Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
De pandemie van COVID-19 heeft nogmaals een reactie met zich meegebracht tegen de endemische situatie van de corr
uptie die het land meemaakt, en tegen de structuren van een diepe en schandalige ongerechtigheid waarvan de zwakste en meest kwetsbare maatschappelijke klassen te lijden hebben. Nogmaals heeft de pandemie het ontbreken van een klasse van bestuurders die een politiek van ontwikkeling en herverdeling van de rijkdom op lange termijn weet te plannen, aan het licht gebracht.
Er is vandaag een vriendjespolitiek die alleen maar aan de macht is gehecht (alsof macht het doel van de politiek was en niet het middel om programma’s voor het algemeen welzijn van alle burgers te verwezenlijken) en die vooral vormen van min of meer vreedzaam protest heeft veroorzaakt die met de min of meer vereiste professionaliteit zijn gecontroleerd door de politie.
Over dit algemene gevoel van onbehagen heeft de Heilige Vader, paus Franciscus, het gehad in de Algemene Audiëntie van 17 maart 2021.
Dit zijn de woorden van de Heilige Vader geweest:
“Gedurende deze week hebben mij de berichten die uit Paraguay komen, zorgen gebaard. Op voorspraak van Onze Lieve Vrouw van de Wonderen van Caacupé vraag ik de Heer Jezus, de Vredevorst, dat men een weg van oprechte dialoog gaat om passende oplossingen te vinden voor de huidige problemen en zo samen aan de zozeer verlangde vrede te bouwen. Laten wij ons herinneren dat geweld zichzelf altijd vernietigt. Hiermee wint men niets, maar verliest men veel en soms alles”.
Maar tot vandaag gaat alles verder zoals tevoren overeenkomstig de klassieke regels van een politieke visie volgens welke men iets verandert om niets te veranderen”.
De bevrijding van de onderdrukten is een thema van bijzonder belang op het Latijns-Amerikaanse continent. Dit is een centraal thema geweest in de boodschappen van de heilige Johannes Paulus II aan de jongeren van Latijns-Amerika.
In zijn toespraak te Buenos Aires op 11 april 1987 sprak de paus de volgende woorden, toen hij zich richtte tot de jongeren:
“Zet je hart wijd open! Voel de noden van alle mensen, vooral van de meest behoeftigen; heb alle – materiële en geestelijke – vormen van ellende voor ogen waaraan men lijdt in jullie landen en heel de mensheid, en wijd je vervolgens aan het zoeken naar reële, solidaire en radicale oplossingen voor al deze kwalen”.
Het bij voorkeur kiezen voor de armen vindt zijn diepste motivering in de strijd voor het zoeken naar de zin van het leven.
“Voor een mens, en vooral voor een jongere – zo stelde de heilige Johannes Paulus II – is het essentieel zichzelf te kennen, te weten wat zijn waarde is, zijn authentieke waarde, wat de betekenis is van zijn eigen bestaan, zijn
leven, te weten wat zijn roeping is”.
De jongeren van Paraguay herinnerde de paus eraan dat men het geluk niet moet zoeken “in genot, in het bezit van materiële goederen, in de honger naar macht. Men is gelukkig om wat men is, niet om wat men heeft. Geluk is binnen in het hart, in het liefhebben, in het zich geven voor het welzijn van de ander zonder iets ervoor terug te verwachten”.
Het zal juist uitgaande van een “filosofie van het zijn in plaats van het hebben in iedere sector van de activiteiten” dat de heilige Johannes Paulus II aan de liefde bij voorkeur voor de armen en aan “de intelligente inzet voor het zoeken naar de structurele veranderingen van de maatschappij die menswaardige levensomstandigheden kunnen garanderen”, een fundament heeft gegeven.
Wij zijn immers geroepen de persoon, met inbegrip van onszelf, op zijn juiste waarde te schatten,
“niet om wat de persoon heeft, maar om wat hij is: een unieke verwezenlijking van de scheppende liefde van God, het voorwerp van een onvervreemdbare waardigheid en van de onvervreemdbare mensenrechten! Geen enkele situatie of omstandigheid van armoede of in de steek gelaten zijn zal deze waardigheid ooit kunnen uitwissen”.
Deze filosofie van het zijn en niet van het hebben brengt een diepe verandering van leven met zich mee. Wij zijn allen, arm en rijk, geroepen tot
“een serieuze inzet van soberheid en matigheid. Met andere woorden, het is noodzakelijk dat men de zogenaamde ‘consumptiemaatschappij’ weet te overwinnen, de verleiding van de ambitie om steeds meer te hebben in plaats van steeds meer te zijn, de ambitie steeds meer te hebben, terwijl anderen steeds minder hebben”.
Het gaat er niet om de ene klasse te vervangen door de andere; het gaat er niet om bepaalde mensen in plaats van anderen te brengen tot het veroveren van het hebben, of onder allen het hebben rechtvaardiger te verdelen. Het probleem moet aan de wortel worden aangepakt. Het is het probleem van zijn en niet van hebben. Het is het probleem van strijden voor de waardigheid van de mens en niet voor de ambitie, de hebzucht of de begeerte naar het overbodige.
Zolang als men op alle niveaus geen invloed uitoefent op deze fundamentele mentaliteit, zolang als er geen radicale verandering plaats vindt in het idee over het leven door dit te baseren op een bevestiging van het zijn en niet van het hebben, zullen wij allen opgesloten blijven in precies hetzelfde spel van perverse mechanismen en structuren van de
zonde. Alleen de machthebbers en de vormen van onderdrukking zullen veranderen.
Dat is ook de leer van de geschiedenis, wanneer men heeft gezocht naar de gemakkelijke weg van het geweld en van het veroveren van macht, met de illusie dat men zo een nieuwe hemel, een nieuwe aarde en een nieuwe mens kan scheppen.
Betogingen houden kan hoogstens leiden tot een afzettingsprocedure en tot de val van een president. Maar zonder een radicale verandering van mentaliteit en hart van het volk is het nutteloos zich illusies te maken. Na het feest wordt alles weer zoals het was: niets nieuws onder de zon (vgl. Pr. 1, 9).
Wij moeten een weg naar het zijn en niet naar het hebben ondernemen: een zwaar bevochten weg, omdat hij een deelname aan een inzet tot aan het kruis vereist. Maar het is ook de enige zekere weg die niet teleurstelt, en het is bovendien het enige traject dat allen zonder uitsluiting van iemand oproept medewerkers van God te zijn, omdat geen enkele situatie of omstandigheid van armoede of in de steek gelaten zijn de waardigheid van de mens zal kunnen uitwissen.
Met de filosofie van het zijn en niet van het hebben als basis hebben wij in overweging genomen hoe essentieel het volgens de heilige Johannes Paulus II vooral voor een jongere is “zichzelf te kennen, te weten wat de betekenis van zijn eigen bestaan, van zijn roeping is”.
Op deze lange weg van opoffering is het belangrijk dat ieder zijn roeping ontdekt, dat ieder zijn ja tegen zijn roeping zegt.
Wij zijn allen geroepen om van Christus de hoogste liefde te leren, de liefde van opoffering die zich weet te geven, de mooie liefde. En alleen deze mooie liefde van opoffering zal de honger naar macht en rijkdom weten te overwinnen, die de bron is van corruptie, een bron die niet uitsluitend van een of andere partij is, maar tot alle mensen en maatschappijen behoort.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
14/04/2021

