Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Ik heb op 1 november 1966 in Rome in de kerk van San Saturnino, waar ik de dag tevoren priester was gewijd, de homilie van
mijn eerste mis gehouden.
Ik heb op die dag onder andere gezegd dat
“in deze strijd voor de mens mijn plaats was aangegeven: naast de armen, naast hen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, naast de vredestichters, naast hen die worden vervolgd om de gerechtigheid.
In deze strijd het priesterschap voor mij de meest vooruitgeschoven loopgraaf is: wij moeten met moed en hartstocht in de eerste linie staan en ons niet teveel ingraven als kapelaans van de achterhoede”.
Met deze woorden maakte ik van de parrhesia mijn levensprogramma.
Of ik deze parrhesia wel of niet heb beleefd, dat zal de Heer mij binnenkort van aangezicht tot aangezicht zeggen.
Het woord parrhesia komt, zoals veel andere woorden die wij in de Bijbel tegenkomen, uit het Grieks. Letterlijk betekent het “alles zeggen, alles verkondigen”. Dit wijst erop dat het in zich de kracht van de vrijheid bevat die gepaard gaat met de kracht van de waarheid.
In het Nieuwe Testament komen wij het woord parrhesia eenendertig keer tegen.
In het evangelie volgens de heilige Johannes wordt verteld dat Jezus met parrhesia in de publieke sfeer te werk gaat:
“Ik heb openlijk tot de wereld gesproken. Ik heb altijd onderricht gegeven in een synagoge of in de tempel, waar alle Joden bijeenkomen, en er is niets wat Ik in het geheim heb gesproken” (Joh. 18, 20).
Jezus spreekt openlijk, maar Hij doet dat met een zekere geleidelijkheid. In het begin spreekt Hij in parabels en wanneer de tijd van de groei van zijn leerlingen is gekomen, houdt hij op in gelijkenissen te spreken.
Jezus zegt in het evangelie volgens Johannes:
“In beelden heb Ik hierover tot u gesproken; er komt een uur, dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar Mij onomwonden tegenover u zal uiten omtrent de Vader” (Joh. 16, 25).
En wanneer zijn uur gekomen is, zeggen zijn leerlingen tot Hem: “Kijk, nu spreekt Gij onomwonden en gebruikt geen enkel beeld” (Joh. 16, 29).
Aan de parrhesia van Jezus beantwoordt het vrijmoedige en machtige getuigenis van de apostelen.
Zo spreekt Petrus in Jeruzalem: “Mannen broeders, ik mag wel vrijuit tot u zeggen...” (Hand. 2, 29).
En van Petrus en Johannes wordt gezegd dat zij na voor de leiders van het volk en de oudsten te hebben gesproken, zij die aanwezig waren, “bemerkend dat het ongeletterde en eenvoudige mensen waren, stonden verbaasd toen zij de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen. Zij herkenden hen als gezellen van Jezus” (Hand. 4, 13).
Hier ziet men duidelijk dat de parrhesia niet afhankelijk is van de graad van ontwikkeling en dat daarom wij deze niet verwerven door academische titels.
“Vrijmoedig in de naam van Jezus” (Hand. 9, 27) prediken is immers niet een daad die iemand uit zichzelf kan stellen.
De parrhesia is dus een gave van de Heilige Geest, toegestaan aan de vrienden van de Heer, die vervolging en bedreiging niet vrezen (vgl. Hand. 4, 23-31).
Deze vrijheid van geest doet immers hen verbaasd staan die naar de apostelen luisteren (vgl. Hand. 4, 13), maar schept ook verdeeldheid (vgl. Hand. 14, 3-4) en veroorzaakt zelfs vervolgingen (vgl. Hand. 9, 22-25).
Wie bang is dat zijn getuigenis en woord verbazing, verdeeldheid, vervolging kan opwekken, moet niet de draak steken met de Heer door Hem om de gave van de parrhesia te vragen.
En op dit punt is het geoorloofd zich de vraag te stellen waarom men, ook in kerkelijke kringen, zich zo vaak richt op het tot stand brengen van consensus en rust, in plaats van alleen maar te zoeken naar een intelligente en eenvoudige trouw aan de Waarheid, die altijd met de Liefde gepaard gaat.
Wij moeten echter eraan denken dat, wanneer men niet tot zichzelf en tot wie hetzelfde leven als wij leidt, weet te spreken, wij niet de illusie mogen hebben dat wij in staat zijn te kunnen spreken tot wie ver van ons huis is.
Wij kunnen ook gedurende een bepaalde tijd deze illusie hebben, maar vroeg of laat zullen wij begrijpen dat ons woord geen kracht heeft: het is een ziek woord dat geen vruchten voortbrengt.
Dat wil zeggen, mijn beste vrienden, dat een gebrek aan parrhesia op ieder punt van onze geschiedenis heel het lichaam ziek en onvruchtbaar maakt, zoals de heilige Paulus zegt: “Het menselijke lichaam vormt met zijn vele ledematen één geheel; alle ledematen, hoe vele ook, maken tezamen één lichaam uit” (1Kor. 12, 12).
Als wij daarom met parrhesia in Ypacaraí spreken en vervolgens, wanneer wij op een andere plaats zijn, uit angst of om andere redenen deze parrhesia verdwijnt, bedriegen wij onszelf.
Deze parrhesia moet in alle omstandigheden bewaard blijven, koste wat het kost, ook als wij boeien zouden moeten dragen, zoals de heilige Paulus deed.
Daarom nodigt de heilige Paulus de gemeenschap uit tot het gebed:
“Bidt ook voor mij, dat mij het woord gegeven mag worden als ik mijn mond open om vrijmoedig het mysterie openbaar te maken, waarvoor ik een gezant ben in boeien. Bidt dat ik het vrijmoedig mag verkondigen, zoals het mijn plicht is” (Ef. 6, 19-20).
Alleen te midden van tegenspoed en in de strijd blijkt of ons woord werkelijk ons woord was of wij in de schaduw van anderen
leefden en datgene wat de moed, de vrijmoedigheid, de durf en de hartstocht van anderen was, lieten doorgaan voor durf en geloof van ons.
Wie wij werkelijk zijn, zullen wij zien, wanneer wij naar buiten zullen treden en alleen zullen staan, zonder iemand die ons beschermt en ons minuut voor minuut blijft zeggen wat wij moeten zeggen en doen.
Wij kunnen geen menselijk en christelijk leven leven en, ook al is dat in psychologische zin, in de placenta van onze moeder blijven zitten.
In Christus Jezus blijven wil zeggen niet een ander woord in plaats van zijn woord stellen. Niet een ander gelaat zoeken, maar onze verwachting alleen op Hem te vestigen. Het wil zeggen verankerd te blijven in de herinnering aan zijn Geschiedenis en niet naar believen zijn Geschiedenis voor een andere te ruilen, waar geen strijd, verdeeldheid en vervolging meer zijn.
Want anders wordt het woord stom, wordt de nauwe poort breed (vgl. Mat. 7, 13-14), verliest ons zout zijn kracht en wordt het weggeworpen, omdat het nergens meer voor dient en door de mensen wordt vertrapt (vgl. Mat. 5, 13).
Alleen als wij de moed zullen hebben om “de beoordelingscriteria, de bepalende waarden, de punten die de belangstelling hebben, de denkwijzen, de inspiratiebronnen en levenswijzen die in strijd zijn met het Woord van God en zijn heilsplan” (Evangelii nuntiandi, 19) aan het kruis te nagelen en zo door de nauwe poort gaan, zullen wij de grazige weiden bereiken, waar het ons aan niets zal ontbreken en de rustige wateren onze ziel zullen verfrissen (vgl. Ps. 23, 2-3).
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
02/01/2021

