Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)

 

Mijn beste vrienden,

In deze tijd van pandemie zijn de woorden die het meest weerklinken in de mond van de mensen, woorden van het aanroepen van God, de Maagd Maria, het vragen om gebed, de vasthoudendheid waarmee men herhaalt dat men veel bidt.

Ik wil het nog eens hebben over het gebed en de figuur van de Maagd Maria en haar plaatsen in haar juiste dimensie, opdat men haar niet, zoals ik andere keren heb gezegd, blijft reduceren tot een kassajuffrouw of een directrice van een supermarkt voor wonderen.

Wanner wij bidden, weten wij vaak niet wat het beste voor ons is. Niet altijd is wat ik verlang, wat ik wil, het beste voor mij. Daarom bestaat het echte gebed in het vragen dat de wil van God wordt gedaan. Hij bemint mij, Hij houdt van mij. Hij weet wat het beste voor mij is.

Als het echte gebed is dat Gods wil in ons wordt gedaan, mogen wij niet tot de Heer bidden, Hem aanroepen met onze mond en vervolgens met ons hart, onze handen, met heel ons lichaam iets anders doen.

Vaak zegt de Heilige Schrift dat God onze offers, onze gebeden weigert. Telkens als ons hart ingaat tegen Gods plan van liefde, kunnen wij bidden zoveel wij willen, maar ons gebed dient nergens toe. Daarom zegt de profeet Amos:

“Ik haat, Ik verfoei uw feesten, uw vieringen kan Ik niet luchten. De brandoffers en meeloffers die gij Mij brengt, behagen Mij niet; uw vredeoffers van gemeste kalveren kan Ik niet meer aanzien” (Am. 5, 21-22).

Daarom heeft het gebed, dat het hoogtepunt is van het christelijk leven, een plaats in het leven en niet daarbuiten. Wij moeten heel ons leven, heel onze geschiedenis bouwen op het gebed. Er kan geen leven zijn en daarbuiten een daarvan gescheiden gebed.

God is de God van gerechtigheid en als ik de gerechtigheid niet liefheb, verricht ik geen werken van gerechtigheid, vecht ik niet voor de gerechtigheid, is mijn gebed tegen God.

God is de God van de waarheid en als ik geen mens van de waarheid ben, is mijn gebed tegen God.

God is de God van vrede, liefde, genegenheid, tederheid, barmhartigheid, vergeving en ik moet een mens zijn van vrede, genegenheid, tederheid, barmhartigheid, vergeving, wil mijn gebed overeenstemmen met het hart van God.

Op dit punt zou iemand het volgende kunnen vragen: “En de zondaars, kunnen die niet bidden? Bidden alleen de rechtvaardigen en kunnen de zondaars niet bidden?”. De zondaars kunnen, moeten bidden, omdat wij allen zondaars zijn en de mens die zegt: “Ik ken geen zonde”, is een leugenaar.

Ik kan mijn broeder en zuster begrijpen, omdat ik evenals hij en haar een zondaar ben, maar mijn gebed vereist dat wij vragen om een ware verandering van ons hart. Ik bid niet, omdat ik rechtvaardig ben, maar opdat ik rechtvaardig ben.

Hier betreft het heel de kwestie van het verschil tussen omdat en opdat.

Laten wij luisteren naar de profeet Jesaja:

“Wanneer gij uw handen uitstrekt, sluit Ik mijn ogen voor u, zelfs als gij uw gebeden vermenigvuldigt, luister Ik niet naar u: uw handen zitten vol bloed. Wast u, reinigt u! Uit mijn ogen met uw misdaden! Houdt op met kwaad doen. Leert liever het goede te doen, betracht rechtvaardigheid, helpt de verdrukten, verschaft recht aan de wezen, verdedigt de weduwen” (Jes. 1, 15-17).

Het echte gebed vereist derhalve een echt leven dat zich inzet voor de gerechtigheid, de vrede, de bescherming van de mensenrechten. Een leven tegen de corruptie, de onderdrukking van de armsten. De arme en het gebed zijn immers nauw met elkaar verbonden.

Daarom is het model van het gebed de Maagd Maria, omdat zij de arme van Israël was, een arme jonge vrouw die geen andere rijkdom had dan de leegte van haar hart, die het woord van God kon vullen.

Zoals de heilige Paulus VI schreef, was Maria van Nazaret, hoewel “volkomen overgegeven aan de wil van de Heer, in het geheel niet een passief volgzame vrouw of van een vervreemdende godsdienstigheid, maar een vrouw die niet aarzelde te verkondigen dat God de nederigen en verdrukten wreekt en de machtigen van hun troon stoot” (Marialis cultus, 37).

Met Maria kunnen wij in het lichaam van de Kerk naar het Rijk van God gaan. Een Rijk van vrede, gerechtigheid, waarheid, liefde. Een Rijk van feest, vreugde, leven. Een Rijk waar wij eens allen elkaar weer zullen ontmoeten op een feest dat nooit eindigt.

De Maagd Maria is niet de troost van de armen. Zij is veeleer de revolutionaire Maagd, die met haar leven en woorden de geschiedenis van de mensheid volkomen heeft veranderd.

De Kerk is geen rustige plaats, buiten de wereld, om de zwakken te troosten die niet de moed hebben te strijden, te vechten. De Kerk bevindt zich in de wereld, zij is een zaad dat langzaam groeit, de ontwikkeling mogelijk maakt van eenHomilia 54 20 02 2021 shutterstock 1450554266 be boom, van een nieuw leven.

De Kerk van Jezus is niet de troost van de onbekwamen, van wie de problemen van iedere dag niet het hoofd kan bieden. De Kerk is een zaad dat groeit, zij is niet reeds de volheid van het Rijk. De Kerk is niet de plaats waar wij de oplossingen voor alle moeilijkheden, voor alle problemen al klaar vinden liggen. Als iemand denkt dit in de Kerk tevinden, heeft hij het mis. De Kerk confronteert je met de problemen van de mensheid, omdat zij je in de wereld zendt, te midden van de strijd van de mensen, ook om te zeggen dat de doeleinden die men bereikt, nog niet het Rijk zijn.

Mijn heil hangt niet af van het aantal gebeden dat ik herhaal. De arme, de behoeftige, de kleinste zal mijn rechter zijn. De maat van ons oordeel zal gebaseerd zijn op hoezeer wij hebben liefgehad. Een ware christen vergeet zichzelf om alleen aan de ander, de anderen, Jezus Christus te denken.

“In de avond van het leven – schreef de heilige Johannes van het Kruis – zullen wij geoordeeld worden naar de liefde”.

Laten wij dat niet vergeten.

En moge de zegen van de almachtige God,

Vader en Zoon en Heilige Geest,

over u neerdalen en altijd bij u blijven.

Amen.

 

Emilio firmaDon Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

26/03/2021