgeven en op een plaats de toegangsprijs betalen. Vervolgens komen ook zij op het laatste moment en zonder zelfs de aandacht te trekken (want men weet maar nooit hoe de kwestie zal eindigen...) binnen, als ze hebben begrepen dat om te kunnen blijven eten ze moeten binnenkomen en niet buiten de deur moeten blijven. Ze komen alleen maar binnen, als anderen eerst iets van hun leven hebben geriskeerd en de prijs van de entreekaart hebben betaald.

Een lauw iemand is als degene die de ontvangen talent heeft begraven en hoopt binnen te mogen komen en door de Heer beloond te worden, wanneer Hij terugkomt, alleen al omdat hij zijn verstand, zijn wil, zijn vrijheid, zijn verantwoordelijkheid, zijn handen, zijn mond, zijn voeten, zijn hart... heeft begraven en opgesloten in het graf en de slaap van de dood.

De ziel van een lauw iemand sluit impliciet een compromis in dat onvermijdelijk leidt tot een volledige geestelijke ineenstorting. Het verstand weigert het licht te ontvangen en op prijs te stellen dat God het toestaat, de wil heeft geen energie meer, het hart wordt geleidelijk aan ongevoelig voor de liefde van God. Het is een staat die men zich over het algemeen in het begin niet realiseert; men zal zich dit pas realiseren, slechts wanneer er geen remedie meer is.

Onverschilligheid, veroorzaakt door lauwheid, is voor God een grotere belediging dan een open breuk, afwijzing, zonde. Want een expliciete afwijzing, een diepe zonde kan als reactie bekering doen ontstaan, terwijl wie zich met het minste tevreden stelt, zal nooit in staat zijn meer te zoeken, naar de volheid van leven te streven.Homilia 38 23 10 2020 2 bel

Soms kunnen fysieke vermoeidheid of morele beproevingen of onvermogen zich te concentreren leiden tot moedeloosheid, tot een gevoel van nutteloosheid, tot het verlangen aan alles de brui te geven. Wij moeten goed weten dat dit niets vreemds en niets zondigs is. Ook de grootste heiligen hebben deze ervaring gehad. Wij moeten er altijd aan denken dat een geestelijke groei langzaam en met geduld vordert.

“Hebt dus geduld, broeders, tot de komst van de Heer. De boer die uitziet naar de kostelijke vrucht van zijn land, kan alleen maar geduldig wachten, totdat de winter- en voorjaarsregens gevallen zijn. Gij moet ook geduldig zijn, en moedig, want de komst van de Heer is nabij” (Jak. 5, 7-8).

De heilige Cyprianus en de heilige Augustinus brengen ons het evangelische imperatief van de theologale deugden in herinnering: “Willen geloof en hoop vruchtbaar worden, dan is er geduld nodig, dat niets anders is dan beleefde broederlijke liefde”.

Het gemeenschapsleven als beleefde en niet alleen maar verkondigd broederlijk leven is dus de grootste remedie tegen ongeduld. Geduld dat door gemeenschapsleven is geschapen, bestrijdt lauwheid, omdat het ons buiten onszelf doet treden en ons de vreugde en de hoop, de droefheid en de angst van hen die naast ons leven, als de onze laat voelen.

Een lauw iemand heeft er vervolgens altijd behoefte aan zich te rechtvaardigen. De trots, die nooit volledig wordt onderdrukt, hernieuwt zijn aanvallen; zo blijft een lauw iemand altijd tevreden met zichzelf, zijn eigen gaven, uiterlijke successen.

Het eerste effect van lauwheid is een soort verduistering van het bewustzijn. Men verliest het bewustzijn van de eigen toestand:

“Gij zegt: Ik ben rijk, want ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek - en beseft niet dat gij meer dan allen ellendig zijt en erbarmelijk, een blinde en naakte bedelaar” (Apok. 3, 17).

Er is een verandering van gewaarwordingen: “Soms denkt een mens, dat zijn weg recht is, maar tenslotte leidt die toch naar de dood” (Spr. 14, 12).

Een voortschrijdende verslapping van de wil leidt langzaam tot een ernstigere val. “Wie het kleine niet eert gaat langzaam maar zeker te gronde” (Sir. 19, 1). En het evangelie volgens Lucas herinnert ons aan het belang van de trouw in kleine dingen:

“Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote” (Luc. 16, 10).

Dit is de weg van een spiritualiteit die zonder de marginaliteit en het fragment te verachten het middelpunt weet te bereiken van het hart van God, uitgaande van het randgebied waar datgene wat schijnbaar in het geheel niet meetelt, leeft. Dat zijn fragmenten die waardeloos lijken, maar in werkelijkheid de enige wegen zijn die leiden naar het middelpunt van de geschiedenis van de mensen en naar het diepste middelpunt van het hart van God.

Onder de waardeloze fragmenten, de kleine dingen, zijn er de mondmaskers.

Het moet duidelijk zijn in deze tijd van de COVID-19-pandemie dat het mondmasker ons leven en het leven van anderen kan redden, evenals ons leven en het leven van anderen gered kan worden door afstand te houden en vormen van groeten te vermijden waarbij de hand wordt geschud.

Het zijn kleine, zeer kleine dingen. Maar het is nutteloos het te hebben over de grote, wanneer wij ons niet aan de kleine kunnen en willen houden. Wij verliezen aan autoriteit en geloofwaardigheid, wanneer wij grote betogen blijven houden en de fragmenten en kleine dingen met voeten treden.

En moge de zegen van de almachtige God,

Vader en Zoon en Heilige Geest,

over u neerdalen en altijd bij u blijven.

Amen.

 

Emilio firmaDon Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

19/12/2020